Wetgeving
28 MEI 2002. - Wet betreffende de euthanasie
ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de
Grondwet.
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
Art. 2. Voor de toepassing van deze wet wordt onder euthanasie verstaan het
opzettelijk levensbeëindigend handelen door een andere dan de betrokkene, op
diens verzoek.
HOOFDSTUK II. - Voorwaarden en procedure
Art. 3. § 1. De arts die euthanasie toepast, pleegt geen misdrijf wanneer hij
er zich van verzekerd heeft dat :
- de patiënt een meerderjarige of een ontvoogde minderjarige is die
handelingsbekwaam en bewust is op het ogenblik van zijn verzoek;
- het verzoek vrijwillig, overwogen en herhaald is, en niet tot stand gekomen is
als gevolg van enige externe druk;
- de patiënt zich in een medisch uitzichtloze toestand bevindt van aanhoudend
en ondraaglijk fysiek of psychisch lijden dat niet gelenigd kan worden, en dat
het gevolg is van een ernstige en ongeneeslijke, door ongeval of ziekte
veroorzaakte aandoening;
en hij de in deze wet voorgeschreven voorwaarden en procedures heeft nageleefd.
§ 2. Onverminderd bijkomende voorwaarden die de arts aan zijn ingrijpen wenst
te verbinden, moet hij vooraf en in alle gevallen :
1° de patiënt inlichten over zijn gezondheidstoestand en zijn
levensverwachting, met de patiënt overleg plegen over zijn verzoek tot
euthanasie en met hem de eventueel nog resterende therapeutische mogelijkheden,
evenals die van de palliatieve zorg, en hun gevolgen bespreken. Hij moet met de
patiënt tot de overtuiging komen dat er voor de situatie waarin deze zich
bevindt geen redelijke andere oplossing is en dat het verzoek van de patiënt
berust op volledige vrijwilligheid;
2° zich verzekeren van het aanhoudend fysiek of psychisch lijden van de patiënt
en van het duurzaam karakter van zijn verzoek. Daartoe voert hij met de patiënt
meerdere gesprekken die, rekening houdend met de ontwikkeling van de
gezondheidstoestand van de patiënt, over een redelijke periode worden gespreid;
3° een andere arts raadplegen over de ernstige en ongeneeslijke aard van de
aandoening en hem op de hoogte brengen van de redenen voor deze raadpleging. De
geraadpleegde arts neemt inzage van het medisch dossier, onderzoekt de patiënt
en moet zich vergewissen van het aanhoudend en ondraaglijk fysiek of psychisch
lijden dat niet gelenigd kan worden. Hij stelt een verslag op van zijn
bevindingen.
De geraadpleegde arts moet onafhankelijk zijn ten opzichte van zowel de patiënt
als de behandelende arts en bevoegd om over de aandoening in kwestie te
oordelen. De behandelende arts brengt de patiënt op de hoogte van de resultaten
van deze raadpleging;
4° indien er een verplegend team is, dat in regelmatig contact staat met de
patiënt, het verzoek van de patiënt bespreken met het team of leden van dat
team;
5° indien de patiënt dat wenst, het verzoek van de patiënt bespreken met zijn
naasten die hij aanwijst;
6° zich ervan verzekeren dat de patiënt de gelegenheid heeft gehad om over
zijn verzoek te spreken met de personen die hij wenste te ontmoeten.
§ 3. Indien de arts van oordeel is dat de patiënt kennelijk niet binnen
afzienbare tijd zal overlijden, moet hij bovendien :
1° een tweede arts raadplegen, die psychiater is of specialist in de aandoening
in kwestie, en hem op de hoogte brengen van de redenen voor deze raadpleging. De
geraadpleegde arts neemt inzage van het medisch dossier, onderzoekt de patiënt
en moet zich vergewissen van het aanhoudend en ondraaglijk fysiek of psychisch
lijden dat niet gelenigd kan worden, en van het vrijwillig, overwogen en
herhaald karakter van het verzoek. Hij stelt een verslag op van zijn
bevindingen. De geraadpleegde arts moet onafhankelijk zijn ten opzichte van
zowel de patiënt als de behandelende arts en de eerste geraadpleegde arts. De
behandelende arts brengt de patiënt op de hoogte van de resultaten van deze
raadpleging;
2° minstens één maand laten verlopen tussen het schriftelijke verzoek van de
patiënt en het toepassen van de euthanasie.
§ 4. Het verzoek van de patiënt moet op schrift zijn gesteld. Het document
wordt opgesteld, gedateerd en getekend door de patiënt zelf. Indien de patiënt
daartoe niet in staat is, gebeurt het op schrift stellen door een meerderjarige
persoon die gekozen is door de patiënt en geen materieel belang mag hebben bij
de dood van de patiënt.
Deze persoon maakt melding van het feit dat de patiënt niet in staat is om zijn
verzoek op schrift te formuleren en geeft de redenen waarom. In dat geval
gebeurt de opschriftstelling in bijzijn van de arts en noteert die persoon de
naam van die arts op het document. Dit document dient bij het medisch dossier te
worden gevoegd.
De patiënt kan te allen tijde het verzoek herroepen, waarna het document uit
het medisch dossier wordt gehaald en aan de patiënt wordt teruggegeven.
§ 5. Alle verzoeken geformuleerd door de patiënt, alsook de handelingen van de
behandelende arts en hun resultaat, met inbegrip van het (de) verslag(en) van de
geraadpleegde arts(en), worden regelmatig opgetekend in het medisch dossier van
de patiënt.
HOOFDSTUK III. - De wilsverklaring
Art. 4. § 1. Elke handelingsbekwame meerderjarige of ontvoogde minderjarige
kan, voor het geval dat hij zijn wil niet meer kan uiten, schriftelijk in een
wilsverklaring zijn wil te kennen geven dat een arts euthanasie toepast indien
deze arts er zich van verzekerd heeft :
- dat hij lijdt aan een ernstige en ongeneeslijke, door ongeval of ziekte
veroorzaakte aandoening;
- hij niet meer bij bewustzijn is;
- en deze toestand volgens de stand van de wetenschap onomkeerbaar is.
In de wilsverklaring kunnen één of meer meerderjarige vertrouwenspersonen in
volgorde van voorkeur aangewezen worden, die de behandelende arts op de hoogte
brengen van de wil van de patiënt. Elke vertrouwenspersoon vervangt zijn of
haar in de wilsverklaring vermelde voorganger in geval van weigering,
verhindering, onbekwaamheid of overlijden. De behandelende arts van de patiënt,
de geraadpleegde arts en de leden van het verplegend team kunnen niet als
vertrouwenspersoon optreden.
De wilsverklaring kan op elk moment worden opgesteld. Zij moet schriftelijk
worden opgemaakt ten overstaan van twee meerderjarige getuigen, van wie er
minstens een geen materieel belang heeft bij het overlijden van de patiënt en
moet gedateerd en ondertekend worden door degene die de verklaring aflegt, door
de getuigen en, in voorkomend geval, door de vertrouwensperso(o)n(e)n.
Indien de persoon die een wilsverklaring wenst op te stellen fysiek blijvend
niet in staat is om een wilsverklaring op te stellen en te tekenen, kan hij een
meerderjarig persoon, die geen enkel materieel belang heeft bij het overlijden
van de betrokkene, aanwijzen, die zijn verzoek schriftelijk opstelt, ten
overstaan van twee meerderjarige getuigen, van wie er minstens een geen
materieel belang heeft bij het overlijden van de patiënt. De wilsverklaring
vermeldt dat de betrokkene niet in staat is te tekenen en waarom. De
wilsverklaring moet gedateerd en ondertekend worden door degene die het verzoek
schriftelijk opstelt, door de getuigen en, in voorkomend geval, door de
vertrouwenspersoon of vertrouwenspersonen.
Bij de wilsverklaring wordt een medisch getuigschrift gevoegd als bewijs dat de
betrokkene fysiek blijvend niet in staat is de wilsverklaring op te stellen en
te tekenen.
Met de wilsverklaring kan alleen rekening gehouden worden indien zij minder dan
vijf jaar vóór het moment waarop betrokkene zijn wil niet meer kan uiten, is
opgesteld of bevestigd.
De wilsverklaring kan op elk moment aangepast of ingetrokken worden.
De Koning bepaalt hoe de wilsverklaring wordt opgesteld, geregistreerd en
herbevestigd of ingetrokken en via de diensten van het Rijksregister aan de
betrokken artsen wordt meegedeeld.
§ 2. De arts die euthanasie toepast, tengevolge een wilsverklaring zoals
voorzien in § 1, pleegt geen misdrijf indien deze arts er zich van verzekerd
heeft dat de patiënt :
- lijdt aan een ernstige en ongeneeslijke, door ongeval of ziekte veroorzaakte
aandoening;
- hij niet meer bij bewustzijn is;
- en deze toestand volgens de stand van de wetenschap onomkeerbaar is;
en hij de in deze wet voorgeschreven voorwaarden en procedures heeft nageleefd.
Onverminderd bijkomende voorwaarden die de arts aan zijn ingrijpen wenst te
verbinden, moet hij vooraf :
1° een andere arts raadplegen over de onomkeerbaarheid van de medische toestand
van de patiënt en hem op de hoogte brengen van de redenen voor deze
raadpleging. De geraadpleegde arts neemt inzage van het medisch dossier en
onderzoekt de patiënt. Hij stelt een verslag op van zijn bevindingen. Indien in
de wilsverklaring een vertrouwenspersoon wordt aangewezen brengt de behandelende
arts deze vertrouwenspersoon op de hoogte van de resultaten van deze
raadpleging.
De geraadpleegde arts moet onafhankelijk zijn ten opzichte van zowel de patiënt
als de behandelende arts en bevoegd om over de aandoening in kwestie te
oordelen;
2° indien er een verplegend team is dat in regelmatig contact staat met de patiënt,
de inhoud van de wilsverklaring bespreken met het team of leden van dat team;
3° indien in de wilsverklaring een vertrouwenspersoon wordt aangewezen, het
verzoek van de patiënt met hem bespreken;
4° indien in de wilsverklaring een vertrouwenspersoon wordt aangewezen, de
inhoud van de wilsverklaring bespreken met de naasten van de patiënt die door
de vertrouwenspersoon zijn aangewezen.
De wilsverklaring en, alsook alle handelingen van de behandelende arts en hun
resultaat, met inbegrip van het verslag van de geraadpleegde arts, worden
regelmatig opgetekend in het medisch dossier van de patiënt.
HOOFDSTUK IV. - Aangifte
Art. 5. De arts die euthanasie heeft toegepast, bezorgt binnen vier werkdagen
het volledig ingevulde registratiedocument bedoeld in artikel 7 van deze wet aan
de in artikel 6 bedoelde federale controle- en evaluatiecommissie.
HOOFDSTUK V. - De Federale Controle- en Evaluatiecommissie
Art. 6. § 1. Er wordt een Federale Controle- en Evaluatiecommissie ingesteld
inzake de toepassing van deze wet, hierna te noemen « de commissie ».
§ 2. De commissie bestaat uit zestien leden. Zij worden aangewezen op basis van
hun kennis en ervaring inzake de materies die tot de bevoegdheid van de
commissie behoren. Acht leden zijn doctor in de geneeskunde, van wie er minstens
vier hoogleraar zijn aan een Belgische universiteit. Vier leden zijn hoogleraar
in de rechten aan een Belgische universiteit, of advocaat. Vier leden komen uit
kringen die belast zijn met de problematiek van ongeneeslijk zieke patiënten.
Het lidmaatschap van de commissie is onverenigbaar met het mandaat van lid van
een van de wetgevende vergaderingen en met het mandaat van lid van de federale
regering of van een gemeenschaps- of gewestregering.
De leden van de commissie worden, met inachtneming van de taalpariteit - waarbij
elke taalgroep minstens drie kandidaten van elk geslacht telt - en op grond van
pluralistische vertegenwoordiging, bij een koninklijk besluit vastgesteld na
overleg in de Ministerraad, benoemd uit een dubbele lijst, voorgedragen door de
Senaat, voor een termijn van vier jaar, die kan worden verlengd. Het mandaat
wordt van rechtswege beëindigd indien het lid de hoedanigheid waarin hij zetelt
verliest. De kandidaten die niet als effectief lid zijn aangewezen, worden tot
plaatsvervanger benoemd, in de orde van opvolging die volgens een lijst bepaald
wordt. De commissie wordt voorgezeten door een Nederlandstalige en een
Franstalige voorzitter. Deze voorzitters worden verkozen door de commissieleden
van de desbetreffende taalgroep.
De commissie kan slechts geldig beslissen als twee derden van de leden aanwezig
zijn.
§ 3. De commissie stelt haar huishoudelijk reglement op.
Art. 7. De commissie stelt een registratiedocument op dat door de arts, telkens
wanneer hij euthanasie toepast, ingevuld moet worden.
Dit document bestaat uit twee delen. Het eerste deel moet door de arts worden
verzegeld. Het bevat de volgende gegevens :
1° de naam, de voornamen en de woonplaats van de patiënt;
2° de naam, de voornamen, het registratienummer bij het RIZIV en de woonplaats
van de behandelende arts;
3° de naam, de voornamen, het registratienummer bij het RIZIV en de woonplaats
van de arts(en) die over het euthanasieverzoek is (zijn) geraadpleegd;
4° de naam, de voornamen, de woonplaats en de hoedanigheid van alle personen
die de behandelende arts heeft geraadpleegd, en de data van deze raadplegingen;
5° indien er een wilsverklaring is waarin een of meer vertrouwenspersonen
worden aangewezen, de naam en de voornamen van de betrokken
vertrouwensperso(o)n(en).
Dit eerste deel is vertrouwelijk en wordt door de arts aan de commissie
overgezonden. Er kan alleen inzage van worden genomen na beslissing van de
commissie. In geen geval kan de commissie zich hierop baseren voor haar
evaluatietaak.
Het tweede deel is eveneens vertrouwelijk en bevat de volgende gegevens :
1° het geslacht, de geboortedatum en de geboorteplaats van de patiënt;
2° de datum, de plaats en het uur van overlijden;
3° de aard van de ernstige en ongeneeslijke, door ongeval of ziekte
veroorzaakte aandoening waaraan de patiënt leed;
4° de aard van de aanhoudende en ondraaglijke pijn;
5° de redenen waarom dit lijden niet gelenigd kon worden;
6° op basis van welke elementen men zich ervan heeft vergewist dat het verzoek
vrijwillig, overwogen en herhaald is en niet tot stand is gekomen als gevolg van
enige externe druk;
7° of aangenomen kon worden dat de patiënt binnen afzienbare termijn zou
overlijden;
8° of er een wilsverklaring is opgemaakt;
9° de procedure die de arts gevolgd heeft;
10° de hoedanigheid van de geraadpleegde arts of artsen, het advies en de data
van die raadplegingen;
11° de hoedanigheid van de personen die door de arts geraadpleegd zijn en de
data van die raadplegingen;
12° de wijze waarop de euthanasie is toegepast en de gebruikte middelen.
Art. 8. De commissie onderzoekt het volledig ingevulde registratiedocument dat
haar door de behandelende arts is overgezonden. Zij gaat op basis van het tweede
deel van het registratiedocument na of de euthanasie is uitgevoerd onder de
voorwaarden en volgens de procedure bepaald in deze wet. In geval van twijfel
kan de commissie bij gewone meerderheid besluiten om de anonimiteit op te
heffen. Zij neemt dan kennis van het eerste deel van het registratiedocument. De
commissie kan aan de behandelende arts elk element uit het medisch dossier dat
betrekking heeft op de euthanasie opvragen.
De commissie spreekt zich binnen twee maanden uit.
Is de commissie van oordeel bij beslissing genomen door een tweederde
meerderheid dat de in deze wet bepaalde voorwaarden niet zijn nageleefd, dan
zendt zij het dossier over aan de procureur des Konings van de plaats van
overlijden van de patiënt.
Als bij het opheffen van de anonimiteit blijkt dat er feiten of omstandigheden
bestaan waardoor de onafhankelijkheid of de onpartijdigheid van het oordeel van
een lid van de commissie in het gedrang komt, zal dit lid zich verschonen of
kunnen gewraakt worden bij de behandeling van deze zaak in de commissie.
Art. 9. Ten behoeve van de Wetgevende Kamers stelt de commissie de eerste keer
binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze wet en nadien tweejaarlijks :
a) een statistisch verslag op waarin de informatie is verwerkt uit het tweede
deel van het volledig ingevulde registratiedocument dat de artsen haar
overeenkomstig artikel 8 hebben overgezonden;
b) een verslag op waarin de toepassing van de wet wordt aangegeven en geëvalueerd;
c) in voorkomend geval, aanbevelingen op die kunnen leiden tot een wetgevend
initiatief en/of andere maatregelen inzake de uitvoering van deze wet.
Teneinde deze opdrachten te vervullen, kan de commissie alle bijkomende
inlichtingen inwinnen bij de diverse overheidsdiensten en instellingen. De
inlichtingen die de commissie inwint zijn vertrouwelijk.
Geen van deze documenten mag de identiteit vermelden van personen die genoemd
worden in de dossiers die aan de commissie zijn overgezonden in het kader van
haar controletaak zoals bepaald in artikel 8.
De commissie kan besluiten om aan universitaire onderzoeksteams die een
gemotiveerd verzoek daartoe doen, statistische en zuiver technische gegevens mee
te delen, met uitsluiting van alle persoonsgegevens. Zij kan deskundigen horen.
Art. 10. De Koning stelt een administratief kader ter beschikking van de
commissie voor het uitvoeren van haar wettelijke opdrachten. De formatie en het
taalkader van het administratief personeel worden bij koninklijk besluit
vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voordracht van de minister bevoegd
voor de Volksgezondheid en de minister bevoegd voor de Justitie.
Art. 11. De werkingskosten en de personeelskosten van de commissie, alsook de
vergoeding van haar leden, komen voor de ene helft ten laste van de begroting
van de minister bevoegd voor de Volksgezondheid en voor de andere helft ten
laste van de begroting van de minister bevoegd voor de Justitie.
Art. 12. Eenieder die, in welke hoedanigheid ook, zijn medewerking verleent aan
de toepassing van deze wet, is verplicht tot geheimhouding van de gegevens die
hem in de uitoefening van zijn opdracht worden toevertrouwd en die hiermee
verband houden. Artikel 458 van het Strafwetboek is op hem van toepassing.
Art. 13. Binnen zes maanden na het indienen van het eerste verslag en, in
voorkomend geval, van de aanbevelingen van de commissie, bedoeld in artikel 9,
vindt hierover een debat plaats in de Wetgevende Kamers. Die termijn van zes
maanden wordt geschorst gedurende de periode dat de Wetgevende Kamers ontbonden
zijn en/of dat er geen regering is die het vertrouwen heeft van de Wetgevende
Kamers.
HOOFDSTUK VI. - Bijzondere bepalingen
Art. 14. Het verzoek en de wilsverklaring bedoeld in de artikelen 3 en 4 van
deze wet hebben geen dwingende waarde.
Geen arts kan worden gedwongen euthanasie toe te passen.
Geen andere persoon kan worden gedwongen mee te werken aan het toepassen van
euthanasie.
Weigert de geraadpleegde arts euthanasie toe te passen, dan moet hij dit de patiënt
of de eventuele vertrouwenspersoon tijdig laten weten waarbij hij de redenen van
zijn weigering toelicht. Berust zijn weigering op een medische grond dan wordt
die in het medisch dossier van de patiënt opgetekend.
De arts die weigert in te gaan op een euthanasieverzoek moet, op verzoek van de
patiënt of de vertrouwenspersoon, het medisch dossier van de patiënt meedelen
aan de arts die is aangewezen door de patiënt of de vertrouwenspersoon.
Art. 15. Een persoon die overlijdt ten gevolge van euthanasie toegepast met
toepassing van de voorwaarden gesteld door deze wet, wordt geacht een
natuurlijke dood te zijn gestorven wat betreft de uitvoering van de
overeenkomsten waarbij hij partij was, en met name de
verzekeringsovereenkomsten.
De bepalingen van artikel 909 van het Burgerlijk Wetboek zijn mede van
toepassing op de in artikel 3 bedoelde leden van het verplegend team.
Art. 16. Deze wet treedt in werking ten laatste drie maanden nadat ze in het
Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en
door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Brussel, 28 mei 2002.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Justitie,
M. VERWILGHEN
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
M. VERWILGHEN |