Wetgeving
VERSLAG AAN DE KONING
Sire,
I. Inleiding
Het huidige koninklijk besluit kadert in een geheel van initiatieven die genomen
worden of in uitwerking zijn met betrekking tot de oncologische patiëntenzorg.
Naast dit besluit dat de organisatie van de oncologische zorg in de betrokken
zorgprogramma's omschrijft, zijn er ministeriële besluiten uitgewerkt en in
uitwerking met betrekking tot de oncologische beroepstitels of bekwamingen voor
geneesheer-specialisten en verpleegkundigen. Ook wordt gewerkt aan de wettelijke
regeling voor de samenstelling en de benoeming van het college voor oncologie,
dat als hoofdtaak heeft de evaluatie van de oncologische activiteiten. In de
toekomst zal overgegaan worden tot het omschrijven van de wettelijke regeling
van de kinderhemato-oncologische zorg en de gespecialiseerde zorgprogramma's.
II. Doel en wettelijke basis
Het besluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd, vindt zijn wettelijke
basis in artikel 9quater van de wet op de ziekenhuizen. Op basis van dit artikel
kan de Koning naast de vaststelling van de lijst van de zorgprogramma's, de
karakteristieken bepalen waaraan elk zorgprogramma moet voldoen.
III. Structuur
Vooreerst worden de normen vastgelegd voor het zorgprogramma voor oncologische
basiszorg. Over dergelijk zorgprogramma moet in principe ieder algemeen
ziekenhuis dat geen erkenning heeft voor een zorgprogramma voor oncologie,
beschikken. De oncologische basiszorg is voornamelijk gericht op diagnose en
minder complexe behandeling.
Anderzijds wordt het zorgprogramma voor oncologie genormeerd. Dit zorgprogramma
moet een aantal meer doorgedreven diagnostische mogelijkheden kunnen aanbieden
evenals diverse behandelingsmogelijkheden. Het aantal zorgprogramma's dat mag
worden ingericht op dit organisatieniveau is niet beperkt. Indien wordt voldaan
aan de normen mag het programma worden erkend en uitgebaat.
Naast deze twee organisatievormen dienen in de toekomst nog een aantal
gespecialiseerde zorgprogramma's te worden ontwikkeld voor patiënten met tumoren
die een complexe multidisciplinaire benadering en/of een uitermate
gespecialiseerde expertise vergen en/of die zeer zeldzaam zijn. Ook voor
kinderen jonger dan 16 jaar die een oncologische aandoening hebben die op
diagnostisch en therapeutisch vlak specifieke modaliteiten vergt, dienen nog
specifieke zorgprogramma's te worden uitgewerkt.
IV. Centrale gemeenschappelijke thema's
In het kader van hoger vermelde doelstelling zijn beide zorgprogramma's
opgebouwd rond volgende centrale thema's.
De algemene toegankelijkheid wordt gegarandeerd door het voorzien in een
uitgesproken samenwerking. Er dient sprake te zijn van een samenwerking tussen
de twee organisatieniveaus, een samenwerking die in de toekomst zal uitgebreid
worden in de richting van meer gespecialiseerde zorgprogramma's. Daarnaast
moeten de zorgprogramma's deel uitmaken van een palliatief samenwerkingsverband.
Via het zorgprogramma voor oncologie wordt bovendien de samenwerking met de
thuiszorg en de eerstelijnszorg verzekerd.
De multidisciplinariteit moet maximaal worden gewaarborgd. Daarom worden
volgende normen vastgesteld.
Om erkend te worden moet het ziekenhuis beschikken over een kwaliteitshandboek
dat richtlijnen met betrekking tot diagnosestelling, behandeling en opvolging
van patiënten, verwijsafspraken die gelden in de afgesloten
samenwerkingsverbanden en de identiteit van de personen die werkzaam zijn in het
zorgprogramma met opgave van hun taken, bevat.
Een tweede instrument dat de multidisciplinariteit waarborgt, is de organisatie
van multidisciplinair overleg met betrekking tot de individuele patiënt, tussen
de betrokken zorgverstrekkers en dit via multidisciplinair consult.
Tevens met het oog op een kwaliteitsvolle, aangepaste en multidisciplinaire
aanpak van de kwaadaardige aandoening van iedere patiënt, wordt voor elke
patiënt een oncologisch behandelingsplan opgesteld en dit overeenkomstig de
afspraken in het voornoemd multidisciplinair oncologisch handboek. Wordt van het
handboek afgeweken dan dient een multidisciplinair overleg te worden gepleegd.
Dit multidisciplinair overleg wordt geoperationaliseerd in een multidisciplinair
oncologisch consult tussen minstens drie geneesheren. Deze geneesheren zijn ten
eerste de behandelende of verwijzende geneesheer-specialist en/of huisarts, ten
tweede een geneesheer met ervaring in de oncologie (dit kan zijn : ofwel een
geneesheerspecialist in de interne geneeskunde met bijzondere beroepstitel in de
oncologie en/of een radiotherapeut-oncoloog en/of een geneesheer-specialist in
de inwendige geneeskunde houder van de bijzondere beroepstitel in de klinische
hematologie, een chirurg met oncologische ervaring of beroepstitel in de
oncologie of een erkende geneesheer-specialist in de gastro-enterologie,
pneumologie, gynaecologie-verloskunde urologie, of een andere
geneesheer-specialist met oncologische ervaring of oncologische beroepstitel
naargelang de pathologie van de behandelde patiënt). Ten derde een arts vermeld
onder de eerste of tweede categorie ofwel een geneesheer-specialist in de
anatomo-pathologie, in de röntgendiagnose, in de klinische biologie of in de
nucleaire geneeskunde. Een evenwichtige vertegenwoordiging van de betrokken
disciplines dient te worden voorzien zodat voldoende kennis van alle vereiste
behandelingsmodaliteiten (chirurgisch, chemo-therapeutisch en/of
radiotherapeutische kennis) ter beschikking gesteld wordt van de patiënt.
Met het oog op de opvolging van de kwaliteit van de zorgverstrekking binnen het
zorgprogramma dient ieder zorgprogramma over te gaan tot een registratie van
parameters rond de patiënt en zijn behandeling evenals van de implementatiegraad
van de richtlijnen van het multidisciplinair oncologisch handboek van het
zorgprogramma.
Wat betreft de eerste registratie van parameters rond de patiënt in hoofde van
het zorgprogramma, wordt een registratiesysteem ingevoerd dat rekening houdt met
de aanbevelingen geformuleerd in het advies van de Commissie voor de Bescherming
van de Persoonlijke Levenssfeer op 8 april 2002. Ter vervollediging van de
aanbevelingen geformuleerd door voornoemde Commissie, is momenteel tevens een
wettelijk kader in voorbereiding dat onder meer de verdere modaliteiten voor de
organisatie van deze registratie uitwerkt. In afwachting van de practische
realisatie van deze registratie zoals uitgewerkt in het huidige koninklijk
besluit, wordt voorzien dat het huidige systeem van het nationaal kankerregister
gehanteerd blijft in de overgangsperiode. Deze overgangsmaatregel voorkomt dat
de waardevolle informatie en know-how opgedaan met het nationaal kankerregister
zouden verloren gaan door het creëren van een vacuüm in een tussentijdse
periode, nodig voor het practisch uitwerken van de kankerregistratie zoals
beschreven in het huidige besluit.
De tweede registratie met name de registratie van de implementatie van de
richtlijnen van het oncologisch handboek, komt neer op een kwantitatieve,
procentuele weergave per richtlijn over het al dan volgen ervan. Van enige
registratie van persoonsgegevens is hier geen sprake. Dientengevolge werd dan
ook op dit vlak geen rekening gehouden met de opmerkingen van de Commissie voor
de Bescherming en de Persoonlijke Levenssfeer.
Voor deze tweede categorie te registreren gegevens gebeurt de evaluatie door de
multidisciplinaire commissie voor oncologie.
Teneinde na de behandeling een zicht te hebben op de aard van de aandoening en
het daaraan gekoppelde specifieke behandelingsverloop, op het specifieke
multidisciplinaire karakter van de behandeling en op het behandelingsresultaat
dient voor iedere individuele patiënt een verslag van de behandeling te worden
opgemaakt en toegevoegd aan het medische dossier.
De multidisciplinaire commissie voor oncologie die, in principe, bij ieder
zorgprogramma voor oncologie moet worden opgericht, vervult een ondersteunende
taak bij de realisatie van een aangepaste, toegankelijke, werkzame, doelmatige
en geïntegreerde zorg, kortom een kwaliteitsvolle zorg, aan iedere oncologische
patiënt.
Het college van geneesheren dat voor oncologie zal worden opgericht in
uitvoering van het koninklijk besluit van 15 februari 1999 betreffende de
kwalitatieve toetsing van de medische activiteit in de ziekenhuizen en waaraan
in onderhavig besluit welbepaalde specifieke bijkomende taken worden toegekend,
zal een specifieke rol gaan vervullen op het vlak van de toetsing van de
kwaliteit van de zorg verstrekt in beide programma's. Dit college is
multidisciplinair samengesteld met een evenwichtige vertegenwoordiging van de
betrokken geneesheren-specialisten. Als taken heeft het college onder meer naast
zijn belangrijkste taak die bevordering van kwaliteitsinitiatieven inhoudt, de
opstelling van een model van kwaliteitshandboek, mede het bepalen van de te
registreren parameters voor de kankerregistratie, het meewerken aan audits, het
vergelijken van de handboeken, het formuleren van aanbevelingen in verband met
de competentiecriteria van geneesheren-specialisten voor het domein van de
oncologie evenals het formuleren van aanbevelingen inzake gespecialiseerde
zorgprogramma's voor oncologie en hun minimaal activiteitsniveau. Gezien het
vanzelfsprekend is dat een multidisciplinair college dat zeer heterogeen is
samengesteld en dat een zeer breed domein als de oncologie bestrijkt, niet over
de genoodzaakte kennis per thematische patiëntengroep beschikt, kan dit college
specifieke werkgroepen oprichten ter uitvoering van zijn opdrachten.
V. Specifieke bepalingen per zorgprogramma
Inhoudelijk wordt het verschil tussen beide zorgprogramma's bepaald door de
onderling gemaakte afspraken die gedocumenteerd zijn in het multidisciplinair
oncologisch handboek.
De vereiste omkadering, andere dan de medische omkadering, is praktisch
gelijklopend voor het zorgprogramma voor oncologische basiszorg en het
zorgprogramma voor oncologie.
Op verpleegkundig vlak moet er sprake zijn van een deskundigheid op het vlak van
oncologische aandoeningen. Voor het zorgprogramma voor oncologische basiszorg is
het bovendien voldoende dat de handelingen worden gesteld onder leiding van
verpleegkundigen die voldoende deskundig zijn. Voor het toedienen van
chemotherapie is een bijzondere beroepsbekwaamheid of een aantal jaren ervaring
vereist. Voor de toediening van therapieën met open radioactieve bronnen is dit
eveneens het geval.
Bijkomend moet binnen het ziekenhuis een beroep kunnen worden gedaan op een
geneesheer-specialist met ervaring in de pijnbehandeling, een kinesitherapeut,
een diëtist en een geneesheer-specialist in de pathologische anatomie (eventueel
via een samenwerkingsverband of via het zorgprogramma voor oncologie).
Zoals gesteld, verschilt de normering voor beide zorgprogramma's op het vlak van
de medische omkadering. Beide zorgprogramma's dienen te beschikken over een
medisch coördinator. Binnen het zorgprogramma oncologische basiszorg zal deze
geneesheer die een specifieke ervaring in de kankerbehandeling moet hebben en
voltijds aan het ziekenhuis moet verbonden zijn, de activiteiten van alle
specialisten die in het ziekenhuis kanker behandelen, coördineren. Voor het
zorgprogramma voor oncologie wordt echter een bijkomende omkadering en
deskundigheid op medisch vlak geëist. Meer in het bijzonder moet het
zorgprogramma minstens beschikken over geneesheren van de volgende disciplines :
- ten minste één voltijds erkende geneesheer-specialist in de inwendige
geneeskunde houder van de bijzondere beroepstitel in de oncologie;
- ten minste één geneesheer-specialist in de radiotherapie-oncologie,
desgevallend als consulent van de radiotherapiedienst van het ziekenhuis waarmee
daaromtrent een samenwerkingsovereenkomst werd gesloten;
- geneesheer-specialisten in de heelkunde met een bijzondere beroepstitel in de
oncologie of die binnen hun specialiteit een oncologische activiteit hebben,
evenals een ervaring van ten minste drie jaar in de behandeling van oncologische
aandoeningen;
- ten minste één geneesheer-specialist in de inwendige geneeskunde houder van de
bijzondere beroepstitel in de klinische hematologie, desgevallend als consulent;
- ten minste één erkende geneesheer-specialist houder van de bijzondere
beroepstitel in de oncologie, van drie van de vier volgende specialismen : de
gastro-enterologie, de pneumologie, de gynaecologie-verloskunde en de urologie;
- permanent bereikbare geneesheren-specialisten in de pathologische anatomie, in
de klinische biologie en in de röntgendiagnose die voltijds tewerkgesteld zijn
in het ziekenhuis dat over het zorgprogramma beschikt.
Het is vanzelfsprekend dat andere dan voornoemde geneesheren-specialisten met
bijzondere beroepstitel in de oncologie of met een belangrijke oncologische
activiteit op geïntegreerde wijze werkzaam zijn in het kader van het oncologisch
zorgprogramma en er op een volwaardige wijze deel van uitmaken.
Daarnaast dient de vestigingsplaats te voldoen aan volgende voorwaarden :
- een permanent op de vestigingsplaats beschikbare geneesheer om oncologische
urgenties te herkennen en op te vangen;
- een erkend geneesheer-specialist in de inwendige geneeskunde houder van de
bijzondere beroepstitel in de oncologie (eventueel bijgestaan door een
geneesheer-specialist met voldoende ervaring in de opvang van de toxische en
infectieuze complicaties van chemotherapeutische behandelingen), en een
geneesheer-specialist in de radiotherapie-oncologie waarop permanent een beroep
kan worden gedaan op de vestigingsplaats.
Voorzover de betrokken geneesherens-pecialisten nog niet beschikken over de
noodzakelijke erkenning, dienen zij alleszins te voldoen aan de
overgangsbepalingen van het besluit en meer expliciet aan de aanbevelingen in
verband met de competentiecriteria zoals geformuleerd door het college van
geneesheren.
Eveneens op het vlak van de vereiste infrastructuur en omgevingselementen worden
voor het zorgprogramma voor oncologie bijkomende eisen gesteld meer bepaald :
- het zorgprogramma moet beroep kunnen doen op een dienst voor radiotherapie
binnen het eigen ziekenhuis of binnen een ander ziekenhuis waarmee hieromtrent
een overeenkomst werd afgesloten;
- het ziekenhuis moet op dezelfde vestigingsplaats als deze van het
zorgprogramma beschikken over een erkende functie intensieve zorg;
- het ziekenhuis moet beschikken over een hospitalisatie-afdeling voor medische
oncologie waar systemische therapie kan worden toegediend;
- het ziekenhuis moet beschikken over faciliteiten waar op een adequate en
veilige manier cytostatica in daghospitalisatie kunnen worden toegediend en waar
permanent beroep kan worden gedaan op de geneesheren waarover het zorgprogramma
voor oncologie moet beschikken.
Het feit dat de hospitalisatieafdeling voor medische oncologie onder leiding
staat van een geneesheer-specialist in de inwendige geneeskunde houder van de
bijzondere beroepstitel in de oncologie, moet geenszins begrepen worden als een
volledige centralisatie van alle oncologische, inclusief hematologische,
activiteiten. In deze ziekenhuizen waar bijvoorbeeld tevens een afdeling
oncologische hematologie op volwaardige wijze functioneert, kan deze perfect
verder blijven functioneren onder leiding van de geneesheer-specialist houder
van de bijzondere beroepstitel in de klinische hematologie.
Met betrekking tot de manipulatie van anti-tumorale medicatie richt het
ziekenhuis dat beschikt over een zorgprogramma voor oncologie, binnen het
medische farmaceutische comité een specifieke werkgroep op. Bovendien dienen de
bereiding en de toediening van deze medicatie te gebeuren volgens de bepalingen
voorzien in het besluit.
In de toekomst zullen eveneens normen worden uitgewerkt voor het gebruik van
open radio-actieve bronnen voor therapeutisch gebruik en dit in samenwerking met
het federaal agentschap voor nucleaire controle.
VI. Vestigingsplaats
Om een coherent beleid binnen het zorgprogramma te verzekeren en inhoudelijke
samenwerking te bevorderen, wordt verondersteld dat een zorgprogramma dat
uitgesplitst is op verschillende vestigingsplaatsen wel beschikt over één
medisch coordinator, één gezamenlijk opgesteld multidisciplinair oncologisch
handboek en één multidisciplinaire commissie voor oncologie met representatieve
samenstelling van alle betrokkenen. De zorgprogramma's kunnen worden
uitgesplitst over de verschillende vestigingsplaatsen van hetzelfde ziekenhuis
dan wel van verschillende ziekenhuizen. Aan alle andere erkenningsvoorwaarden
moet iedere vestigingsplaats van een opgesplitst zorgprogramma voldoen.
Voor wat betreft het zorgprogramma voor oncologie is bepaald dat de andere
vestigingsplaatsen van het ziekenhuis of de ziekenhuizen dan deze waar het
zorgprogramma voor oncologie wordt uitgebaat, dienen te voldoen aan de
erkenningsnormen bepaald voor het zorgprogramma voor oncologische basiszorg.
Wij hebben de eer te zijn,
Sire,
De Minister van Volksgezondheid,
De Minister van Sociale Zaken,
ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987,
inzonderheid op artikel 9quater , ingevoegd bij het koninklijk besluit van 25
april 1997 en gewijzigd bij de wet van 25 januari 1999, artikel 15 gewijzigd bij
de wet van 29 april 1996, artikel 68, gewijzigd bij het koninklijk besluit van
25 april 1997 en de wet van 12 december 1997 en artikel 86 gewijzigd bij de wet
van 29 april 1996 en de wet van 12 augustus 2000;
Gelet op het koninklijk besluit van 30 januari 1989 houdende vaststelling van
aanvullende normen voor de erkenning van ziekenhuizen en ziekenhuisdiensten
alsmede tot nadere omschrijving van de ziekenhuisgroeperingen en van de
bijzondere normen waaraan deze moeten voldoen, inzonderheid op artikel 2, § 1,
gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 4 maart 1991, 28 maart 1995, 20
augustus 1996, 15 juli 1997, 21 januari 1998 en 21 maart 2003;
Gelet op het koninklijk besluit van 15 februari 1999 tot vaststelling van de
lijst van zorgprogramma's zoals bedoeld in artikel 9quater van de wet op de
ziekenhuizen, gecoordineerd op 7 augustus 1987 en tot aanduiding van de
artikelen die op hen van toepassing zijn, gewijzigd door het koninklijk besluit
van 16 juni 1999 en het koninklijk besluit van 21 maart 2003;
Gelet op de adviezen van de Nationale Raad voor Ziekenhuisvoorzieningen,
Afdeling Programmatie en Erkenning gegeven op 9 oktober 1997 en op 19 oktober
2000;
Gelet op het advies van de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke
Levenssfeer, gegeven op 8 april 2002;
Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 28 maart 2002;
Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Begroting, gegeven op 17 juli
2002;
Gelet op het advies nr. 34.115/3 van de Raad van State, gegeven op 17 februari
2003;
Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid en van Onze Minister van
Sociale Zaken,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Artikel 1. Om erkend te worden en erkend te blijven moeten het zorgprogramma
voor oncologische basiszorg en het zorgprogramma voor oncologie voldoen aan de
normen vastgesteld in dit besluit.
Afdeling 1. - Doelgroep, aard en inhoud van de zorg
Art. 2. § 1. Het zorgprogramma voor oncologische basiszorg is gericht op de
diagnose, de behandeling en de opvolging van oncologische aandoeningen van
patiënten van 16 jaar of ouder. Voornoemde activiteiten worden, indien de
aandoening het vereist, uitgevoerd in samenwerking met een zorgprogramma voor
oncologie in het kader van een samenwerkingsverband zoals bedoeld in artikel 10,
§ 1. De diagnose, behandeling, opvolging en de eventuele samenwerking dienen
steeds te gebeuren overeenkomstig de richtlijnen en verwijsafspraken in het
multidisciplinair oncologisch handboek bedoeld in artikel 7, § 1, van dit
besluit, zonder afbreuk te doen aan de vrije keuze van de patiënt.
§ 2. Oncologische patiënten die behoren tot de doelgroep van een gespecialiseerd
zorgprogramma, door Ons nader omschreven, of van het zorgprogramma voor
kinderoncologie, eveneens door Ons nader omschreven, worden verwezen naar het
betrokken zorgprogramma.
Zolang geen dergelijke zorgprogramma's zijn erkend, worden de betrokken
patiënten verwezen overeenkomstig de verwijsafspraken in het multidisciplinair
oncologisch handboek.
§ 3. Het zorgprogramma voor oncologische basiszorg mag worden uitgesplitst over
verschillende vestigingsplaatsen op voorwaarde dat op elke vestigingsplaats
wordt voldaan aan alle erkenningsnormen behoudens anders bepaald in dit besluit.
Afdeling 2. -
De medische en niet-medische omkadering en deskundigheid.
Onderafdeling 1. - Vereiste medische deskundigheid
Art. 3. De medische coordinatie van het zorgprogramma voor oncologische
basiszorg geschiedt door een geneesheer-specialist met een ervaring van
tenminste drie jaar in de behandeling van kwaadaardige aandoeningen. Hij wordt
op voorstel van de hoofdgeneesheer aangewezen door de ziekenhuisbeheerder na
advies van de medische raad en is voltijds verbonden aan het ziekenhuis.
Indien het zorgprogramma voor oncologische basiszorg wordt uitgesplitst over
verschillende vestigingsplaatsen, zoals voorzien in artikel 2, § 3, wordt de
medische coördinatie voor het geheel van vestigingsplaatsen waargenomen door één
geneesheer-specialist.
Onderafdeling 2. - Vereiste verpleegkundige omkadering
Art. 4. De verpleegkundige verzorging van patiënten met oncologische
aandoeningen dient te geschieden onder leiding van verpleegkundigen deskundig in
de integrale verzorging van dergelijke patiënten en in de palliatieve zorgen. De
toediening van chemotherapie gebeurt uitsluitend onder toezicht van
verpleegkundigen die erkend zijn voor of in opleiding zijn voor de bijzondere
beroepsbekwaamheid van verpleegkundige in de oncologie of die ten minste vijf
jaar ervaring hebben in de verzorging van patiënten met oncologische
aandoeningen.
Onderafdeling 3. - Psychosociale omkadering
Art. 5. Voor psychosociale begeleiding moet het zorgprogramma voor oncologische
basiszorg in het ziekenhuis een beroep kunnen doen op een plundisciplinair
psychosociaal supportteam bestaande uit een klinisch psycholoog, een
maatschappelijk werker of een gegradueerde verpleegkundige in de sociale
gezondheidszorg en op een psychiater. Zij moeten de patiënt gedurende de ganse
behandeling kunnen volgen.
Voor voornoemde deskundigheden kan eventueel een beroep worden gedaan op de
leden van het pluridisciplinair team dat ook de palliatieve functie in het
ziekenhuis waarneemt.
Onderafdeling 4. - Andere omkadering
Art. 6. § 1. Het zorgprogramma moet tevens in het ziekenhuis kunnen beroep doen
op een geneesheerspecialist met ervaring in pijnbehandeling, een kinesitherapeut
en een diëtist.
Afdeling 3. - Kwaliteitsnormen en normen inzake kwaliteitsopvolging
Onderafdeling 1.- Kwaliteitsnormen
Art. 7. § 1. Elk ziekenhuis met een zorgprogramma voor oncologische basiszorg
dient gebruik te maken van een multidisciplinair oncologisch handboek dat :
- de multidisciplinaire richtlijnen bevat voor de diagnosestelling, de
behandeling en de opvolging van patiënten met oncologische aandoeningen,
waaronder de organisatorische afspraken inzake verwijzing van patiënten binnen
een oncologisch samenwerkingsverband zoals bedoeld in artikel 10 van dit
besluit, zonder afbreuk te doen aan de vrije keuze van de patiënt;
- alle geneesheer-specialisten aanduidt die betrokken zijn in de oncologische
zorgverlening met vermelding van het domein waarin hun expertise zich situeert;
- aangeeft welke andere personen in het kader van het zorgprogramma welke taken
vervullen.
Indien het zorgprogramma voor oncologische basiszorg wordt uitgesplitst over
verschillende vestigingsplaatsen overeenkomstig artikel 2, § 3, dient voor het
geheel van vestigingsplaatsen één multidisciplinair oncologisch handboek te
worden opgesteld.
§ 2. Het in § 1 bedoelde handboek wordt door de artsen en verpleegkundigen van
het zorgprogramma voor oncologische basiszorg opgesteld in overleg met één of
meerdere multidisciplinaire commissies van een zorgprogramma voor oncologie,
telkens voor het domein van de oncologie waarmee het zorgprogramma een
oncologisch samenwerkingsverband heeft. Dit overleg wordt geëxpliciteerd in het
handboek.
Het handboek wordt bovendien in het kader van hoger beschreven overleg op
regelmatige tijdstippen volgens de stand van de wetenschap geëvalueerd en
eventueel aangepast.
§ 3 Het handboek ligt in het ziekenhuis ter inzage van alle artsen,
verpleegkundigen en andere zorgverstrekkers, met inbegrip van de verwijzende
huisartsen.
Art. 8. § 1. Voor elke patiënt met een oncologische aandoening wordt een
oncologisch behandelingsplan opgesteld overeenkomstig de multidisciplinair
opgestelde richtlijnen van het multidisciplinair oncologisch handboek.
§ 2. Indien van bedoeld handboek wordt afgeweken dient het oncologisch
behandelingsplan het voorwerp te zijn van een multidisciplinair oncologisch
consult georganiseerd in samenwerking met een multidisciplinaire commissie voor
oncologie van een zorgprogramma voor oncologie waarmee het zorgprogramma voor
oncologische basiszorg een samenwerkingsverband heeft. In voorkomend geval dient
de afwijking te worden gemotiveerd in het verslag van de oncologische
behandeling zoals bedoeld in artikel 12.
Art. 9. De bereiding in de hiertoe bestemde infrastructuur en de toediening van
antitumorale medicatie geschiedt overeenkomstig de normen vermeld Hoofdstuk III,
Afdeling 5.
Art. 10. § 1. Elk ziekenhuis met een zorgprogramma voor oncologische basiszorg
moet door middel van een samenwerkingsverband aangesloten zijn bij minstens één
zorgprogramma voor oncologie zoals bedoeld in Hoofdstuk III van dit besluit.
§ 2. Het ziekenhuis moet tevens deel uitmaken van een palliatief
samenwerkingsverband zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 19 juni 1997
houdende vaststelling van de normen waaraan een samenwerkingsverband inzake
palliatieve zorg moet voldoen om te worden erkend.
Onderafdeling 2. - Kwaliteitsopvolging
Art. 11. § 1. Ieder zorgprogramma voor oncologische basiszorg moet deelnemen aan
een kankerregistratie.
Deze kankerregistratie omvat minimaal volgende parameters :
1) Unieke patientenidentificatie inclusief demografische parameters
(geboortedatum, geslacht, postnummer) en unieke identificatie van het
zorgprogramma en het ziekenhuis;
2) Diagnose volgens internationale klassificatie inclusief incidentiedatum;
3) Tumorstadium (cTNM);
4) Conclusie van pathologisch verslag (inclusief pTNM);
5) Behandeling met verwijzing naar richtlijnen of verantwoording van afwijking;
6) Follow-up plan;
7) Bijwerkingen;
8) Ziektevrije overleving en overleving (behandelingsresultaat);
9) de datum van overlijden.
De gegevens van de kankerregistratie worden binnen de zes maanden na het
verstrijken van het jaar gedurende hetwelk de registratie heeft plaatsgehad, na
codering, overgemaakt aan de Minister die de Volksgezondheid onder zijn
bevoegdheid heeft en aan het college voor oncologie bedoeld in artikel 38.
Voornoemd college kan een model voor de kankerregistratie uitwerken waarbij de
vermelde minimaal te registreren parameters kunnen worden aangevuld met
parameters die toelaten de activiteit en de kwaliteit van de aangeboden zorg van
het zorgprogramma te meten.
§ 2. Ieder zorgprogramma voor oncologische basiszorg moet tevens deelnemen aan
de registratie van de implementatiegraad van de multidisciplinaire richtlijnen
beschreven in het multidisciplinair oncologisch handboek. Deze gegevens worden
ter beschikking gesteld van de multidisciplinaire commissie voor oncologie
waarmee een samenwerkingsverband bestaat en het college voor oncologie. Op basis
van de periodieke evaluatie van de implementatiegraad van deze richtlijnen wordt
een regelmatige herevaluatie van het multidisciplinair oncologisch handboek
doorgevoerd.
§ 3 Samen met het rapport dat wordt opgesteld in uitvoering van artikel 2 van
het koninklijk besluit van 15 februari 1999 betreffende de kwalitatieve toetsing
van de medische activiteit in de ziekenhuizen, wordt aan het voornoemd college
voor oncologie bovendien een kopij van het multidisciplinair oncologisch
handboek overgemaakt.
Art. 12. Voor iedere patiënt met een oncologische aandoening dient een verslag
van de behandeling te worden opgemaakt. Dit verslag bevat de gegevens van de
kankerregistratie, het gedetailleerde behandelingsplan, de opvolging en de
motivering ingeval van de multidisciplinair opgestelde richtlijnen wordt
afgeweken en het behandelingsplan het voorwerp was van een multidisciplinair
oncologisch overleg. Tevens wordt progressief melding gemaakt van de
nevenwerkingen van de behandeling en het behandelingsresultaat.
Het verslag zelf wordt integraal toegevoegd aan het in artikel 15 van de wet op
de ziekenhuizen, gecoordineerd op 7 augustus 1987, bedoelde medisch dossier van
de patiënt.
Bij elk recidief of progressie waarbij een nieuw oncologisch behandelingsplan
zoals bedoeld in artikel 8, § 1, aangewezen is, wordt eveneens een nieuw verslag
van de behandeling zoals hierboven omschreven, opgesteld inclusief het aanvullen
van de kankerregistratie.
Afdeling 1. - Doelgroep, aard en inhoud van de zorg
Art. 13. § 1. Het zorgprogramma voor oncologie richt zich op de diagnose, de
multidisciplinaire behandeling en de opvolging van oncologische aandoeningen van
patiënten van 16 jaar of ouder, rekening houdend met de richtlijnen en/of
verwijsafspraken in het multidisciplinair oncologisch handboek zoals bedoeld in
artikel 21, § 1, van dit besluit, zonder afbreuk te doen aan de vrije keuze van
de patiënt.
§ 2. Oncologische patiënten die behoren tot de doelgroep van een gespecialiseerd
zorgprogramma, door Ons nader omschreven, of van het zorgprogramma voor
kinderoncologie, eveneens door Ons nader omschreven, worden verwezen naar het
betrokken zorgprogramma.
§ 3. Het zorgprogramma voor oncologie mag worden uitgesplitst over meerdere
vestigingsplaatsen van hetzelfde ziekenhuis of meerdere vestigingsplaatsen van
meerdere ziekenhuizen op voorwaarde dat op elke vestigingsplaats wordt voldaan
aan alle erkenningsnormen behoudens anders bepaald in dit besluit. De overige
vestigingsplaatsen van het ziekenhuis of de ziekenhuizen dienen te voldoen aan
de erkenningsnormen van het zorgprogramma voor oncologische basiszorg zoals
bedoeld in Hoofdstuk II.
Afdeling 2. -
De vereiste medische en nietmedische omkadering en deskundigheid
Onderafdeling 1. - Vereiste medische omkadering
Art. 14. Op iedere vestigingsplaats waar het zorgprogramma voor oncologie
uitgebaat wordt, moet het zorgprogramma voor oncologie minstens beschikken over
geneesheren van de volgende disciplines :
a) ten minste één voltijds erkende geneesheer-specialist in de inwendige
geneeskunde houder van de bijzondere beroepstitel in de oncologie;
b) ten minste één geneesheer-specialist in de radiotherapie-oncologie,
desgevallend als consulent van de radiotherapiedienst in het geval zoals bedoeld
in artikel 30, § 1, tweede lid;
c) geneesheer-specialisten in de heelkunde houders van de bijzondere
beroepstitel in de oncologie of geneesheer-specialisten in de heelkunde die
binnen hun specialiteit een oncologische activiteit hebben, evenals een ervaring
van ten minste drie jaar in de behandeling van oncologische aandoeningen.
Laatstgenoemde geneesheer-specialisten moeten hun bekwaming in de oncologische
heelkunde binnen hun vakgebied kunnen aantonen via deelname aan navorming,
wetenschappelijke vergaderingen, publicaties en andere criteria die worden
vastgesteld door het College voor oncologie;
d) ten minste één geneesheer-specialist in de inwendige geneeskunde houder van
de bijzondere beroepstitel in de klinische hematologie desgevallend als
consulent;
e) tenminste één erkende geneesheer-specialist houder van de bijzondere
beroepstitel in de oncologie, van drie van de vier volgende specialismen : de
gastro-enterologie, de pneumologie, de gynaecologieverloskunde en de urologie;
f) permanent bereikbare geneesheren-specialisten in de pathologische anatomie,
in de klinische biologie en in de röntgendiagnose die voltijds tewerkgesteld
zijn in het ziekenhuis dat over het zorgprogramma beschikt.
Art. 15. Geneesheer-specialisten anderen dan deze bedoeld in artikel 14, houder
van de bijzondere beroepstitel in de oncologie of die belangrijke oncologische
activiteiten uitoefenen" zijn op geïntegreerde en multidisciplinaire wijze
werkzaam in het kader van het oncologisch zorgprogramma en maken er op een
volwaardige wijze deel van uit. Zij worden als dusdanig opgenomen in het
multidisciplinair oncologisch handboek.
Art. 16. Op iedere vestigingsplaats waar het zorgprogramma uitgebaat wordt, moet
men permanent beroep kunnen doen op een geneesheer met de nodige deskundigheid
om oncologische urgenties te herkennen en op te vangen en moet men permanent
beroep kunnen doen op een erkende geneesheer-specialist in de inwendige
geneeskunde houder van de bijzondere beroepstitel in de oncologie en een
geneesheer-specialist in de radiotherapie-oncologie.
Onderafdeling 2. - Vereiste verpleegkundige omkadering
Art. 17. De verpleegkundige verzorging van patiënten met oncologische
aandoeningen dient te geschieden door verpleegkundigen deskundig in de integrale
verzorging van dergelijke patiënten en de palliatieve zorgen.
De toediening van chemotherapie gebeurt uitsluitend door verpleegkundigen die
erkend zijn voor of in opleiding zijn voor de bijzondere beroepsbekwaamheid van
verpleegkundige in de oncologie of die ten minste vijf jaar ervaring hebben in
de verzorging van patiënten met oncologische aandoeningen.
De toediening van therapieën met open radioactieve bronnen gebeurt door
verpleegkundigen die ervaring hebben met deze vorm van therapie, onder
supervisie van een terzake deskundige geneesheerspecialist. Ze staan eveneens in
voor de verwijdering van radioactieve afvalproducten.
Onderafdeling 3. - Psychosociale begeleiding
Art. 18. Voor psychosociale begeleiding moet het zorgprogramma voor oncologie in
het ziekenhuis een beroep kunnen doen op een psychosociaal supportteam bestaande
uit een klinisch psycholoog, een maatschappelijk werker of een gegradueerde
verpleegkundige in de sociale gezondheidszorg en een geneesheer-specialist in de
psychiatrie. Zij moeten de patiënt gedurende de ganse behandeling kunnen volgen.
Voor voornoemde deskundigheden kan eventueel een beroep worden gedaan op de
leden van het pluridisciplinair team dat ook de palliatieve functie in het
ziekenhuis waarneemt.
Onderafdeling 4. - Andere omkadering
Art. 19. Het zorgprogramma moet tevens in het ziekenhuis kunnen beroep doen op
een geneesheer-specialist met ervaring in pijnbehandeling, een kinesitherapeut
en een diëtist.
Afdeling 3. -
De kwaliteitsnormen en normen voor kwaliteitsopvolging
Onderafdeling 1. - Functioneel-organisatorische normen
Art. 20. Elk zorgprogramma voor oncologie dient schriftelijke, niet noodzakelijk
exclusieve samenwerkingsverbanden te hebben met ziekenhuizen die beschikken over
een zorgprogramma voor oncologische basiszorg. Samenwerkingsverbanden die niet
resulteren in effectieve doorverwijzingen en terugverwijzingen zoals bepaald in
het multidisciplinair oncologisch handboek zoals bepaald in artikel 21 e.v.
worden als niet bestaande beschouwd.
Onderafdeling 2. - Kwaliteitsnormen
A. Een multidisciplinair oncologisch handboek
Art. 21. § 1. Een ziekenhuis dat erkend is voor een zorgprogramma voor oncologie
dient gebruik te maken van een multidisciplinair oncologisch handboek dat :
- de multidisciplinaire richtlijnen bevat voor de diagnosestelling, de
behandeling en de opvolging van patiënten met oncologische aandoeningen;
- de organisatorische afspraken bevat voor de verwijzing van patiënten binnen de
samenwerkingsverbanden waarvan het zorgprogramma deel uitmaakt;
- de verwijzingen naar andere zorgprogramma's bevat, indien het bepaalde
zorgmodaliteiten zelf niet kan aanbieden;
- aanduidt welke specialisten in het ziekenhuis deelnemen aan het oncologisch
zorgprogramma;
- aangeeft welke andere personen in het kader van het zorgprogramma welke taken
vervullen.
Indien het zorgprogramma voor oncologie wordt uitgesplitst over verschillende
vestigingsplaatsen, zoals voorzien in artikel 13, § 3, dient voor het geheel van
de vestigingsplaatsen één multidisciplinair handboek te worden opgesteld.
§ 2. Het in § 1 bedoeld handboek wordt door de artsen en verpleegkundigen van
het zorgprogramma voor oncologie opgesteld en ter goedkeuring voorgelegd aan de
multidisciplinaire commissie voor oncologie van het zorgprogramma.
§ 3. Het handboek ligt in het ziekenhuis ter inzage van alle artsen,
verpleegkundigen en alle andere zorgverstrekkers, met inbegrip van de
verwijzende huisartsen.
Art. 22. § 1. Voor iedere patiënt met een oncologische aandoening dient een
oncologisch behandelingsplan opgesteld te worden overeenkomstig de
multidisciplinair opgestelde richtlijnen van het multidisciplinair oncologisch
handboek bedoeld in artikel 21.
§ 2. Indien van de multidisciplinair opgestelde richtlijnen van het bedoelde
handboek wordt afgeweken, dient het oncologisch behandelingsplan het voorwerp te
zijn van een multidisciplinair oncologisch consult zoals bedoeld in artikel 23,
georganiseerd in het kader van de multidisciplinaire commissie voor oncologie
van het zorgprogramma voor oncologie zoals bedoeld in artikel 25. Na goedkeuring
van het behandelingsplan via het multidisciplinair oncologisch overleg, kan de
behandeling plaatsvinden onder de verantwoordelijkheid van één van de
deelnemende leden van het overleg. In voorkomend geval dient de afwijking te
worden gemotiveerd in het verslag van de oncologische behandeling zoals bedoeld
in artikel 29.
Art. 23. § 1. Aan het multidisciplinair overleg, via het multidisciplinair
oncologisch consult, nemen ten minste drie geneesheren deel.
De behandelende of verwijzende geneesheer-specialist en/of de verwijzende
huisarts evenals een erkende geneesheer-specialist in de inwendige geneeskunde
houder van de bijzondere beroepstitel in de oncologie en/of een erkend
geneesheer-specialist in de radiotherapie-oncologie en/of, zo van toepassing,
één van de geneesheer-specialisten zoals vermeld in artikel 14, c) , d) en/of e)
, dienen in elk geval aan het multidisciplinair overleg deel te nemen.
Indien in toepassing van het vorig lid de geneesheer-specialist bedoeld in
artikel 14, c) , aan het overleg deelneemt, dient tevens minstens een
geneesheerspecialist bedoeld in artikel 14, a) , b) , d) of e) , deel te nemen.
Aan het overleg kunnen bovendien de geneesheerspecialist in de pathologische
anatomie, de geneesheren-specialisten in de röntgendiagnose, de
geneesheer-specialisten in de klinische biologie en de geneesheer-specialisten
in de nucleaire geneeskunde, die bijdragen tot de diagnostische oppuntstelling,
eveneens deelnemen. Aan het overleg kunnen ook andere leden van het
multidisciplinair team dat de oncologische zorg voor een welbepaalde patiënt
waarneemt, deelnemen.
§ 2. Ieder multidisciplinair overleg wordt weergegeven in het verslag van de
behandeling van de patiënt. Hierin worden opgenomen : de datum waarop het
overleg heeft plaats gevonden, de deelnemers aan het overleg op basis van een
aanwezigheidslijst alsook een samenvatting van het resultaat van het overleg.
Art. 24. Het zorgprogramma voor oncologie moet beschikken over een coördinator,
hierna oncologiecoordinator genoemd, die op voordracht van de multidisciplinaire
commissie voor oncologie van het zorgprogramma en na advies van de medische
raad, wordt aangewezen door de ziekenhuisbeheerder.
Indien het zorgprogramma voor oncologie wordt uitgesplitst over verschillende
vestigingsplaatsen overeenkomstig artikel 13, § 3, dient voor het geheel van de
vestigingsplaatsen één coördinator te worden aangewezen.
Art. 25. § 1. Voor elk zorgprogramma voor oncologie wordt één multidisciplinaire
commissie voor oncologie ingesteld.
Indien het zorgprogramma voor oncologie wordt uitgesplitst over verschillende
vestigingsplaatsen overeenkomstig artikel 13, § 3, dient voor het geheel van de
vestigingsplaatsen één multidisciplinaire commissie voor oncologie te worden
opgericht.
§ 2. In afwijking van § 1, eerste lid, mogen meerdere ziekenhuizen gezamenlijk
een multidisciplinaire commissie voor oncologie oprichten, wanneer zij elk
afzonderlijk een erkend zorgprogramma voor oncologie aanbieden.
§ 3. De in artikel 24 vastgestelde procedure voor de aanstelling van de
oncologie-coordinator dient in de gevallen bedoeld in § 2 toegepast te worden
door de respectievelijke ziekenhuizen die samen een multidisciplinaire commissie
voor oncologie oprichten.
Art. 26. In de multidisciplinaire commissie voor oncologie zetelen minstens een
vertegenwoordiger van elk van de verschillende internistische en chirurgische
disciplines betrokken in de oncologische zorg van tumoren binnen hun discipline
ondermeer vermeld in artikel 14 c) , d) en e) , minstens één vertegenwoordiger
van elk van de verschillende diagnostische disciplines zoals bedoeld in artikel
14, f ), een erkende geneesheer-specialist zoals bedoeld in artikel 14 a) en b)
, een geneesheer-specialist in de nucleaire geneeskunde, een vertegenwoordiger
van de huisartsen, een of meerdere vertegenwoordigers van de verpleegkundigen in
de oncologie, een vertegenwoordiger van de deskundigen op het gebied van de
psycho-sociale aspecten van kanker, een vertegenwoordiger van de artsen en
verpleegkundigen van de basisfunctie waarmee wordt samengewerkt en de
hoofdgeneesheer. Deze commissie wordt voorgezeten door de oncologiecoördinator.
Indien meerdere ziekenhuizen overeenkomstig artikel 25, § 2, één
multidisciplinaire commissie voor oncologie oprichten, duiden zij gezamelijk de
voornoemde vertegenwoordigers aan.
Art. 27. De multidisciplinaire commissie voor oncologie heeft de hiernavolgende
opdrachten :
a) in te staan voor de evaluatie van de multidisciplinair opgestelde richtlijnen
die aan bod komen ten aanzien van patiënten met oncologische aandoeningen;
b) het organiseren en verzekeren van de samenwerking met de zorgprogramma's voor
oncologische basiszorg waarmee een samenwerkingsverband bestaat, de thuiszorg,
de eerstelijnszorg en de palliatieve zorgorganisaties teneinde de patiënt met
oncologische aandoeningen in het gehele circuit van de diagnosevaststelling en
behandeling te kunnen opvolgen;
c) het organiseren en verzekeren van multidisciplinaire patiëntenbesprekingen,
met bijhorende verslaggeving, via een multidisciplinair overleg waarin de
verschillende orgaanspecialisten, huisartsen en verpleegkundigen vanuit hun
eigen expertise deelnemen;
d) het organiseren en bewaken van de deelname aan kwaliteitsbevorderende
initiatieven;
e) het ontwerpen en geregeld aanpassen volgens de stand van de wetenschap van
een multidisciplinair oncologisch handboek dat de richtlijnen bevat voor de
behandeling van patiënten met oncologische aandoeningen;
f) de organisatie en de opvolging van het consulentschap naar de zorgprogramma's
voor oncologische basiszorg toe, waarmede een oncologisch samenwerkingsverband
bestaat;
g) de oprichting en opvolging van een pathologiewerkgroep per orgaanstelsel
waarin de algemene wetenschappelijke en organisatorische aspecten worden
besproken, evenals de patiëntencasussen; de werkgroep doet een voorstel
betreffende de keuze van de protocols en is samengesteld uit alle geneesheren
uit het ziekenhuis die rechtstreeks of onrechtstreeks iets te maken hebben met
de desbetreffende pathologie;
h) de doorverwijzing van tumoren die een complexe behandeling vergen en die
zeldzaam zijn, naar zorgprogramma's waarnaar in het handboek wordt verwezen en
het verzekeren dat een beroep kan worden gedaan op actuele kennis in de
ontwikkeling van genetica en de moleculaire biologie;
i) de organisatie van de psychosociale ondersteuning;
j) het ondersteunen van de kankerregistratie en het opvolgen van de
implementatiegraad van de multidisciplinaire richtlijnen gepreciseerd in het
multidisciplinair oncologisch handboek;
k) de organisatie van de samenwerking met thuiszorg-eerste lijn, het
zorgprogramma voor oncologische basiszorg en de palliatieve zorgorganisaties
teneinde het zorgcircuit van de diagnosevaststelling en behandeling te kunnen
opvolgen.
Art. 28. Het ziekenhuis dat over een zorgprogramma voor oncologie beschikt, moet
deel uitmaken van een palliatief samenwerkingsverband zoals bedoeld in het
koninklijk besluit van 19 juni 1997 houdende vaststelling van de normen waaraan
een samenwerkingsverband inzake palliatieve zorg moet voldoen om te worden
erkend.
Onderafdeling 3. - Kwaliteitsopvolging
Art. 29. Het zorgprogramma voor oncologie dient inzake de kwaliteitsopvolging
eveneens te beantwoorden aan dezelfde bepalingen die van toepassing zijn op het
zorgprogramma voor oncologische basiszorg, zoals bedoeld in de artikelen 11 en
12.
Afdeling 4. -
De vereiste infrastructuur en omgevingselementen
Art. 30. § 1. Het zorgprogramma voor oncologie moet kunnen beroep doen op een
erkende dienst voor radiotherapie, zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 5
april 1991 houdende vaststelling van de normen waaraan een dienst radiotherapie
moet voldoen om te worden erkend als zware medisch-technische dienst zoals
bedoeld in artikel 44 van de wet van de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7
augustus 1987.
Indien de in het eerste lid bedoelde dienst zich niet in hetzelfde ziekenhuis
bevindt, dient het een overeenkomst te sluiten met een ziekenhuis dat wel over
een erkende dienst voor radiotherapie beschikt.
§ 2. Het ziekenhuis moet tevens beschikken over :
- een hospitalisatie-afdeling voor medische oncologie waar systemische therapie
kan toegediend worden;
- faciliteiten waar op adequate en veilige manier cytostatica kunnen worden
toegediend in daghospitalisatie en waar permanent een beroep kan worden gedaan
op één van de geneesheer-specialisten bedoeld in artikel 14, a) tot en met e) .
Art. 31. Alle antitumorale-medicamenteuse behandelingen voor patiënten die niet
in het ziekenhuis overnachten, dienen te geschieden in het kader van
faciliteiten voor daghospitalisatie die specifiek zijn gericht op
medisch-oncologische behandelingsmodaliteiten.
Art. 32. § 1. De hospitalisatie-afdeling voor medische oncologie bevindt zich in
een duidelijk identificeerbare, afzonderlijke verpleegeenheid of gedeelte van
een verpleegeenheid, met de beschikking over éénpersoonskamers, welke
uitsluitend zijn bestemd voor het zorgprogramma voor oncologie.
§ 2. De in § 1 bedoelde hospitalisatie-afdeling staat onder leiding van een
erkende geneesheer-specialist in de inwendige geneeskunde houder van de
bijzondere beroepstitel in de oncologie. Alle artsen die deelnemen aan het
oncologische zorgprogramma kunnen patiënten hospitaliseren op deze afdeling.
§ 3. Het zorgprogramma hospitaliseert niet uitsluitend op de in § 1, bedoelde
hospitalisatieafdeling. De patiënten worden gehospitaliseerd in functie van hun
noden op een afdeling die op grond de expertise het meest geschikt is.
Art. 33. Het ziekenhuis met een zorgprogramma voor oncologie dient te beschikken
over een erkende functie voor intensieve zorg, zoals bedoeld in het koninklijk
besluit van 27 april 1998 houdende vaststelling van de normen waaraan een
functie voor intensieve zorg moet voldoen om erkend te worden.
De functie bedoeld in het eerste lid, dient op dezelfde campus als het
zorgprogramma voor oncologie aanwezig te zijn.
Afdeling 5. - De manipulatie van antitumorale medicatie.
Art. 34. Met betrekking tot de manipulatie van antitumorale medicatie richt het
ziekenhuis in het kader van het medisch farmaceutische comité een
multidisciplinaire werkgroep "antitumorale medicatie" op. Deze werkgroep is
samengesteld uit leden van het medische farmaceutisch comité en personen
aangeduid door de multidisciplinaire commissie voor oncologie van het
zorgprogramma voor oncologie.
Art. 35. De in artikel 34 bedoelde werkgroep heeft als taak :
a) het verlenen van advies aan de multidisciplinaire commissies voor oncologie,
bedoeld in artikel 25 van dit besluit, met het oog op het vaststellen van
specifieke procedures voor het voorschrijven, het afleveren en het toedienen van
antitumorale medicatie;
b) het toezien op de naleving van deze procedures, evenals het opvolgen van de
mogelijke ongevallen en van de opvang hiervan.
Art. 36. § 1. Anti-tumorale medicatie kan in afwijking van artikel 6, § 2, van
het koninklijk besluit van 4 maart 1991 houdende vaststelling van de normen
waaraan een ziekenhuisapotheek moet voldoen om te worden erkend, worden bereid
in een daartoe ingerichte ruimte die zich bevindt op de verpleegeenheid waar de
oncologische patiënt wordt opgenomen.
§ 2. De bereiding gebeurt steeds in aanwezigheid van en onder rechtstreeks
toezicht van de ziekenhuisapotheker. Deze is verantwoordelijk voor de controle
van de voorgeschreven doseringen en neemt bij enige twijfel contact op met de
voorschrijvende arts.
§ 3. Op het speciale etiket van de bereiding dienen de volgende elementen te
worden vermeld
a) de naam van het product (conform de naam van het voorschrift);
b) de naam van de patiënt;
c) de bereidingsdatum en indien nodig het uur van bereiding;
d) de wijze van toediening;
e) het bereide volume met hoeveelheid;
f) de wijze van bewaring en eventueel de houdbaarheidstermijn.
Art. 37. De toediening van anti-tumorale medicatie geschiedt bij specifieke
procedures, vastgesteld door de multidisciplinaire commissies voor oncologie
bedoeld in artikel 25 van dit besluit, na advies van de multidisciplinaire
werkgroep voor antitumorale medicatie.
Art. 38. Een zorgprogramma voor oncologische basiszorg en een zorgprogramma voor
oncologie moeten daarenboven, om erkend te blijven, hun medewerking verlenen aan
de interne en externe toetsing van de medische activiteit, overeenkomstig de
bepalingen van het koninklijk besluit van 15 februari 1999 betreffende de
kwalitatieve toetsing van de medische activiteit in de ziekenhuizen. Hiertoe
wordt een College voor oncologie opgericht dat naast de opdrachten vermeld in
artikel 8 van bedoeld besluit van 15 februari 1999 eveneens tot opdracht heeft :
a) de ziekenhuizen te ondersteunen in de aanmaak en de aanpassing van het
multidisciplinair oncologisch handboek dat de richtlijnen voor de vaststelling
van de diagnose, de behandeling en de opvolging van oncologische aandoeningen
bevat, door ondermeer een model van multidisciplinair oncologisch handboek op te
stellen;
b) het nader uitwerken van een model voor de kankerregistratie zoals bedoeld in
artikel 11;
c) in de ziekenhuizen audits te organiseren door visitatie van leden of
aangeduide experten van het College en hierover een rapport op te stellen;
d) het nationaal vergelijken van de gehanteerde handboeken en het organiseren
van thematische consensusmeetings afhankelijk van de prioritaire thema's;
e) de normen inzake het gebruik van antitumorale medicatie te actualiseren
volgens de laatste stand van de medische wetenschap;
f) het formuleren van aanbevelingen over de competentiecriteria waaraan de
geneesheer-specialisten bedoeld in artikel 14 dienen te voldoen om deel te
kunnen uitmaken van het medisch team van een oncologische zorgprogramma en over
de noodzaak tot het instellen van bijzondere beroepsbekwaamheden voor
geneesheer-specialisten betrokken bij de oncologische zorgverlening;
g) het formuleren van aanbevelingen inzake de gespecialiseerde zorgprogramma's
voor oncologie en hun minimaal activiteitsniveau.
Het College voor oncologie kan voor de uitvoering van zijn in het eerste lid
bedoeld opdrachten, een pathologiewerkgroep per orgaanstelsel oprichten en het
kan in het kader van zijn werking beroep doen op buitenlandse experten die
vermaardheid in het domein van de oncologie hebben verworven.
Art. 39. In afwachting dat geneesheer-specialisten houders van de bijzondere
beroepstitel in de oncologie "erkend zijn, dient voor de toepassing van dit
besluit de vermelding erkend geneesheer-specialist houder van de bijzondere
beroepstitel in de oncologie telkens gelezen te worden als "erkend
geneesheer-specialist die algemeen bekend staat als bijzonder bekwaam in de
oncologie of die het bewijs levert dat hij, sedert ten minste vier jaar na zijn
erkenning als geneesheer-specialist, de oncologie op een substantiële en
belangrijke manier en met een voldoende kennis uitoefent".
Het bewijs dat hij algemeen bekend staat als bijzonder bekwaam, kan geleverd
worden onder andere door zijn actieve deelname aan nationale en internationale
congressen, aan wetenschappelijke vergaderingen in verband met de oncologie van
zijn discipline, door persoonlijke publicaties, door een activiteit die typisch
is voor de oncologie van zijn discipline en andere criteria die worden
vastgesteld door het College voor oncologie.
Art. 40. Onze Minister van Volksgezondheid en Onze Minister van Sociale Zaken
zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 21 maart 2003.
ALBERT
De Minister van Volksgezondheid,
De Minister van Sociale Zaken, |
|
|
||
|
Copyright © VBS, 1997-2008 - Questions & Comments |