VERBOND DER BELGISCHE BEROEPSVERENIGINGEN VAN ARTSEN-SPECIALISTEN

Login

Artikel 14 k: Orthopedie

Van kracht sinds 13.3.2002, tenzij anders bepaald.

INTERPRETATIEREGEL 1

VRAAG

Op welke basis dient de hierna beschreven ingreep te worden getarifeerd : interne parapatellaire arthrotomie : de meniscus is onbeschadigd en verscheidene calcificaties die diep in de intercondylaire ruimte vastzitten, worden weggenomen?

Bij een tweede externe verticale parapatellaire incisie worden nog verscheidene calcificaties en de meniscus externus waarvan de voorste hoorn gedegenereerd en verbeend is, weggenomen.

ANTWOORD

In de uitgevoerde ingreep is voorzien onder nr. 290113 - 290124 Zogenoemde totale synovectomie van de knie N 300.

Er moet worden onderstreept dat de verstrekking de hele heelkundige bewerking dekt : de meniscectomie mag niet worden bijgetarifeerd.

INTERPRETATIEREGEL 2

VRAAG

Wat moet worden aangerekend wanneer beentransplantaties worden verricht wegens pseudoarthrosis:

1. Het nemen van transplantaten, bijvoorbeeld ter hoogte van het heupbeen

2. de osteosynthese van het been

3. het gipsverband?

ANTWOORD

Wanneer een beentransplantatie wordt verricht wegens pseudoarthrosis, wordt het nemen van het beentransplantaat niet als zodanig vergoed : het maakt deel uit van de ingreep wegens pseudoarthrosis.

De osteosynthese mag worden vergoed en het gipsverband dat wordt aangelegd op het einde van de operatie, wordt overeenkomstig de bepalingen van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen gehonoreerd tegen 50 pct. van de daarvoor opgegeven waarde.

INTERPRETATIEREGEL 3

VRAAG

Meniscectomie en hechten van een scheur van de gekruiste gewrichtsband langs een transcondylaire laterale incisie.

ANTWOORD

Het gaat om een knie-arthrotomie die verscheidene ingrepen omvat. Bij toepassing van de bepalingen van artikel 15, § 3, van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen, mag alleen de verstrekking met de hoogste betrekkelijke waarde worden geattesteerd, in dit geval nr. 290076 - 290080 Exeresis van interne of externe meniscus van de knie N 250.

INTERPRETATIEREGEL 4 (idem art. 15 IR 14)

VRAAG

Wegnemen van epifysaire agrafen (twee aan de binnenzijde van de knie en twee aan de buitenzijde van de knie). De heelkundige verstrekking wordt getarifeerd onder nr. 280055 - 280066 Wegnemen van diepliggend syntheematerieel : schroeven, draden of agrafen (ongeacht het aantal) N 100.

Dient ermee rekening te worden gehouden dat er verscheidene lokalisaties van het synthesematerieel zijn?

ANTWOORD

Het honorarium voor een heelkundige bewerking die in de nomenclatuur onder een zelfde rubriek verscheidene operatietijden groepeert die nodig zijn voor de uitvoering ervan, mag eenmaal worden vergoed.

Het is met name het geval voor het plaatsen of het wegnemen van synthesematerieel waarbij rekening wordt gehouden met het geheel van het materieel en niet met het aantal lokalisaties.

In het voorgelegde geval mag verstrekking nr. 280055 - 280066 N 100 derhalve eenmaal worden vergoed. 

INTERPRETATIEREGEL 5

VRAAG

Aanbrengen van een uitwendige director bij een patiënt die lijdt aan een open breuk van de tibiadiafyse.

ANTWOORD

Die verstrekking moet worden geattesteerd onder nr. 290555 - 290566 Bloedige behandeling van fractuur van tibiadiafyse N 300.

INTERPRETATIEREGEL 6

VRAAG

Hoe moet:

- een tenolyse van een strekspier ter hoogte van het metacarpofalangeaal gewricht;

- een tenolyse van de musculus flexor carpi ulnaris ter hoogte van de pols worden getarifeerd?

ANTWOORD

De nrs. 287755 - 287766 Tenolysis van extensoren N 150 en 287733 - 287744 Tenolysis van flexoren N 225 zijn niet van toepassing op de tenolyse van een strek- of buigspier. Die omschrijvingen beogen de manipulatie van verscheidene strek- of buigspieren.

De tenolyse van een strek- of buigspier wordt beoogd door de algemene omschrijving die is opgenomen onder nr. 280571 - 280582 Tenolyse N 100. 

INTERPRETATIEREGEL 7

VRAAG

Resectie van de eerste rib en/of van een cervicale rib voor de behandeling van het syndroom van de ductus thoracicus,

  1. ofwel langs supraventriculaire weg;
  2. ofwel langs transaxillaire weg;
  3. ofwel langs achter.

ANTWOORD

In geval van resectie;

  • hetzij van de 1ste rib;
  • hetzij van de cervicale rib;
  • hetzij van beide,

dient verstrekking nr. 281131 - 281142 Resectie van een cervicale rib N 300, te worden geattesteerd, ongeacht de toegangsweg.

INTERPRETATIEREGEL 8

VRAAG

Verwijderen van een cerclage of van de pinnen van een patella.

ANTWOORD

Het verwijderen van een cerclage of van de pinnen van een patella moet worden geattesteerd onder nr. 280033 - 280044 Wegnemen van subcutaan synthesematerieel N 30.

INTERPRETATIEREGEL 9

VRAAG

Naar voren brengen van de patellapees volgens het procédé van Maquet, d.w.z. splijten met een beitel van het voorste gedeelte van het proximaal derde van het scheenbeen en handhaven van die vooruitgeschoven stand door een iliacale ent, geplaatst tussen de tuberositas tibiae en de rest van de scheenbeenmetafyse.

ANTWOORD

Het naar voor brengen van de patellapees volgens het procédé van Maquet, moet worden geattesteerd onder nr. 290916 - 290920 Osteotomie van tibiaplateau N 350.

INTERPRETATIEREGEL 10 (idem art. 11 IR 12)

VRAAG

In een geval van likdoorn boven een hygroma, verricht de geneesheer, nadat de likdoorn is weggenomen, de resectie van de slijmbeurs. Wat is de tarifering?

ANTWOORD

De resectie van een slijmbeurs moet worden getarifeerd 353231 - 353242 ° Wegnemen of uitroeien, door om het even welk procédé (heelkundige behandeling, elektrocoagulatie), van allerhande oppervlakkige tumors van huid, of slijmvliezen of van alle andere rechtstreeks bereikbare niet traumatische letsels, volledige behandeling K 40, met uitsluiting van de resectie van slijmbeurzen als dusdanig opgenomen in de nomenclatuur en die moeten dientengevolge worden geattesteerd op basis van hun eigen codenummer.

INTERPRETATIEREGEL 11 (idem art. 15 IR 9)

VRAAG

Heelkundige bewerking wegens syndactylie: scheiden van alle vingers die met elkaar vergroeid zijn.

ANTWOORD

Volgens de omschrijving zelf van de verstrekkingen nrs. 287895 - 287906 en 287910 - 287921, moet de herstelling van de tweede commissuur en van elke volgende tegen N 100 worden getarifeerd wanneer ze tijdens dezelfde operatiezitting worden verricht; de eerste wordt tegen N 200 getarifeerd.

De bepalingen van artikel 15, § 4, betreffende de opereerstreken moeten niet worden toegepast.

Dezelfde redenering geldt voor de verstrekkingen nrs. 287954 - 287965 en 287976 - 287980, 287991 - 288002 en 288013 - 288024. 

INTERPRETATIEREGEL 12

VRAAG

Hoe moet het wegnemen van diepliggende stiften worden getarifeerd?

ANTWOORD

Het wegnemen van diepliggend osteosynthesematerieel is in de nomenclatuur gerangschikt naar gelang van het type van het aangewende materieel.

Het wegnemen van stiften moet steeds worden geattesteerd onder het nummer 280033 - 280044 Wegnemen van subcutaan synthesematerieel N 30. 

INTERPRETATIEREGEL 13

VRAAG

Als na een hechting van een strekpees van een vinger een immobilisatie wordt verricht met behulp van een Kirschnerdraad, hoe moet die laatste verstrekking dan worden getarifeerd?

ANTWOORD

Voor de immobilisatie van een vinger met behulp van een Kirschnerdraad na een peeshechting, mag bij verstrekking 287556 - 287560 Heelkundige behandeling van subcutane ruptuur van een extensor van de vinger N 150 geen bijkomende tegemoetkoming worden toegestaan.

INTERPRETATIEREGEL 14

VRAAG

Welke tarifering moet worden toegepast voor de volledige behandeling van de ziekte van Dupuytren door aponeurectomie op een of twee radii, met een huidexcisie die een huident vergt?

ANTWOORD

Wanneer naar aanleiding van een gedeeltelijke aponeurectomie van de handpalm een huidoverplanting wordt verricht, moet het nummer 287350 - 287361 Gedeeltelijke aponeurectomie van de handpalm N 200 worden geattesteerd.

De totale aponeurectomie van de handpalm waarin is voorzien in de nummers 287372 - 287383 Totale aponeurectomie van handpalm N 325 en 287394 - 287405 Totale aponeurectomie van handpalm met huident N 375 beoogt een aponeurectomie die betrekking heeft op vier radii, d.w.z. de totale aponeurectomie van de handpalm zonder de duim.

Een aponeurectomie die betrekking heeft op minder dan vier radii, moet worden getarifeerd onder het nummer 287350 - 287361 Gedeeltelijke aponeurectomie van handpalm N 200, ongeacht of ze al dan niet met een huidoverplanting wordt verricht. 

INTERPRETATIEREGEL 15

VRAAG

Hoe moet de reconstructie van een ligament van het collateraal apparaat van een interfalangeaal (of van een metacarpofalangeaal) gewricht worden getarifeerd?

ANTWOORD

Indien het gaat om de reconstructie van een interfalangeaal ligament ten gevolge van een interfalangeale bandslapte, moet de verstrekking door gelijkstelling worden getarifeerd onder het nr. 286053 - 286064 Interfalangeale arthrotomie of capsulotomie van een vinger N 60.

INTERPRETATIEREGEL 16 (idem art. 15 IR 3)

VRAAG

Na een heelkundige bewerking wegens bimalleolusbreuk (290651 - 290662 N 250) rekent de heelkundige de verstrekkingen 280055 - 280066 N 100 + 280055 - 280066 N100/2 aan voor het wegnemen van het synthesematerieel door diepe ingreep.

Mag worden aangenomen dat het hier om twee opereerstreken gaat of moet worden beschouwd dat de bewerking in één operatiestreek is verricht, rekening ermee houdende dat, alhoewel er twee toegangswegen zijn, de heelkundige positie van de bimalleolaire fractuur slechts als één bewerking wordt getarifeerd?

ANTWOORD

Het wegnemen van het synthesematerieel dat is geplaatst tijdens de positie van een bimalleolusbreuk, mag eenmaal worden vergoed onder nr. 280055 - 280066 Wegnemen van diepliggend synthesematerieel : schroeven, draden, agrafen (ongeacht het aantal) N 100, hoewel er twee incisies zijn.

INTERPRETATIEREGEL 17 (idem art. 15 IR 12)

VRAAG

Orthopedische behandeling van verscheidene breuken waarvan de contentie geschiedt met een enkel gipsverband.

ANTWOORD

Indien iedere breuk een repositie vergt, wordt de hoofdrepositie gehonoreerd tegen 100 pct. en de volgende repositie of reposities tegen 50 pct. van de voor die verstrekkingen opgegeven waarden.

Indien de breuken geen repositie vergen of indien slechts één van de breuken een repositie vergt, mag alleen de ingreep met de hoogste betrekkelijke waarde worden geattesteerd. 

INTERPRETATIEREGEL 18(1)

VRAAG

Hoe moet in de volgende gevallen worden getarifeerd:

1) breuk van de onderarm met zeer uigesproken hoekstand : aangezien de patiënt niet nuchter is, maakt men met de onderarm een korte, droge beweging zodat een gepolsterd gipsverband kan worden aangelegd van de bovenarm tot de hand. 's Anderdaags blijkt die vorm van repositie ontoereikend en verricht men een repositie onder algemene anesthesie en T.V.-controle;

2) een patiënt heeft een splinterbreuk van de humeruscondylus. Daar de elleboog zeer gezwollen is, wordt een gepolsterd gipsverband aangelegd van de oksel tot de vingers zonder anesthesie om de verdere verschuiving en de wrijving van de fragmenten te voorkomen. Na vijf dagen wordt de osteosynthese verricht met aanleggen van een nieuw gipstoestel;

3) een patiënt is behandeld wegens een breuk van de pols door repositie onder narcose en immobilisatie door een gipsverband. Bij de controle, drie weken later, wordt een lichte secundaire verplaatsing radiaalwaarts vastgesteld. De breuk schijnt noch klinisch noch radiologisch geconsolideerd en er wordt een nieuw gipsverband aangelegd om de radiale afwijking tijdens het hard worden van het gips, te verminderen, maar die ingreep is niet uitgevoerd onder narcose.

ANTWOORD

1) Het aanleggen van een voorlopig gipsverband in afwachting van een latere repositie, moet worden geattesteerd onder de rubriek "Gipstoestellen". In het uiteengezette geval moet het voorlopig gipsverband worden geattesteerd onder nr. 297172 - 297183 ° Gipstoestel : van elleboog N 65. De repositie die 's anderdaags is verricht onder algemene anesthesie en T.V.-controle, moet worden geattesteerd onder nr. 296376 - 296380 Diafysaire fractuur van onderarm : twee beenderen N 250.

2) Het aanleggen van een voorlopig gipsverband in afwachting van een latere osteosynthese, moet worden getarifeerd onder de rubriek : "Gipstoestellen". In het beschreven geval moet de eerste verstrekking derhalve worden geattesteerd onder nr. 297194 - 297205 ° Gipstoestel : van arm N 65. De osteosynthese met aanleggen van een gipstoestel, verricht tijdens de tweede bewerking, moet worden geattesteerd onder nr. 283894 - 283905 Bloedige behandeling van fractuur van humeruspalet N 350, plus 297194 - 297205 ° Gipstoestel : van arm N65/2.

3) Als na een orthopedische behandeling van een breuk met repositie, in de loop van de behandeling een nieuw gipsverband wordt aangelegd, moet dat worden aangezien als het aanleggen van een gipstoestel, zelfs indien bij die gelegenheid een ascorrectie wordt aangebracht.

In het beschreven geval moet de eerste ingreep worden geattesteerd onder nr. 296391 - 296402 Fractuur van het distale uiteinde van één of van beide beenderen van de onderarm N 150.

De latere ingreep moet worden geattesteerd onder nr. 297135 - 297146 ° Gipstoestellen : van pols en/of hand N 40.

INTERPRETATIEREGEL 18(2) (vervangen vanaf 1 januari 2014)

VRAAG

Hoe moet in de volgende gevallen worden getarifeerd :
1) breuk van de onderarm met zeer uitgesproken hoekstand : aangezien de patiënt niet nuchter is, maakt men met de onderarm een korte, droge beweging zodat een gepolsterd gipsverband kan worden aangelegd van de bovenarm tot de hand. 's Anderdaags blijkt die vorm van repositie ontoereikend en verricht men een repositie onder algemene anesthesie en T.V.-controle;
2) een patiënt heeft een splinterbreuk van de humeruscondylus. Daar de elleboog zeer gezwollen is, wordt een gepolsterd gipsverband aangelegd van de oksel tot de vingers zonder anesthesie om de verdere verschuiving en de wrijving van de fragmenten te voorkomen. Na vijf dagen wordt de osteosynthese verricht met aanleggen van een nieuw gipstoestel;
3) een patiënt is behandeld wegens een breuk van de pols door repositie onder narcose en immobilisatie door een gipsverband. Bij de controle, drie weken later, wordt een lichte secundaire verplaatsing radiaalwaarts vastgesteld. De breuk schijnt noch klinisch noch radiologisch geconsolideerd en er wordt een nieuw gipsverband aangelegd om de radiale afwijking tijdens het hard worden van het gips, te verminderen, maar die ingreep is niet uitgevoerd onder narcose.
4) een niet-verplaatste fractuur wordt met een gipsverband behandeld en er wordt dus een behandeling van fractuur zonder repositie aangerekend.
Ondanks deze immobilisatie verplaatst de fractuur zich toch in de loop van de eerste weken na het trauma. Om een osteosynthese te vermijden (vooral bij kinderen) wordt geopteerd voor een reductie onder algemene narcose. Kan in dit geval een behandeling van fractuur met repositie geattesteerd worden ?

ANTWOORD

1) Het aanleggen van een voorlopig gipsverband in afwachting van een latere repositie, moet worden geattesteerd onder de rubriek "Gipstoestellen". In het uiteengezette geval moet het voorlopig gipsverband worden geattesteerd onder nr. 297172 - 297183 ° Gipstoestel : van elleboog N 65.
De repositie die 's anderdaags is verricht onder algemene anesthesie en T.V.-controle, moet worden geattesteerd onder nr. 296376 - 296380 Diafysaire fractuur van onderarm : twee beenderen N 250.
2) Het aanleggen van een voorlopig gipsverband in afwachting van een latere osteosynthese, moet worden getarifeerd onder de rubriek : "Gipstoestellen". In het beschreven geval moet de eerste verstrekking derhalve worden geattesteerd onder nr. 297194 - 297205 ° Gipstoestel : van arm N 65.
De osteosynthese met aanleggen van een gipstoestel, verricht tijdens de tweede bewerking, moet worden geattesteerd onder nr. 283894 - 283905 Bloedige behandeling van fractuur van humeruspalet N 350, plus 297194 - 297205 ° Gipstoestel : van arm N65/2.
3) Als na een orthopedische behandeling van een breuk met repositie, in de loop van de behandeling een nieuw gipsverband wordt aangelegd, moet dat worden aangezien als het aanleggen van een gipstoestel, zelfs indien bij die gelegenheid een ascorrectie wordt aangebracht.
In het beschreven geval moet de eerste ingreep worden geattesteerd onder nr. 296391 - 296402 Fractuur van het distale uiteinde van één of van beide beenderen van de onderarm N 150.
De latere ingreep moet worden geattesteerd onder nr. 297135 - 297146 Gipstoestellen : van pols en/of hand N 40.
4) bij laattijdige verplaatsing van een fractuur, wanneer gekozen wordt voor een gesloten reductie onder narcose in plaats van voor een osteosynthese, kan toch een behandeling van fractuur met repositie worden aangerekend ondanks de toepassingsregel : bij de behandelingen van een zelfde fractuur mogen de omschrijvingen "Behandelingen van fracturen zonder repositie" en "Behandelingen van fracturen met repositie" niet na elkaar worden aangerekend.

INTERPRETATIEREGEL 19

VRAAG

Hoe moet een behandeling van een breuk met continue tractie worden getarifeerd?

ANTWOORD

Als de enige definitieve behandeling de behandeling met continue tractie is, moet de ingreep worden getarifeerd als een behandeling van een fractuur met repositie; de tractie is dan immers gekozen als repositiemiddel.

Als het aanleggen van een tractie een voorlopig middel is met het oog op een latere repositie door welk procédé ook, moet die tractie worden geattesteerd onder het nummer 145250 - 145261 Dringend voorlopig aanleggen van een contentietoestel in geval van fracturen of luxaties (mag slechts eenmaal per geval worden aangerekend) K 12 of, als het gaat om een tractie doorheen de beenderen, onder het nummer 280114 - 280125 Vervangen van stiften of schroeven doorheen de beenderen tijdens een continue tractie N 30.

De voormelde tarifering wordt evenwel niet toegepast als het gaat om een continue tractie met stift met het oog op een orthopedische heelkundige correctie van een fractuur van een onderste lidmaat, die wordt beoogd door de verstrekking 294792 - 294803 Bijkomend honorarium voor continue tractie met het oog op een orthopedische heelkundige correctie van fracturen van de onderste ledematen, verricht naar aanleiding van de verstrekkingen nrs. 288853 - 288864, 288875 - 288886, 289273 - 289284 t.e.m. 289391 - 289402, 290474 - 290485, 290496 - 290500, 290533 - 290544, 290555 - 290566 en 290570 - 290581, N 90. 

INTERPRETATIEREGEL 20 (van kracht sinds 24.6.2003)

VRAAG

Onder welk codenummer moet een infiltratie van het handwortelkanaal worden geattesteerd?

ANTWOORD

De infiltratie van het handwortelkanaal is niet voorzien in de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen en mag niet worden geattesteerd. Ze maakt niet het voorwerp uit van een verzekeringstegemoetkoming.

INTERPRETATIEREGEL 21 (van kracht sinds 24.6.2003)

VRAAG

Hoe moet het aanleggen van gipsen aan beide onderste ledematen tijdens een zelfde raadpleging worden getarifeerd (bv. 299176 - 299180 °Gipslaars of toestel van Delbet N 65)?

ANTWOORD

De verstrekking 299176 - 299180 ° Gipslaars of toestel van Delbet N 65 is gerangschikt onder rubriek "I. Heelkundige verstrekkingen" van artikel 14 k) van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen. Dientengevolge moet de regel van de opereerstreken van artikel 15, § 4 van de nomenclatuur worden toegepast.

In het voorgelegde voorbeeld moet er dus als volgt worden geattesteerd : 299176 - 299180 ° N 65 plus 299176 - 299180 ° N65/2.

INTERPRETATIEREGEL 22 (in voege d.d. 01.01.2014)

VRAAG

Valt de vernieuwing van een gipsverband in het kader van de behandeling van een klompvoet met de Ponseti-methode onder de algemene bepaling die stelt dat de vernieuwing van een gipsverband in de loop van de behandeling van een fractuur of luxatie enkel twee keer mag worden aangerekend in de termijn van 6 weken, vanaf de datum van de initiële behandeling, volgens de omschrijvingen die voorkomen onder de titel "Gipstoestellen" ?

ANTWOORD

Die algemene bepaling heeft alleen betrekking op de fracturen en luxaties van traumatologische oorsprong. De beperking tot maximaal twee aanrekeningen heeft dus geen betrekking op de vernieuwing van een gipsverband in het kader van de behandeling van een klompvoet met de methode van Ponseti.