| Vanaf 1 juli 2006 kunnen door de ziekenhuizen voor beschermde
patiëntencategorieën opgenomen in tweepatiëntenkamers, met inbegrip van
dagziekenhuis, geen kamersupplementen meer aangerekend worden. |
14 JUNI 2006. - Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 90 van
de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987 (B.S. d.d.
28.6.2006)
Artikel 1. Ten aanzien van de hiernavolgende categorieën van
patiënten mogen er geen supplementen worden aangerekend als gevolg van
het verblijf in een tweepatiëntenkamer, met inbegrip van de
daghospitalisatie :
1° de rechthebbenden op de verhoogde tegemoetkoming, bedoeld in
artikel 37, §§ 1 en 19, 1°, 2°, 3° en 6°, van de wet van 14 juli 1994
betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en
uitkeringen, alsmede de gerechtigden, bedoeld in artikel 32, eerste lid,
13° en 15°, van voornoemde wet, die de verhoogde tegemoetkoming
genieten, voorzover ze niet opgenomen zijn in het 2° van dit artikel;
2° de rechthebbenden aan wie één van de in de wet van 27 februari
1987 betreffende de tegemoetkomingen voor gehandicapten bedoelde
tegemoetkomingen wordt toegekend, met uitzondering van de rechthebbenden
op een integratietegemoetkoming, behorend tot de categorieën 3 en 4,
bedoeld in artikel 6, § 4, eerste lid, 3° en 4°, van hogervermelde wet
van 27 februari 1987, waarvoor daadwerkelijk de aftrek, bedoeld in
artikel 8, § 1, van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende
de inkomensvervangende en de integratietegemoetkoming, werd toegepast;
3° de rechthebenden op de verhoogde tegemoetkoming, bedoeld in het
artikel 32, § 1, 1° tot 5° en 7°, van het koninklijk besluit van 29
december 1997 houdende de voorwaarden waaronder de toepassing van de wet
betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en
uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, tot de zelfstandigen en de
leden van de kloostergemeenschappen wordt verruimd, en de
rechthebbenden, bedoeld in het artikel 32, § 1, 6°, van het
vorenbedoelde koninklijk besluit van 29 december 1997, voorzover zij de
verhoogde tegemoetkoming genieten, toegekend op grond van artikel 37, §
19, 1° tot 3°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor
geneeskundige verzorging en utkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994;
4° de rechthebbenden op de verhoogde kinderbijslag overeenkomstig
artikel 47, § 1, van de gecoördineerde wetten betreffende de
kinderbijslag voor loonarbeiders of overeenkomstig artikel 20 van het
koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regering van de
gezinsbijslagen ten voordele van de zelfstandigen en van de personen die
te hunnen laste zijn;
5° de rechthebbenden bedoeld in het artikel 3 van het koninklijk
besluit van 2 juni 1998 tot vaststelling van de tegemoetkoming van de
verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging voor het
incontinentiemateriaal, bedoeld in artikel 34, 14°, van de wet
betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en
uitkeringen, gecoörineerd op 14 juli 1994;
6° de rechthebbenden opgenomen in een Sp-dienst palliatieve zorg,
alsmede de rechthebbenden bedoeld in het artikel 7octies van het
koninklijk besluit van 23 maart 1982 tot vaststelling van het
persoonlijk aandeel van de rechthebbenden of van de tegemoetkoming van
de verzekering voor geneeskundige verzorging in het honorarium voor
bepaalde verstrekkingen;
7° de rechthebbenden bedoeld in artikel 37, § 16bis, van de wet
betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en
uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.
Aan de voorwaarden bedoeld in het eerste lid dient te worden voldaan
het jaar waarin de opname plaatsvindt of het jaar vóór de opname.
Art. 2. Dit besluit treedt in werking op 1 juli 2006.
PDF-versie 
|