|
VII.1 Pediatrie
Het ontwerp van zorgprogramma pediatrie stond het ganse jaar in het
brandpunt van de belangstelling. Ondanks bezoeken aan het kabinet van
DEMOTTE, ondanks tal van brieven, afwijzing van het ontwerp door zowat
iedereen, inclusief een unaniem negatief advies van de Nationale Raad
voor Ziekenhuisvoorzieningen, gaat het kabinet door en heeft zelfs de
criteria nog verscherpt. Het meest recente ontwerp vereist vier
pediaters om als dienst pediatrie te kunnen worden erkend. Dit zou in
Vlaanderen de sluiting van meer dan de helft van de diensten betekenen.
Bovendien zijn chirurgen en anesthesisten van oordeel dat ze
onrechtmatig uitgesloten worden uit de pediatrische zorgverlening. Ook
de neuropediaters worden nergens in het ontwerp vernoemd.
VII.2 Klinische paden
Het VBS nam deel aan de voorbereiding en de uitvoering van een e-mail
enquête over klinische paden, opgezet door Prof. Walter SERMEUS van het
Leuvense Centrum voor Ziekenhuis- en Verplegingswetenschappen. De
reacties van de specialisten waren veeleer lauw.
VII.3. Oncologie
In verband met de oncologie werden de collegae er op attent gemaakt
dat de overgangsbepalingen van het ministerieel besluit van 11.03.2003
(B.S.26.03.2003), om zonder nieuwe opleiding de bijkomende bijzondere
beroepstitel “en in de oncologie” te kunnen verwerven, ten einde liepen
op 04.04.2005.
Er werd niet ingegaan op het voorstel van de internisten en de
radiotherapeuten om de termen “en in de medische oncologie” als
bijkomende bijzondere beroepstitel in artikel 2 van het K.B. van
25.11.1991 te laten schrappen, de termen “en in de oncologie” in dit
artikel 2 te bewaren voor de niet interne disciplines maar in ruil de
termen “specialist in de medische oncologie” als een basisspecialisme op
te nemen in het artikel 1 van dit K.B.. Deze houding werd verdedigd door
de VBS-vertegenwoordigers in de vergadering van de Hoge Raad voor
geneesheren-specialisten en huisartsen van 15.06.2005.
VII.4 Nosocomiale infecties
Lang voor de VRT een op sensatie gerichte reportage over
ziekenhuisinfecties uitbracht stond het probleem van de nosocomiale
infecties op de dagorde van het uitvoerend comité van het VBS. Het
wetsvoorstel van Yvan MAYEUR en consorten, allen PS, van 20.01.2005 was
hiervoor de directe aanleiding. Prof. Francis HELLER, VBS
adjunct-secretaris-generaal, coördineerde de werkzaamheden en schreef
een rapport t.a.v. de politieke wereld. Het MRSA symposium van
28.05.2005, georganiseerd door de GOSPIZ en de campagne “U bent in goede
handen – Vous êtes en de bonnes mains” werd aangekondigd en nadien
besproken, inclusief de communautaire aspecten van de tweetalige
affiches die de FOD Volksgezondheid over de handhygiëne in alle gewesten
van het land had laten ophangen en die een groot succes waren.
VII.5. Erkenning huisartsen
3.5. Het ontwerp van Ministerieel Besluit tot vaststelling van de
criteria voor de erkenning van huisartsen werd geanalyseerd en een
schriftelijk commentaar werd aan Dr. Jean-Paul DERCQ bezorgd ter
voorbereiding van de vergadering van de Hoge Raad van
geneesheren-specialisten en huisartsen van 15.06.2005. Een aantal
principiële punten werden naar voor geschoven in verband met het
zelfstandig uitoefenen van het vrij en intellectueel artsenberoep.
VII.6 “Sterke stijgers” bij het RIZIV
Door de onafhankelijke ziekenfondsen werd ons informatie gevraagd om
al dan niet medisch verantwoorde verklaringen te vinden voor sommige
“sterke stijgers” in de RIZIV uitgaven. Zo ontdekte Prof. Heller
ondermeer dat de explosieve toename van het gebruik van Jood 125
verklaarbaar was door de explosieve toename van de brachytherapie bij de
behandeling van prostaatkanker.
VII.7. Urgentisten en acutisten
3.7. Sinds de passage van Marcel COLLA op het ministerie van
Volksgezondheid (1995–1999) en de erkenning van de geneesheer-specialist
in de urgentiegeneeskunde, heeft de organisatie van de spoedgevallenzorg
in België zeer veel problemen gekend. Het creëren van het specialisme
acute geneeskunde met een opleiding van slechts drie jaar heeft
vermoedelijk de problemen alleen maar verergerd. Meerdere artsen met een
brevet acute geneeskunde, grotendeels huisartsen of pseudo-huisartsen,
hebben hun spoedgevallendiensten verlaten en zijn gestart met de
opleiding “acute geneeskunde” aan de universitaire centra. Het gevolg is
dat het sinds de publicatie van dit ministerieel besluit nog moeilijker
is geworden om urgentieartsen te rekruteren. Het nieuwe M.B zal 4
soorten “urgentisten” doen ontstaan:
* de basis specialist in de urgentiegeneeskunde (artikel 1 van het K.B.
25.11.1991)
* de basis specialist in de acute geneeskunde (artikel 1 van het K.B.
25.11.1991)
* de geneesheren-specialisten (afkomstig uit 13 mogelijke basis
specialismen) met een bijzondere bekwaming in de urgentiegeneeskunde (artikel
2 van het K.B. 25.11.1991)
* de huisarts met een brevet acute geneeskunde.
De Hoge Raad voor geneesheer-specialisten en huisartsen had gepleit
voor de afschaffing van het brevet acute geneeskunde. Desalniettemin
wordt het brevet behouden en zal het alleen nog kunnen worden behaald
door huisartsen. Onbegrijpelijk want diezelfde Overheid kondigt aan dat
er een dreigend tekort is aan huisartsen.
Gezien de hoogdringendheid besliste het Uitvoerend Comité op 02.05.2005
om een verzoekschrift tot nietigverklaring tegen dit K.B. in te dienen.
Deze beslissing werd unaniem bekrachtigd door het bestuurscomité van
07.07.2005.
VII.8. Bariatrische heelkunde
De werkgroep chirurgie van de Technische geneeskundige raad (TGR) had
begin december 2004 een voorstel uitgewerkt in verband met de
terugbetaling van de bariatrische heelkunde dat op uitdrukkelijk verzoek
van de mutualiteiten erg beperkend was tot de morbide obesitas met een
BMI > 40. In de begroting 2005 was hiervoor een bedrag ingeschreven van
1 miljoen euro. De plenaire TGR keurde het voorstel op 18.01.2005 goed
wat veel protest vanuit de chirurgische wereld tot gevolg had. Des te
meer omdat ondertussen bijkomende literatuur ter beschikking was gekomen
,. Bovendien waren de chirurgen niet akkoord dat de therapeutische
eindverantwoordelijkheid niet meer bij hen zou liggen en verwierpen zij
de leeftijdsgrens van 60 jaar, waarboven de ingreep niet voor
terugbetaling in aanmerking zou komen. Het ontwerp van Koninklijk
besluit bleef hangen in het RIZIV Verzekeringscomité en wordt nog steeds
in beraad gehouden.
VII.9. De revalidatiesector
Ondanks onze aanhoudende protesten en brieven legde de minister heel
wat besparingen op in de revalidatiesector. Vooral de cardiologie, de
pneumologie en de psychiatrie kregen harde klappen. DEMOTTE gaat met de
botte bijl door de CPAP revalidatie en bespaart er € 7,5 miljoen op een
totaal van € 22,5 miljoen. De cardiologische revalidatie moet een
besparing van € 1.8 miljoen ophoesten op een totaal van +/- € 7,5
miljoen.
De contracten over de chronische ademhalingsondersteuning thuis
tussen het RIZIV en de CPAP centra, beheerd door het College van
geneesheren-directeurs van het RIZIV, werden overruled door de Wet.
Allicht zonder dat één parlementarier er weet van had, werd voor het
jaar 2006 het forfaitair bedrag vastgesteld op € 2,73 i.p.v. € 3,58. Bij
K.B. wordt er tevens een remgeld ingesteld van € 0,25 voor niet
voorkeurgerechtigden.
De christelijke mutualiteiten voerden een heilige oorlog tegen het
gebruik van de K15 en K20 revalidatieverstrekking door de cardiologen -
revalidatieartsen in de centra voor cardiale revalidatie. Sinds
01.11.2004 weigert de CM deze prestaties in Vlaanderen terug te betalen,
terwijl alle andere mutualiteiten onze visie delen en deze prestaties
wel degelijk terugbetalen. Het is pas op 23.01.2006 dat dit probleem
uiteindelijk werd beslecht met een “deal”. Een interpretatieregel stelt
dat in de toekomst deze verstrekking niet meer mag worden aangerekend,
maar dat voor het verleden de CM wel degelijk deze prestaties moet
terugbetalen.
De nieuwe interpretatieregels 13 en 14 betreffende de verstrekkingen van
de artikelen 22 en 23 (fysiotherapie) van de nomenclatuur der
geneeskundige verstrekkingen gaven aanleiding tot heel wat debatten en
de Belgische Reumatologen Vereniging diende op 18.03.2005 een vordering
tot schorsing van deze interpretatieregel in.
VII.10 Artsen-specialisten in opleiding
Sinds de academisering van de opleiding en de invoering van de
numerus clausus via de Planningscommissie medisch aanbod, miskennen
sommige universiteiten de rechten van de assistenten die een opleiding
aanvatten of die al in opleiding zijn, of maken ze misbruik van hun
machtspositie. Stageplannen worden om de haverklap aangepast volgens de
behoeften van sommige universitaire diensten en er loopt ondermeer een
klacht van een assistent wiens positieve beoordeling door een perifere
stageleider negatief werd aangepast door een universitaire stagemeester
zodat hij een extra jaar moet doen.
In de context van de verdediging van dit laatste dossier heeft het VBS
bij de FOD Volksgezondheid bij herhaling gepleit voor de aanpassing van
de reglementering waarbij de opleiding gedurende tenminste één derde van
de specialisatieduur verplicht zou plaatsvinden in een niet universitair
ziekenhuis. De academische overheid verzet zich met man en macht tegen
dit voorstel.
VII.11. Echelonnering.
Het woord echelonnering lijkt ietwat voorbijgestreefd als term, maar
in de feiten blijft de veldslag voortduren. Het OESO stelt tenminste
duidelijk waar het om gaat, . In zijn tweejaarlijks rapport beveelt de
denktank van de industrielanden aan om de patiënt geen terugbetaling van
specialistische geneeskunde toe te staan indien de patiënt niet eerst
langs zijn huisarts langsging. Daarmee haalde Dr. Jan DE MAESENEER,
professor huisartsgeneeskunde aan de Universiteit Gent en inmiddels ook
lid van de raad van bestuur van het federaal Kenniscentrum, al eens
krantenkoppen.
In juni 2005 stelde hij aan het Kenniscentrum een studieprogramma
voor onder de onschuldige benaming: “Methoden om de instroom -
doorstroom – terugstroom in de Belgische gezondheidszorg te verbeteren”
. Bij de aanvraag wordt o.m. verwezen naar een Nederlandse studie die
dan weer gebaseerd is op gegevens van de goeroe van de
huisartsgeneeskunde, Barbara STARFIELD. Deze zeer controversiële
Amerikaanse professor pediatrie aan de wereldberoemde John Hopkins
universiteit, is nooit sant in eigen land geweest en haar
wetenschappelijke ideeën werden en worden door zeer velen als politieke
ideologie versleten. Het kringetje van de “believers” is eng, maar door
continu naar elkaar te verwijzen wordt toch een mooie “citation index”
bekomen. Onze adjunct secretaris-generaal, Prof. Francis HELLER heeft
een duidelijke en zeer relativerende analyse gemaakt ter introductie van
de studie. Het voorstel tot studie werd ondertussen weerhouden en zal
gefinancierd worden door het Kenniscentrum. We hebben de analyse van
Prof. HELLER aan het Kenniscentrum bezorgd.
Het lezen van STARFIELD’s teksten, tabellen en statistieken brengt
mij twee citaten in herinnering: “Er bestaan drie soorten leugens: halve
waarheden, grove leugens en statistieken” en “Statistieken hebben
bovendien de eigenschap dat ze zich bijzonder goed lenen om onwaarheden
op ‘wetenschappelijke wijze als een waarheid te verkopen’.”
De boodschap van Prof. STARFIELD, de “apostel van de eerste lijn”,
wordt ook in België graag uitgedragen. Nochtans kunnen uit de miljoenen
gegevens van de OESO rapporten en uit een beetje surfen naar de
Nederlandse NIVEL site ook andere conclusies worden getrokken. Onder vb.
“Cure in internationaal perspectief” staat in tabel 185 als gemiddelde
levensexpectantie voor België 77.7 jaar, voor Frankrijk 79.0, voor
Duitsland 77.7, voor Nederland 78.0 en het Verenigd Koninkrijk 77.8 jaar.
Frankrijk heeft dus de beste levensexpectantie van de vijf in dit
artikel vergeleken landen, terwijl Prof. STARFIELD schrijft dat het een
lage levensverwachting heeft door een slecht georganiseerde eerste lijn.
Deze gunstige cijfers werden ook door de Franse Overheid officieel
meegedeeld.
Met statistiek kan STARFIELD misschien ook berekenen dat, als je het
aantal “eerstelijnsartsen” (in de USA zijn dat de algemene internisten
en de algemene pediaters, plus enkele zeldzame huisartsen) met
vierhonderd percent doet stijgen, een bevolking onsterfelijk wordt.
Volgens haar doet een stijging met 20 % van eerstelijnsartsen de
mortaliteit immers met 5 % zakken.
Alle gekheid op een stokje. Als STARFIELD gelijk heeft, waarom wordt
deze goeroe dan in eigen land absoluut niet gevolgd ? Ondermeer door de
“for profit” Health Maintenance Organizations in het sterk
gecommercialiseerde Amerikaanse gezondheidscircuit?
PDF-versie 
Wetsvoorstel
tot uitvaardiging van veiligheids- en gezondheidsnormen voor de
verzorgingsinstellingen en tot instelling van een vergoedingsregeling voor
patiënten die het slachtoffer zijn van ziekenhuisinfecties. DOC 51 1565/001;
20.01.2005.
|