Home | VBS | Verenigingen | De Gids | Accreditering | Tarieven | Wetgeving | Partners | Publicaties | Hulp  
De Geneesheer-Specialist
Orgaan van het Verbond der Belgische Beroepsvereniging van Geneesheren Specialisten
Nr 2 - Maart 2006 Vorige Inhoud Volgende
 


Ons hoogste goed? Filosofische reflecties over schaarste, eindigheid en de normatieve waarde van gezondheid – Yvonne DENIER

 


TOESPRAAK GEHOUDEN TER GELEGENHEID VAN HET VBS-SYMPOSIUM
"FINANCIERING VAN DE GEZONDHEIDSZORG"
KONINKLIJKE BIBLIOTHEEK VAN BELGIË – 04.02.2006


Inleiding

“Gezondheid is ons hoogste goed,” zo vertelt ons het gekende gezegde. Dit gezegde vertolkt een gedachte die reeds eeuwenlang en op universele wijze hoog in het vaandel wordt gedragen. Zo vindt men uitdrukkingen van deze bezorgdheid al in de oudheid. 2000 jaar v.C. werden reeds allerhande genezingstips en gezondheidsregels neergeschreven op Mesopotamische kleitabletten en Egyptische papyri. Verder zijn de Griekse en Romeinse beschavingen welgekend om hun cultivering van het ideaal van de gezonde geest in een gezond lichaam. In dezelfde periode – rond 500 v.C. – kondigen de geschriften van Hippocrates van Cos een periode aan waarin rede en rationaliteit in het begrijpen van de werking van het menselijk lichaam aangevuld worden met ethische excellentie in de uitvoering van het medische beroep. De eed van Hippocrates is vandaag nog steeds een van de ijkpunten in de medische ethiek.

Tot in de 16de en 17de eeuw speelde de zorg voor de gezondheid zich grotendeels af op het domein van de individuele zorg voor zichzelf, al dan niet in relatie met de arts. Met de vroegmoderne periode en de opmars van industriële en stedelijke expansie en de immense bevolkingsgroei - die een regen van epidemieën veroorzaakte - komt er gaandeweg een collectief bewustzijn van de noodzaak van publieke, institutionele organisatie van gezondheidszorg. Er ontstond systematische aandacht voor omgevingsfactoren die indirect een grote invloed op de gezondheid hebben - zoals voedselkwaliteit, hygiëne en sanitair, woonomstandigheden, armoedebeleid, de aanwezigheid van ziekenhuizen, etc.

Het resultaat van deze aloude en universele bekommernis om onze gezondheid is dat we vandaag in de meeste geïndustrialiseerde samenlevingen een complex en uitgebouwd systeem van publiek georganiseerde gezondheidszorg hebben. Gezondheidszorg is een integraal onderdeel geworden van het sociale, politieke en economische apparaat van de samenleving. Het is een complex kader van instituties, diensten, goederen en beleidsmaatregelen die grofweg worden georganiseerd volgens drie doelen. Ten eerste, het doel van preventie van ziekte, afhankelijkheid en handicap. Ten tweede, het doel van genezing en herstelbevordering (i.e., ‘cure’) en ten derde: het bieden van omvattende kwaliteitszorg en ondersteuning (i.e., ‘care’) wanneer genezing en herstel niet meer mogelijk zijn. Hierdoor heeft gezondheidszorg een grote impact op ons persoonlijk welzijn. Immers, ze bepaalt mede het risico dat we lopen om ziek te worden, de waarschijnlijkheid van het genezen en de mate waarin we zullen worden opgevangen en verzorgd wanneer we volledig afhankelijk zijn. In deze zin vertolkt de gezondheidszorg een belangrijk aspect van sociale rechtvaardigheid.

Niettemin is het zo dat de hedendaagse gezondheidszorg erg complex is geworden en dat ze steeds harder en nadrukkelijker op kwantitatieve en kwalitatieve grenzen stoot. Sinds de jaren ‘90 zijn kwesties rond schaarste, rationalisering of rantsoenering, het stellen van grenzen en de roep om duidelijke prioriteiten regelmatig het aandachtspunt van sociaal, politiek, ethisch en economisch debat. Dit zijn zeer moeilijke kwesties. Op een of andere manier moeten er grenzen worden gesteld aan de gezondheidszorg. Maar hoe dit moet gebeuren, blijft voorlopig een open vraag en een punt van veel discussie.

De incompatibiliteitsthese

Het uitgangspunt van mijn analyse is de stelling dat het schaarsteprobleem in de gezondheidszorg verscherpt naar voren komt door de interne onverenigbaarheid van drie parameters, nl. die van efficiëntie, rechtvaardigheid en zorg. Je kan het vergelijken met het bord dat aan de deur van een garage hangt, waarop geschreven staat: “We bieden drie soorten diensten aan - goedkoop, snel en betrouwbaar. U kunt er telkens twee hebben, maar geen drie. Als het goedkoop en snel is, zal het niet betrouwbaar zijn. Als het goedkoop en betrouwbaar moet zijn, dan zal het niet snel zijn; en als het snel en betrouwbaar moet zijn, dan is het niet goedkoop.”

In het geval van gezondheidszorg zijn de rivaliserende waarden: sociale efficiëntie, verdelende rechtvaardigheid en omvattende kwaliteitszorg. Ook hier lijkt het dat we er telkens twee kunnen hebben, maar geen drie. Indien we omvattende kwaliteitszorg willen die sociaal efficiënt is, dan riskeren we op een systeem af te stevenen dat enkel toegankelijk is voor de betaalkrachtigen. Dit gaat in tegen fundamentele eisen van rechtvaardigheid. Een bepaalde groep mensen valt uit de boot. En deze groep zijn precies de meest behoeftigen – de chronisch zieken, de gehandicapten, de armen. Hiertegenin zijn we over het algemeen geneigd te denken dat rechtvaardige gezondheidszorg toegang biedt op basis van medische behoefte in plaats van betaalvermogen. Maar indien we gelijke toegang tot omvattende kwaliteitszorg willen bieden op basis van medische behoefte, dan riskeert het systeem inefficiënt want maatschappelijk onbetaalbaar te worden. Immers, in het vervullen van medische behoeften kan de medische wetenschap veel meer dan de samenleving zich kan veroorloven. De medische mogelijkheden zijn veel groter dan de publieke portemonnee. En tenslotte, indien we gelijke toegang tot zorg willen bieden op basis van behoefte terwijl we voldoen aan het criterium van sociale efficiëntie, dan moeten we oppassen voor kwaliteitsdaling in de zorg.

Deze triadische incompatibiliteit leidt ons naar de volgende onderzoeksvraag: hoe kunnen we grenzen stellen aan de gezondheidszorg terwijl er toch een aanvaardbaar compromis tussen efficiëntie, rechtvaardigheid en zorg wordt gerealiseerd?

Er bestaan verschillende uitgewerkte theorieën die elk op hun beurt een antwoord proberen te formuleren op deze vraag. Ik zal me hier concentreren op een theorie, die in eerste instantie eenvoudig is, maar die tegelijk provocatief is en veel stof tot nadenken geeft. Dit is het voorstel dat de filosoof Ronald Dworkin in 1994 heeft geformuleerd in reactie op de hervormingsplannen van de toenmalige Amerikaanse president Clinton. De plannen van de president zijn toen niet verwezenlijkt, maar het voorstel van Dworkin blijft nog steeds een interessante gids wanneer we de bovenvermelde evenwichtsoefening moeten maken.

Crisis in opvatting en verwachtingen

Om te beginnen stelt Dworkin dat de hedendaagse crisis in de gezondheidszorg een crisis is in onze algemene opvatting van en verwachtingen tegenover gezondheidszorg. D.w.z., het is een crisis in het vinden van een antwoord op de twee belangrijkste vragen die we vanuit samenlevingsoogpunt moeten stellen wanneer we spreken over rechtvaardige gezondheidszorg.

Ten eerste, hoeveel geld zijn we maatschappelijk bereid te besteden aan gezondheidszorg? Dit is de aggregatieve vraag. De notie van opportuniteitskost speelt hier een belangrijke rol. Immers, geld dat wordt besteed aan gezondheidszorg is geld dat ook zou kunnen worden besteed aan onderwijs, tewerkstelling, armoede- en woonbeleid, milieu, enz. Gelet op het feit dat deze andere voorzieningen ook een belangrijke invloed hebben op de gezondheidsstatus van een bevolking, is het belangrijk dat er voldoende evenwicht is tussen de bestedingen aan gezondheidszorg en die aan andere voorzieningen. Dit wil zeggen: we moeten concreet de vraag stellen welke totaalprijs we maatschappelijk bereid zijn te betalen voor onze gezondheid, op voorwaarde dat niemand uit de boot valt.

Ten tweede, aan wat moeten we het gezondheidszorgbudget besteden? Dit is de distributieve vraag. Hoeveel besteden we aan preventie, hoeveel aan ‘cure’ en hoeveel aan ‘care’? Opnieuw speelt de notie van opportuniteitskost een bepalende rol: wat we besteden aan het ene kunnen we niet besteden aan iets anders Door het feit dat de medische wetenschap veel meer kan dan de samenleving zich publiek kan veroorloven moeten we ons binnen de universele garantie van kwalitatieve basiszorg oprecht durven afvragen welke medische mogelijkheden zo belangrijk zijn dat ze tot het publieke pakket moeten behoren en welke niet.

Aan de basis van deze twee vragen ligt een fundamenteel-filosofische vraag. Wat is de juiste standaard om deze vragen te beantwoorden? M.a.w., welk is het ideaal van rechtvaardige gezondheidszorg dat we moeten hanteren?

Het ideaal van afzondering

Een eeuwenoud en welgekend ideaal is dat van afzondering. Dit ideaal heeft drie essentiële kenmerken. Het eerste kenmerk stelt dat leven en gezondheid ons hoogste goed zijn, het Summum Bonum. Of zoals de 16de eeuwse Franse filosoof René Descartes zegt: het is het allerbelangrijkste goed dat met alle middelen moet worden beschermd en bevorderd. Al het andere is van ondergeschikt belang. Het tweede kenmerk is gelijkheid. Het stelt dat medische zorg moet worden verdeeld op basis van gelijkheid op een manier dat aan niemand noodzakelijke zorg wordt ontzegd omdat hij of zij het niet kan betalen. Het derde kenmerk is het aloude reddingsprincipe en stelt dat het onaanvaardbaar is dat mensen sterven, hoewel ze hadden kunnen worden gered, omdat hen de noodzakelijke goederen werden ontzegd omwille van economische redenen.

Dit ideaal van afzondering is een eeuwenoud ideaal en heeft lange tijd als goede gids gewerkt voor de medische praktijk. De kracht van dit ideaal is zo groot dat we spontaan geneigd zijn te denken dat het de juiste norm is om onze twee basisvragen te kunnen beantwoorden. Dworkin wijst er ons echter op dat dit niet zo is. Hoewel het eeuwenlang goed heeft gediend is het ideaal vandaag de dag onbruikbaar geworden. Erger nog, als we dit ideaal blijven gebruiken dan doet het wellicht meer kwaad dan goed.

Veronderstel bijvoorbeeld de eerste vraag - de aggregatieve vraag. Hoeveel geld zijn we maatschappelijk bereid te besteden aan gezondheidszorg? Volgens het ideaal van afzondering zouden we alles moeten geven wat we kunnen totdat we het niveau bereiken waarop er geen winst meer kan worden gemaakt op vlak van gezondheid of levensverwachting. In de realiteit echter organiseert geen enkele samenleving zijn gezondheidsbeleid op die manier, net zo min als dat individuele personen hun leven organiseren op zodanige wijze dat letterlijk alles in functie staat van zo lang en gezond mogelijk leven. De essentie van het probleem is dat er in het verleden niet zo’n significante kloof was tussen de retoriek van het ideaal van afzondering en al de medische mogelijkheden. De laatste decennia echter, zijn de medisch-technologische mogelijkheden in diagnose en therapie zodanig gestegen dat we vandaag de dag aanzienlijk meer kunnen dan vroeger. Vandaar dat het onredelijk is te veronderstellen dat de samenleving gezondheid op het hoogste podium zet, prioritair aan alle andere waarden en dat ze gezondheid en levensverwachting moet beschermen en bevorderen met alle middelen en ten alle prijze.

Wanneer we het afzonderingsideaal confronteren met dit probleem, dan valt het argument stil. Het stopt. En het best mogelijke antwoord dat er kan worden gegeven is dat over de grootte van het gezondheidsbudget moet worden beslist “op het domein van de politiek.” Dan laten we het over aan de politici die op hun beurt een antwoord moeten zien te vinden. Dit is een enigszins teleurstellend antwoord. Immers, op die manier biedt het ethisch ideaal van afzondering geen positieve bijdrage aan het debat. Integendeel. Het probleem hiermee is dat als de wijsgerige ethiek ergens een taak heeft, dan is het wel dat ze op basis van goede en consistente redenering richtingaanwijzers zou moeten kunnen bieden aan de mensen die het beleid moeten bepalen.

Als we ons vervolgens op de tweede vraag concentreren - de distributieve vraag - dan stelt het ideaal van afzondering dat het budget moet worden verdeeld op een faire en rechtvaardige manier. Maar wat betekent dat? Het ideaal vertelt ons iets dat ongetwijfeld zeer belangrijk is: nl. dat toegang tot medische zorgen niet mag afhangen van betaalvermogen! Maar dit is een louter negatief advies. We hebben een positief advies nodig. Immers, indien rationalisering in de gezondheidszorg niet mag worden bepaald door de grootte van de individuele portemonnee, welk principe moeten we dan wel hanteren? Het criterium van medische behoefte? In dit geval is het noodzakelijk dat we dan een analyse maken van welke behoeften zo belangrijk zijn dat ze moeten worden vervuld en welke niet. Opnieuw kan het oude ideaal hiervoor geen leidraad geven.

Het hypothetisch principe van de verstandige verzekering

Dworkins alternatieve benadering is gebaseerd, niet op de idee van afzondering van gezondheidszorg, maar wel op de idee van integratie van gezondheidszorg in competitie met andere belangrijke goederen. De centrale gedachte is:

“We should aim to make collective, social decisions about the quantity and distribution of health care so as to match, as closely as possible, the decisions that people in the community would make for themselves, one by one, in the appropriate circumstances, if they were looking from youth down the course of their lives and trying to decide what risks were worth running in return for not running other kinds of risks.” (R. Dworkin, Sovereign Virtue, Cambridge, 2002, 208-209).
Dit mechanisme is gebaseerd op het volgende gedachtenexperiment: veronderstel dat we allen een gelijke hoeveelheid geld zouden hebben. Veronderstel ook dat er een ideaal rechtvaardige verzekeringsmarkt zou zijn met voldoende correcties en veronderstel bovendien dat we allemaal een gelijk risico hebben op ziekte en handicap. Voor welke vormen van gezondheidszorg zouden we ons verstandigerwijze verzekeren, en voor welke niet?

In dit verband argumenteert hij dat het onverstandig zou zijn om geen verzekering te nemen. Tegelijk zou het ook onverstandig zijn om al je geld aan gezondheidszorg te besteden, omdat je dan geen middelen meer hebt om aan andere dingen te besteden, zoals vrije tijd, onderwijs, huisvesting. Dit betekent dus dat het hypothetisch verzekeringsmechanisme zowel een boven- als een benedengrens stelt aan wat we willen besteden voor gezondheidszorg.

Als we deze oefening doortrekken, duiken er enkele inhoudelijk interessante richtingaanwijzers op. Immers, het punt is dat indien de meeste mensen in de hypothetische situatie zouden kiezen voor verzekering tegen bepaalde risico’s, dat dan het rechtvaardigheidsgehalte van onze reële samenleving afgemeten kan worden naar de hoeveelheid mensen die deze dekking feitelijk hebben, en de mate van onrechtvaardigheid naar de hoeveelheid mensen die deze dekking niet hebben. En omgekeerd geldt hetzelfde: indien slechts weinigen zouden kiezen voor bepaalde vormen van gezondheidszorg, dan zou het onrechtvaardig zijn om iedereen te verplichten om hiermee solidair te zijn.

We kunnen het hypothetisch mechanisme van de verstandige verzekering dus enigszins gebruiken als een gids om te helpen bepalen met welke vormen van gezondheidszorg iedereen solidair wil zijn en met welke helemaal niet. In dit verband, zo argumenteert hij, is het redelijk om aan te nemen dat de meeste mensen zich zouden willen verzekeren voor kwalitatieve basiszorg met een redelijke verwachting op succes alsook voor ondersteunende en pijnverlichtende langetermijnzorg in het geval van ouderdom of handicap.

Anderzijds is het ook redelijk te veronderstellen dat we veel minder bereid zouden zijn om ons te verzekeren voor zeer dure maar speculatieve, levensverlengende ingrepen in het geval van onomkeerbare coma, tijdens de laatste fasen van dementie of op zeer hoge leeftijd. Het is redelijk te veronderstellen dat de meeste mensen zouden denken dat de kosten van de premie voor deze verzekering beter besteed zouden worden aan dingen die het leven voor de dementie de moeite waard zouden maken. Of beter nog, aan een verzekering die instaat voor degelijke afhankelijkheidszorg die in alle waardigheid verloopt, en die voldoende ondersteuning voorziet en de nodige pijn verlicht. Maar niet voor bepaalde vormen van experimentele hoogtechnologische zorgen met een zeer kleine kans op succes. Het punt is dat hoewel de meeste mensen inderdaad graag zo lang mogelijk willen leven, dat men dit enkel wil op voorwaarde dat de kwaliteit van leven goed genoeg is, d.w.z., dat men bewust en alert blijft, en dat men voldoende ondersteunende zorgen heeft die het leven in ziekte en afhankelijkheid zo comfortabel mogelijk maken. Men wil dit niet ten alle prijze.

Hiermee nemen we afstand van het Moderne, Cartesiaanse ideaal. Wanneer de kloof tussen alles wat medisch-technologisch mogelijk is en waartoe we allen gelijke toegang toe kunnen krijgen groter wordt, dan heeft de morele verantwoordelijkheid van de samenleving minder te maken met al het mogelijke doen in de naam van gezondheid als hoogste goed, en meer met het voorzien van gelijke toegang tot kwalitatieve en degelijke basiszorgen voor iedereen. Op dezelfde manier zouden we – in een verdere stap - kunnen nagaan welke vormen van kwalitatieve basiszorg en welke vormen van spitstechnologie respectievelijk tot beide categorieën behoren.

Besluit

Bij wijze van besluit is het belangrijk om vier elementen voor ogen te houden. Ze dienen als kritische ijkpunten van het debat.

We zullen keuzes moeten maken

Als we een rechtvaardig gezondheidszorgsysteem willen behouden dat tegelijkertijd voldoende kwaliteitszorg biedt èn sociaal-efficiënt is georganiseerd, dan moeten we knopen doorhakken en moeilijke vragen beantwoorden. Vooreerst moeten we ons afvragen welk percentage van ons bruto nationaal inkomen we aan gezondheidszorg willen besteden. Hier speelt de opportuniteitskost een belangrijke rol. Geld dat we besteden aan gezondheidszorg kunnen we namelijk niet investeren in bijvoorbeeld armoedebeleid, onderwijs of tewerkstelling. Daarna moeten we uitmaken aan wat we het gezondheidszorgbudget willen besteden. Ook hier geldt dat wat we aan het ene besteden niet aan iets anders kunnen besteden.

Hierbij geldt een belangrijke beperking: rechtvaardige gezondheidszorg stelt enkel grenzen op vlak van publiek aangeboden goederen en voorzieningen, niet op vlak van mensen. Het gaat om publieke voorziening van gelijke toegang tot een breed en inclusief pakket van kwalitatieve en betaalbare basiszorg voor iedereen, gebaseerd op een systeem van universele en verplichte solidariteit.

Dure spitstechnologie

De medische wetenschap kan veel meer dan voor ons als samenleving betaalbaar is. Dit betekent dat we dus niet met alles solidair kunnen zijn. Momenteel vallen er trouwens al een aantal goederen en diensten buiten het publieke pakket waar we eigenlijk geen moeite mee hebben. Vooral bij de opportuniteit van dure medische technologie moeten we durven stilstaan. Het leeuwendeel van de kostenstijging in de gezondheidszorg is te wijten aan de toepassing van complexe en dure medische technologieën. We moeten ons daarom oprecht durven afvragen welke vormen van spitstechnologie zo noodzakelijk zijn dat ze in het publieke pakket moeten zitten. Hierbij mogen we niet uit het oog verliezen dat sommige gesofisticeerde en dure vormen van medische technologie meestal slechts voor een kleine groep mensen een zeer beperkte verbetering van de levensduur of levenskwaliteit betekent.

Gedeeltelijke privatisering

Uiteindelijk is een gedeeltelijk privatiseringsscenario onvermijdelijk. Ons gezondheidszorgsysteem kan alleen maar rechtvaardig en efficiënt georganiseerd zijn en kwaliteitsvolle zorg leveren wanneer we bepaalde medische ingrepen niet langer publiek financieren. Toch betekent dit niet noodzakelijk dat we moeten afglijden naar een doemscenario waarbij de rijke zich een kwaliteitsvolle gezondheidszorg kan veroorloven en de minder kapitaalkrachtige mensen zich tevreden moeten stellen met een beperkt pakket minderwaardige zorg. Immers, de rechtvaardigheidseis komt altijd eerst! Efficiëntiemaatregelen moeten de rechtvaardigheid dienen!

Dit betekent dat wanneer het publieke pakket voldoende kwaliteitsvolle zorg omvat, de opwerping van een gezondheidszorg met twee snelheden minder relevant is. Bovendien moeten we realistisch zijn. De kloof tussen arm en rijk zal altijd blijven bestaan. Rijke mensen zullen altijd tot veel meer in staat zijn. Zij kunnen hun kinderen bijvoorbeeld naar exclusieve scholen en dure universiteiten in het buitenland sturen, terwijl minder kapitaalkrachtige Belgen dat niet kunnen. En eigenlijk hebben we daar hier in België weinig moeite mee omdat het publieke onderwijssysteem van hoogstaande kwaliteit is en rechtvaardig is georganiseerd waardoor ook arbeiderskinderen naar de universiteit kunnen. Voor de gezondheidszorg geldt hetzelfde: als je ervoor zorgt dat het publieke basispakket in de gezondheidszorg dat voor iedereen toegankelijk is op basis van gelijke behoeften voldoende kwaliteitsvol en omvattend is, stelt zich geen probleem. We zouden het inderdaad onrechtvaardig vinden wanneer mensen in armoede geen toegang zouden hebben tot een operatieve ingreep voor een blindedarmontsteking omdat ze dat niet kunnen betalen, maar we hebben er veel minder problemen mee dat ze geen borstvergroting kunnen laten doen, terwijl de rijken dat eventueel wel kunnen.

Constructief debat

Op fundamenteel vlak vraagt de maatschappelijke reflectie over de financiering van de gezondheidszorg om een wijziging van het algemene morele perspectief van overspannen verwachtingen ten aanzien van rechtvaardige gezondheidszorg, m.a.w. om een wijziging in sociale attitude en mentaliteit. Het vraagt om een kritische distantiëring van het typisch Moderne, Cartesiaanse perspectief waarbinnen leven en gezondheid het allerhoogste goed zijn dat met alle middelen moet worden bewaard en bevorderd.

Maar het debat over de vragen hoeveel we maatschappelijk bereid zijn te betalen voor welke goederen en voorzieningen, moet worden gevoerd op een kritische en sociaal-constructieve manier. Dit betekent dat alle betrokken actoren (gezondheidswerkers, beleidsmakers, patiënten, sociologen, economen, ethici, et cetera) mee in de discussie moeten treden zonder te vervallen in een debat van ideologische tegenstellingen, doemscenario’s en wederzijdse verketteringen.
Enkel via de weg van het redelijke, constructief-kritische en oprechte debat kan de weg worden geopend naar de ontwikkeling van een rechtvaardige gezondheidzorg die zowel sociaal efficiënt is als gelijke toegang tot omvattende en degelijke kwaliteitszorg garandeert.


Mevr. Y. Denier, Centrum voor Economie en Ethiek - K.U.Leuven Naamsestraat 69, B-3000 Leuven, Tel: +32 16 32 57 77; Fax: +32 16 32 69 10; Yvonne.Denier@econ.kuleuven.be
 


PDF-versie
 

 
Vorige Inhoud Volgende
Questions & Comments
Copyright © VBS, 1997-2007
  Home | VBS | Verenigingen | De Gids | Accreditering | Tarieven | Wetgeving | Partners | Publicaties | Hulp