Home | VBS | Verenigingen | De Gids | Accreditering | Tarieven | Wetgeving | Partners | Publicaties | Hulp  
De Geneesheer-Specialist
Orgaan van het Verbond der Belgische Beroepsvereniging van Geneesheren Specialisten
Nr 4 - Juli 2006 Vorige Inhoud Volgende
 


De softe echelonnering of de huisarts herleid tot schrijvelaar van verwijsbriefjes

 

Minister R. DEMOTTE, Minister van Volksgezondheid en Sociale Zaken, wenst voor het einde van de huidige legislatuur en met de gemeenteraadsverkiezingen in het zicht, een van zijn verkiezingsbeloften in te lossen aan de huisartsen door een “softe” echelonnering in te voeren in het Belgische gezondheidssysteem.

Op 22 mei 2006 werd het Verzekeringscomité van het RIZIV uitgenodigd om een advies te geven omtrent het ontwerp van KB tot uitvoering van artikel 36 GVU-wet, wat betreft het aandeel van de rechthebbende die een geneesheer-specialist raadplegen nadat ze verwezen zijn door een algemeen geneeskundige. Het Verzekeringscomité bracht een verdeeld advies uit omtrent het voorgelegde ontwerp. Ondermeer de BVAS en de onafhankelijke ziekenfondsen hebben het voorstel verworpen.

Het ontwerp van KB voorziet dat de patiënt die zich tot de geneesheer-specialist wendt op verwijzing van de algemeen geneeskundige, houder van zijn globaal medisch dossier, recht heeft op een vermindering van het remgeld van de consultatie van de specialist van respectievelijk 2 € of 5 € al naargelang het een rechthebbende met of zonder voorkeurregeling betreft. Deze vermindering van het remgeld is echter slechts van toepassing voor de nominatief in het ontwerp van KB opgenomen specialismen. Deze verwijzing met remgeld- vermindering is bovendien maar éénmaal per kalenderjaar per specialisme mogelijk. De algemeen geneeskundige geeft daartoe aan de patiënt een verwijsbrief. Het getuigschrift van de consultatie van de geneesheer-specialist waarop de remgeldvermindering is verschuldigd moet samen met het verwijsdocument voor de terugbetaling worden aangeboden aan de mutualiteit.

Artikel 36 G.V.U-wet bepaalt dat de Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit, de regels kan bepalen volgends dewelke de verzekering voor geneeskundige verzorging, met het oog op de “doeltreffende organisatie” van de verzekering, de samenwerking bevordert tussen de algemeen geneeskundigen en specialisten. Stellen dat een patiënt een algemeen geneeskundige moet raadplegen als hij specialistische zorgen nodig heeft is noch doeltreffend voor de patiënt (zorgvertraging), noch doeltreffend voor de verzekering (meerkost). De samenwerking tussen de algemeen geneeskundige en de geneesheer specialist wordt in het ontwerp bovendien gekarikaturiseerd door het éénmalig karakter van de maatregel, alsof het samenwerken maar eenmaal per jaar hoeft te gebeuren. Samenwerking impliceert enerzijds verwijzing door een behandelende algemeen geneeskundige naar een geneesheer-specialist en anderzijds verwijzing door de behandelende specialist naar de algemeen geneeskundige. Een fundamentele tekortkoming van het ontwerp-KB is dat het begrip "samenwerking" uitsluitend eenzijdig wordt geïmplementeerd en dan nog is herleid tot zijn meest minimalistische uitdrukking. De maatregel komt in feite neer op een remgeldverhoging als de behoefte aan specialistische tussenkomst een duurzaam karakter heeft. Bovendien discrimineert de maatregel de patiënten naargelang de aard van de specialistische zorgbehoefte.

Het ontwerp-KB kan in praktijk onmogelijk de samenwerking tussen de huisartsen en geneesheren specialisten bevorderen. De “samenwerking” wordt herleid tot een verwijsbriefje waarop een specialisme wordt aangekruist maar verstrekt aan de geneesheer-specialist geen enkele inlichting omtrent de medische achtergrond van de patiënt. Hij blijft volledig in het ongewisse van de reeds uitgevoerde technische verstrekkingen, de resultaten van reeds uitgevoerde analyse en van de reeds door de behandelende huisarts opgestarte behandelingen.

De maatregel discrimineert geneesheren-specialisten onderling wat hun zorgtoegankelijkheid voor de patiënt betreft. Deze discriminatie is disproportioneel ten opzichte van de wettelijke bepaling waarop de maatregel berust. Artikel 36 van de G.V.U.-wet beoogt immers het bevorderen van de samenwerking tussen de algemeen geneeskundigen en de geneesheren-specialisten.

De uitgewerkte regeling is onherroepelijk en totaal te verwerpen want ze houdt geen enkele kwaliteitsverbetering in van de verstrekte geneeskundige zorgen. Ze zal ongetwijfeld aanleiding geven tot een berg bijkomende administratieve verplichtingen die ingevolge hun complexiteit aan de bron zullen liggen van tal van fouten. Deze nieuwe reglementering houdt geen enkele financiële of intellectuele opwaardering van de huisarts of de specialist in.

Het door de Minister becijferde budget ter financiering van deze nieuwe maatregel is niet gesteund op wetenschappelijk onderbouwde criteria maar werd door de Minister naar zijn hand gezet om de budgetten te doen “kloppen”. De verhoogde uitgaven voor de terugbetaling van de remgelden worden door de Minister geneutraliseerd door een compenserende vermindering van uitgaven voor “overbodige” technische verstrekking voorgeschreven en uitgevoerd door de geneesheren-specialisten.

De hamvraag blijft echter wie het gelag zal betalen indien bij de eerstvolgende begrotingscontrole blijkt dat de Minister zich vergist heeft in de becijfering van zijn budget. Waar zullen de financiële middelen gehaald worden om eventuele budgettaire tekorten aan te zuiveren? Wie zal opnieuw met de vinger gewezen worden? Het Belgische zorgsysteem heeft geen nood aan een dergelijke reglementering die geen enkele kwaliteitsverbetering inhoudt noch voor de patiënt noch voor de geneesheren. Deze softe echelonnering betekent een eerste stap in een verdere trapsgewijze ontwikkeling van ons gezondheidssysteem waarbij de vrije keuze van zorgverstrekker door de patiënt in het gedrang komt.


PDF-versie
 

Questions & Comments
Copyright © VBS, 1997-2007
  Home | VBS | Verenigingen | De Gids | Accreditering | Tarieven | Wetgeving | Partners | Publicaties | Hulp