|
Minister R. DEMOTTE, Minister van Volksgezondheid en Sociale Zaken,
wenst voor het einde van de huidige legislatuur en met de
gemeenteraadsverkiezingen in het zicht, een van zijn verkiezingsbeloften
in te lossen aan de huisartsen door een “softe” echelonnering in te
voeren in het Belgische gezondheidssysteem.
Op 22 mei 2006 werd het Verzekeringscomité van het RIZIV uitgenodigd
om een advies te geven omtrent het ontwerp van KB tot uitvoering van
artikel 36 GVU-wet, wat betreft het aandeel van de rechthebbende die een
geneesheer-specialist raadplegen nadat ze verwezen zijn door een
algemeen geneeskundige. Het Verzekeringscomité bracht een verdeeld
advies uit omtrent het voorgelegde ontwerp. Ondermeer de BVAS en de
onafhankelijke ziekenfondsen hebben het voorstel verworpen.
Het ontwerp van KB voorziet dat de patiënt die zich tot de
geneesheer-specialist wendt op verwijzing van de algemeen geneeskundige,
houder van zijn globaal medisch dossier, recht heeft op een vermindering
van het remgeld van de consultatie van de specialist van respectievelijk
2 € of 5 € al naargelang het een rechthebbende met of zonder
voorkeurregeling betreft. Deze vermindering van het remgeld is echter
slechts van toepassing voor de nominatief in het ontwerp van KB
opgenomen specialismen. Deze verwijzing met remgeld- vermindering is
bovendien maar éénmaal per kalenderjaar per specialisme mogelijk. De
algemeen geneeskundige geeft daartoe aan de patiënt een verwijsbrief.
Het getuigschrift van de consultatie van de geneesheer-specialist waarop
de remgeldvermindering is verschuldigd moet samen met het
verwijsdocument voor de terugbetaling worden aangeboden aan de
mutualiteit.
Artikel 36 G.V.U-wet bepaalt dat de Koning, bij in Ministerraad
overlegd besluit, de regels kan bepalen volgends dewelke de verzekering
voor geneeskundige verzorging, met het oog op de “doeltreffende
organisatie” van de verzekering, de samenwerking bevordert tussen de
algemeen geneeskundigen en specialisten. Stellen dat een patiënt een
algemeen geneeskundige moet raadplegen als hij specialistische zorgen
nodig heeft is noch doeltreffend voor de patiënt (zorgvertraging), noch
doeltreffend voor de verzekering (meerkost). De samenwerking tussen de
algemeen geneeskundige en de geneesheer specialist wordt in het ontwerp
bovendien gekarikaturiseerd door het éénmalig karakter van de maatregel,
alsof het samenwerken maar eenmaal per jaar hoeft te gebeuren.
Samenwerking impliceert enerzijds verwijzing door een behandelende
algemeen geneeskundige naar een geneesheer-specialist en anderzijds
verwijzing door de behandelende specialist naar de algemeen
geneeskundige. Een fundamentele tekortkoming van het ontwerp-KB is dat
het begrip "samenwerking" uitsluitend eenzijdig wordt geïmplementeerd en
dan nog is herleid tot zijn meest minimalistische uitdrukking. De
maatregel komt in feite neer op een remgeldverhoging als de behoefte aan
specialistische tussenkomst een duurzaam karakter heeft. Bovendien
discrimineert de maatregel de patiënten naargelang de aard van de
specialistische zorgbehoefte.
Het ontwerp-KB kan in praktijk onmogelijk de samenwerking tussen de
huisartsen en geneesheren specialisten bevorderen. De “samenwerking”
wordt herleid tot een verwijsbriefje waarop een specialisme wordt
aangekruist maar verstrekt aan de geneesheer-specialist geen enkele
inlichting omtrent de medische achtergrond van de patiënt. Hij blijft
volledig in het ongewisse van de reeds uitgevoerde technische
verstrekkingen, de resultaten van reeds uitgevoerde analyse en van de
reeds door de behandelende huisarts opgestarte behandelingen.
De maatregel discrimineert geneesheren-specialisten onderling wat hun
zorgtoegankelijkheid voor de patiënt betreft. Deze discriminatie is
disproportioneel ten opzichte van de wettelijke bepaling waarop de
maatregel berust. Artikel 36 van de G.V.U.-wet beoogt immers het
bevorderen van de samenwerking tussen de algemeen geneeskundigen en de
geneesheren-specialisten.
De uitgewerkte regeling is onherroepelijk en totaal te verwerpen want
ze houdt geen enkele kwaliteitsverbetering in van de verstrekte
geneeskundige zorgen. Ze zal ongetwijfeld aanleiding geven tot een berg
bijkomende administratieve verplichtingen die ingevolge hun complexiteit
aan de bron zullen liggen van tal van fouten. Deze nieuwe reglementering
houdt geen enkele financiële of intellectuele opwaardering van de
huisarts of de specialist in.
Het door de Minister becijferde budget ter financiering van deze
nieuwe maatregel is niet gesteund op wetenschappelijk onderbouwde
criteria maar werd door de Minister naar zijn hand gezet om de budgetten
te doen “kloppen”. De verhoogde uitgaven voor de terugbetaling van de
remgelden worden door de Minister geneutraliseerd door een compenserende
vermindering van uitgaven voor “overbodige” technische verstrekking
voorgeschreven en uitgevoerd door de geneesheren-specialisten.
De hamvraag blijft echter wie het gelag zal betalen indien bij de
eerstvolgende begrotingscontrole blijkt dat de Minister zich vergist
heeft in de becijfering van zijn budget. Waar zullen de financiële
middelen gehaald worden om eventuele budgettaire tekorten aan te
zuiveren? Wie zal opnieuw met de vinger gewezen worden? Het Belgische
zorgsysteem heeft geen nood aan een dergelijke reglementering die geen
enkele kwaliteitsverbetering inhoudt noch voor de patiënt noch voor de
geneesheren. Deze softe echelonnering betekent een eerste stap in een
verdere trapsgewijze ontwikkeling van ons gezondheidssysteem waarbij de
vrije keuze van zorgverstrekker door de patiënt in het gedrang komt.
PDF-versie 
|