|
Het naderende levenseinde
Artikel 95
In het verlengde van artikel 33 informeert de behandelend arts de patiënt tijdig over diens naderende levenseinde en de
bijstand die hem daarbij kan worden verleend.
Hierbij houdt de arts rekening met de klinische toestand van de patiënt, diens draagkracht, filosofische en godsdienstige
overtuiging evenals met de mate waarin hij wenst te worden geïnformeerd.
Bij elke vraag over het levenseinde, legt de arts uit welke initiatieven elke persoon kan nemen zoals het aanstellen van
een vertegenwoordiger en het opstellen zowel van een weigering tot toestemming voor een welomschreven tussenkomst als van
een wilsverklaring tot euthanasie.
De arts wijst zijn patiënt er op dat deze altijd recht heeft op palliatieve zorg.
De arts informeert de patiënt tijdig en duidelijk over de medische bijstand die hij bereid is hem bij het naderende
levenseinde te verlenen. De patiënt dient over de nodige tijd te beschikken om een tweede medisch advies in te winnen.
De behandelend arts en de patiënt stellen zich akkoord over de te informeren personen en de hen te verstrekken informatie.
Artikel 96
De arts dient voor elke tussenkomst bij het naderende levenseinde de toestemming van de patiënt te bekomen. Hij dient
erover te waken dat deze met kennis van zaken, vrij en onafhankelijk wordt gegeven.
Indien de arts meent dat een patiënt niet in staat is om toe te stemmen wendt hij zich tot de wettelijke
vertegenwoordiger.
De behandelend arts betrekt de minderjarige patiënt bij beslissingen omtrent het levenseinde in functie van diens
leeftijd en maturiteit en van de aard van de beoogde tussenkomst. Het is aangewezen de mening van een collega en van het
behandelend team in te winnen.
Artikel 97
Naast de plicht tot informatie en de plicht tot het bekomen van toestemming staat de arts zijn patiënt bij het naderende
levenseinde medisch en moreel bij.
Indien de arts niet over voldoende kennis beschikt betreffende de bijstand bij het naderende levenseinde, wint hij de
nodige adviezen in en/of vraagt hij een competente collega in consult.
Therapeutische verbetenheid dient te worden voorkomen.
De arts is de patiënt behulpzaam bij het opstellen en het bewaren van verklaringen waarvan sprake in artikel 95, tweede
alinea.
De arts houdt zich aan de tegenover de patiënt aangegane verbintenissen.
De arts zal er bij de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk van de Code van geneeskundige plichtenleer over
waken dat de wettelijke bepalingen zowel door hemzelf als door de patiënt nageleefd worden.
Artikel 98
Indien overeenkomstig de huidige stand van de wetenschap een patiënt overleden is, wordt de kunstmatige instandhouding
van de cardiorespiratoire functies stopgezet. Deze stopzetting kan wel uitgesteld worden met het oog op het wegnemen van
organen voor transplantatiedoeleinden, waarbij de wilsbeschikking van de patiënt en de wettelijke beschikkingen dienen te
worden gerespecteerd.
Orde der geneesheren - België
Nationale Raad
PDF-versie 
|