Interpretatieregels betreffende de nomenclatuur van de
geneeskundige verstrekkingen
|
Beding van afwijzing van
aansprakelijkheid : Alle
documenten in deze publicatie zijn louter informatief en mogen niet
beschouwd worden als rechtsgeldig. Dit is een niet-officiële poging om de
interpretatieregels die in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd werden
samen te bundelen. Eventuele onjuistheden die ons worden gesignaleerd,
zullen we zo spoedig mogelijk verbeteren.
|
Artikel 7 : Kinesitherapie
|
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 |
7
INTERPRETATIEREGEL 1 (1) (in voege van 1.5.2002 t/m 13.7.2006)
vervangen door INTERPRETATIEREGEL 1 (2)
VRAAG :
In artikel 7, § 10, derde lid, en § 14, vijfde lid, van de nomenclatuur van de
geneeskundige verstrekkingen is bepaald : "onder nieuwe pathologische situatie
moet worden verstaan, een situatie die optreedt na het begin van de
kinesitherapeutische behandeling, tijdens hetzelfde kalenderjaar en die losstaat
van de oorspronkelijke pathologische situatie".
Hoe moet dit begrip van nieuwe pathologische situatie in de volgende situaties
worden geïnterpreteerd :
- artrose op verschillende lokalisaties, met of zonder opeenvolgende
opstoten;
- gelijktijdig bestaan van twee chronische pathologieën;
- algoneurodistrofie optredend tijdens het verloop van een traumatische
aandoening;
- ablatio van osteosynthesemateriaal in de maanden die volgen op een
bloedige orthopedische behandeling ?
ANTWOORD :
- In de eerste situatie moet de artrose als een enkele nosologische entiteit
worden beschouwd, dit wil zeggen dat de pijnlijke opstoten op een zelfde
plaats, ja, zelfs op een verschillende plaats niet als een nieuwe
pathologische situatie kunnen worden beschouwd.
- In het geval van het gelijktijdig bestaan van twee chronische pathologieën
kan de alternatie of de simultaneïteit van tenlasteneming van de ene of de
andere pathologie de machtiging voor bijkomende kinesitherapiezittingen niet
verantwoorden, daar de pathologische situatie op een bepaald moment als een
geheel moet worden beschouwd.
- In het geval van het secundair optreden van een gedocumenteerde
algoneurodistrofie, is het mogelijk om die ten opzichte van de oorspronkelijke
aandoening te beschouwen als een nieuwe pathologische situatie.
- In het geval van ablatio van osteosynthesemateriaal, kan dit worden
beschouwd als een element dat de adviserend geneesheer toelaat het bestaan van
een nieuwe pathologische situatie te erkennen.
INTERPRETATIEREGEL 1 (2) (in voege d.d. 14.7.2006)
VRAAG :
In artikel 7, § 10, derde lid, en § 14, vijfde lid, van de nomenclatuur van de
geneeskundige verstrekkingen is bepaald: "onder nieuwe pathologische situatie
moet worden verstaan, een situatie die optreedt na het begin van de
kinesitherapeutische behandeling, tijdens hetzelfde kalenderjaar en die losstaat
van de oorspronkelijke pathologische situatie".
Hoe moet dit begrip van nieuwe pathologische situatie in de volgende situaties
worden geïnterpreteerd :
- artrose op verschillende lokalisaties, met of zonder opeenvolgende
opstoten;
- gelijktijdig bestaan van twee chronische pathologieën;
- algoneurodystrofie optredend tijdens het verloop van een traumatische
aandoening;
- ablatio van osteosynthesemateriaal in de maanden die volgen op een
bloedige orthopedische behandeling ?
ANTWOORD :
- In de eerste situatie moet de artrose als een enkele nosologische entiteit
worden beschouwd, dit wil zeggen dat de pijnlijke opstoten op een zelfde
plaats, ja, zelfs op een verschillende plaats niet als een nieuwe
pathologische situatie kunnen worden beschouwd.
Evenwel kan uitzonderlijk een acute opstoot van een tot dan toe verschillende
lokalisatie worden beschouwd als een nieuwe pathologische situatie op grond
van een verslag waarin een duidelijke en recente verergering van de
functionele beperkingen wordt aangetoond. Dit verslag kan opgesteld worden
door de arts of de kinesitherapeut.
- In het geval van het gelijktijdig bestaan van twee chronische pathologieën
kan de alternatie of de simultaneïteit van tenlasteneming van de ene of de
andere pathologie de machtiging voor bijkomende kinesitherapiezittingen niet
verantwoorden, daar de pathologische situatie op een bepaald moment als een
geheel moet worden beschouwd.
- In het geval van het secundair optreden van een gedocumenteerde
algoneurodystrofie, is het mogelijk om die ten opzichte van de oorspronkelijke
aandoening te beschouwen als een nieuwe pathologische situatie.
- In het geval van ablatio van osteosynthesemateriaal, kan dit worden
beschouwd als een element dat de adviserend geneesheer toelaat het bestaan van
een nieuwe pathologische situatie te erkennen.
INTERPRETATIEREGEL 2 (in voege d.d. 1.5.2002)
VRAAG :
Welke bewijselementen moeten in het raam van de specificaties van artikel 7, § 14 (lijst F) van de nomenclatuur worden opgenomen in het dossier van de kinesitherapeut opdat kan worden uitgemaakt dat de verzekerde zich in een van de pathologische situaties bevindt van de lijst die gaat van a) tot h) in het laatste lid van die § 14 ?
ANTWOORD :
De kinesitherapeut moet beschikken over een voorschrift dat expliciet een van de pathologische situaties vermeldt die zijn opgenomen in de lijst van de situaties.
De medische diagnose blijft onder de volledige verantwoordelijkheid van de voorschrijvend geneesheer ressorteren.
Hetzelfde geldt voor de andere klinische en paraklinische gegevens die tot de medische bevoegdheid behoren, zoals het vaststellen van de referentiecode van de geneeskundige nomenclatuur en de resultaten van de paraklinische onderzoeken van het type medische beeldvorming, van de neurofysiologische onderzoeken of van andere onderzoeken.
Die gegevens moeten door de voorschrijver schriftelijk worden meegedeeld aan de kinesitherapeut en moeten in het kinesitherapeutisch dossier worden bewaard.
De kinesitherapeut moet ook beschikken over de elementen (betreft voor de functionele evaluatie) die expliciet beschreven worden in art. 7, § 14, laatste lid.
INTERPRETATIEREGEL 3 (in voege d.d. 1.5.2002)
VRAAG :
Is artikel 7, § 3bis , 1°, van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen van toepassing voor alle verstrekkingen van dat artikel 7 ?
ANTWOORD :
Artikel 7, § 3bis , 1°, van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen omschrijft de modaliteiten van de verstrekking « Kinesitherapeutisch onderzoek met schriftelijk verslag » die in bepaalde delen van artikel, § 1 van de nomenclatuur is vermeld. De bepalingen in artikel 7, § 3bis , 1° zijn enkel van toepassing in de situaties in § 1 waar die verstrekking is vermeld.
Er moet een onderscheid worden gemaakt met artikel 7, § 9 waarin ook sprake is van een kinesitherapeutisch onderzoek in het kader van het individueel kinesitherapiedossier. De bepalingen in § 9 gelden voor alle situaties.
INTERPRETATIEREGEL 4 (in voege d.d. 1.5.2002)
VRAAG :
Maken de specificaties van artikel 7, § 14 (lijst F), derde lid, van de nomenclatuur de adviserend geneesheer mogelijk toestemming te verlenen om een derde of volgende reeks van 60 verstrekkingen gedurende de resterende periode van het jaar te attesteren voor, in voorkomend geval, een derde of volgende en nieuwe pathologische situatie ?
ANTWOORD :
De tekst van artikel 7, § 14 (lijst F) sluit een derde of volgende reeks van 60 verstrekkingen tijdens hetzelfde jaar niet uit.
INTERPRETATIEREGEL 5 (in voege d.d. 1.5.2002 t/m 31.12.2002) (opgeheven)
VRAAG :
Hoe moeten de in artikel 7, § 10, van de nomenclatuur beschreven beperkingen worden toegepast ingeval op 1 mei 2002 een tweede pathologische situatie in behandeling is zonder dat aan de adviserend geneesheer de toestemming is gevraagd, vermits het vastgestelde maximum van 60 zittingen niet was bereikt ?
ANTWOORD :
De adviserend geneesheer kan toestemming verlenen om vanaf 1 mei 2002 18 zittingen te attesteren op grond van een aanvraag van de kinesitherapeut, die voldoet aan de in § 10 beschreven voorwaarden, en op voorwaarde dat vóór 1 mei 2002 minder dan 18 zittingen zijn verricht, voor de behandeling van de tweede pathologische situatie.
INTERPRETATIEREGEL 6 (in voege d.d. 1.5.2002)
VRAAG :
In het kader van art. 7, § 14, laatste lid, a) , b) en c), hoeveel tijd mag er liggen tussen respectievelijk de posttraumatische of postoperatieve aandoening (a ), het verlenen van de verstrekkingen 211046, 211142, 212225, 213021, 213043 en 214045 (art. 13, § 1) (b ) of het verblijf in een eenheid die erkend is voor de functie intensieve zorg (code 49) of in een dienst N voor vroeggeborenen en zwakke pasgeborenen (code 27) (c ) en de aanvang van de behandeling ?
ANTWOORD :
De drie betrokken pathologische situaties worden gedefinieerd door precieze verstrekkingen of verblijven in bepaalde eenheden of diensten.
De behandeling moet een rechtstreeks gevolg zijn van deze verstrekkingen of verblijven. De termijn tussen bovenvermelde verstrekkingen of verblijven en het begin van de behandeling moet beperkt blijven zodat de 60 grote zittingen met maximale terugbetaling verricht worden in de voortzetting van de betrokken verstrekkingen of verblijven.
INTERPRETATIEREGEL 7 (in voege d.d. 22.6.2002 t/m 31.12.2002) (opgeheven)
VRAAG :
Hoe moet de eerste zin van art. 7, § 14, laatste lid, a) « Posttraumatische of postoperatieve aandoening die langere kinesitherapie vereist. » begrepen worden ?
ANTWOORD :
Deze zin moet begrepen worden als een eenvoudige titel die de situaties die in de volgende zin beschreven staan inleidt.
|