|
Het wetsontwerp « betreffende de beheersing van de begroting van de gezondheidszorg en houdende diverse bepalingen inzake gezondheid”, dat de
gevreesde bijzondere volmachten bevat en een aantal andere bepalingen, waarover wij enige tijd geleden reeds commentaar verstrekten, is inmiddels
verwezen naar de Kamer met behoorlijk scherpe kritiek vanwege de Raad van State. De aanpassingen om daaraan te beantwoorden blijken duidelijk nog steeds
ondermaats.
Zopas begonnen de besprekingen in de Kamercommissies van Volksgezondheid en Sociale Zaken. Wij hebben onze standpunten medegedeeld aan verscheidene
politieke fracties ( zie Synthesenota –wetsontwerp 1627). Inmiddels heeft de CD&V (de HH Goutry en Verhaegen) zijn amendementsvoorstellen ingediend.
Enerzijds zit er een ons inziens positief voorstel in om de volmachten te willen ongedaan maken. Maar anderzijds voegt het een artikel 28bis toe dat de
mogelijkheid voor niet-geconventionneerde artsen om ereloonsupplementen aan te rekenen in twee- of meerpersoonskamers wil schrappen en een globaal
plafond van 1000 € wil opleggen voor honorariumsupplementen in éénpersoonskamers. Tevens werden enkele reeds ingediende wetsvoorstellen toegevoegd aan
de besprekingen, waaronder een PS – SP-A voorstel (Dhr Y.Mayeur en Mevr. M. De Meyer) dat ook ereloonsupplementen wil afschaffen bij opname van een kind
met begeleidende ouder.
Het fundamenteel debat over een tweede pijler in de financiering van de gezondheidszorg wordt in de kiem gesmoord.
Synthesenota – wetsontwerp 1627
(tekst artikel 54 en korte toelichting betreffende de andere artikels – blz. 8 – 10)
1.Onze belangrijkste kritiek heeft betrekking op de bijzondere volmachten ( art 54 van het ontwerp) die in ruime mate de grondwettelijk verplichte
éénduidigheid missen, zodat ze de toegelaten draagwijdte overschrijden, onder meer door pseudo-omschrijvingen die verre van beantwoorden aan de
bemerkingen van de Raad van State. Ondanks een behoorlijk aantal tekstwijzigingen.
Tevens hebben we meer specifieke en technische kritiek geformuleerd omtrent:
- De bepalingen inzake aanpassing van “de honoraria”(§2,2°art). Deze laatste hebben als dusdanig geen impact op de begrotingsdoelstelling. De term moet
vervangen worden door “het bedrag dat als grondslag dient voor de berekening van de verzekeringstussenkomst”.
- De §4 overstijgt alle grenzen van een bevoegdheidsdelegatie en geeft in feite de minister de mogelijkheid om willekeurig alle bepalingen inzake
gezondheidszorg en ziekenhuiswetgeving te wijzigen, in welke richting ook; deze paragraaf is onaanvaardbaar et moet geschrapt worden.
- De mogelijkheid tot wijziging van de verjaringstermijnen (§2,2e lid,14°), laat allerhande onrechtvaardigheden toe (te schrappen).
De andere 1° à 13°
punten moeten zodanig aangepast worden dat ze de aard en de bedoeling van voorgenomen maatregelen verduidelijken.
2. De pseudo-omschrijvingen van art. 24 houden in feite verkapte volmachten in, voeren begrippen in die strijdig zijn met de bestaande wetgeving en de
werkelijkheid, waarbij impliciet de structurele onderfinanciering van de ziekenhuizen nog verzwaart. Het feit naar de toekomst toe elke facturatie aan
de patiënt te verbieden is absurd. Er moet een tweede pijler in de financiering van de gezondheidszorg komen om de toekomst te vrijwaren.
3. Het repressief systeem van de ziekteverzekering (procedures van art. 141 van de GVU- wet) moet de rechten van de verdediging eerbiedigen. De rol van
de Dienst Geneeskundige Evaluatie en Controle is onderzoeksopdrachten uit te voeren, doch niet zich verder te blijven inmengen in de rechtspraak zelf.
De procedures moeten aangepast worden (art. 8 profielencommissies) zodat een redelijke evaluatie met de nodige mono gespecialiseerde deskundigheid van
de medische praktijken kan georganiseerd worden, conform de stand van de wetenschap en de evolutie van de geneeskunde.
4. De accreditering (art. 7): men kan zonodig redelijke normatieve regels in overweging nemen, indien de Administratie haar verplichtingen inzake
voorafgaande mededeling in acht neemt. Wij stellen daarvoor een aantal technische aanpassingen voor. Dat daarentegen "aanbevelingen" een normatieve
betekenis zouden krijgen is onaanvaardbaar. Dit concept druist in tegen het wettelijk principe van diagnostische en therapeutische vrijheid (art. 73 §1
van de GVU- wet).
5. Het "forfait" als alternatief voor de referentiebedragen (art. 10) vergt enkele onvermijdelijke technische aanpassingen, waardoor de bepaling ervan
in het kader van de nomenclatuur moet gebeuren.
6. De installatie van activiteiten of toestellen die niet conform zijn aan de erkenningsvereisten of programmatie (art 11: toevoeging aan art. 64 van de
GVU- wet) geeft aanleiding tot sancties op de honoraria (§2 van dit artikel). Normaal straft men de overtreder, m.a.w. de uitbater-beheerder die als
enige de beslissingsbevoegdheid heeft om dergelijke apparatuur illegaal te installeren. Het is onaanvaardbaar dat de zorgverlener, die contractueel
verplicht wordt om de patiënten met het onwettig werkinstrument te verzorgen, zou worden bestraft. Die letterlijk kafkaiaanse sanctie moet geschrapt
worden.
Deze bepaling toont aan hoe absurd de wettelijke regeling is: de beheerder is gemachtigd om afhoudingen op de honoraria te verrichten om zijn inbreuk op
de regelgeving te financieren! Door hem dat te verbieden zou de beheerder geen andere uitweg hebben dan de regels na te leven.
Voor de zoveelste maal vragen we dus de schrapping van artikel 139bis van de ziekenhuiswet, dat het mogelijk maakt dat elke onderfinanciering en zelfs
elke financiële sanctie tegen het ziekenhuis automatisch kan worden afgewenteld op de medische honoraria.
Het 2e lid van dezelfde §2 moet geschrapt worden. Zoniet is het bvb. onmogelijk om nog de meest elementaire cardiologische verstrekkingen (zoals vb een
EKG) te verrichten buiten een erkend basis cardiaal zorgprogramma.
7. Tenslotte stellen we een aantal technische correcties voor (art 16 ontwerp) en de schrapping van punt 4° van het nieuwe art. 107quater §2 van de
ziekenhuiswet (art. 27 ontwerp). Men ziet immers niet in waarom het oneigenlijk gebruik van de spoedgevallendiensten ‘s nachts moet aangemoedigd worden.
Amendementsvoorstellen van de CD&V:
Wij verwerpen formeel amendement 33 (voorstel van een art. 28bis) waardoor de ereloonsupplementen voor niet verbonden artsen worden verboden in 2 – of
meerpersoonskamers en waarbij een globaal plafond van ereloonsupplementen wordt opgelegd op eenpersoonskamers. Met ziet niet waarom de CD&V de
verzekeringsmaatschappijen wil sponsoren.
We verwerpen tevens de nutteloze bijkomende bureaucratie die wordt voorgesteld met amendement 37 (voorstel van een art. 54bis: bij toepassing van
derdebetalersregeling zou de arts een document moeten bezorgen aan de patiënt, dat naast de codenummers ook een toelichting geeft over de aard van de
verstrekkingen die verricht werden). Het omgekeerde dus van administratieve vereenvoudiging.
Art. 54 wetsontwerp 1627
§ 1 Teneinde de globale begrotingsdoelstelling 2005 in de verzekering geneeskundige verzorging te realiseren kan de Koning bij een in Ministerraad
overlegd besluit de in dit artikel bedoelde maatregelen nemen.
Deze maatregelen dienen ingang te vinden in de loop van het jaar 2005.
§ 2 De Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, kan in afwijking van de procedures bedoeld in de wet betreffende de verplichte verzekering voor
geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994, maatregelen nemen om:
1° alle vormen van oneigenlijk gebruik en misbruik te bestrijden, en een efficiënte controle van de uitgaven te waarborgen, in en buiten de
verzorgingsinstellingen
2° de tussenkomst van de verzekering en de toekenningsvoorwaarden en de honoraria van de in artikel 34 van de wet betreffende de verplichte verzekering
voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994 bedoelde geneeskundige verstrekkingen aan te passen.
Hiertoe kan Hij alle nuttige maatregelen nemen en aan voornoemde wetten alle nuttige wijzigingen aanbrengen met het oog op het doorvoeren van de
noodzakelijke besparingen ten einde:
1° de regelen met betrekking tot het opmaken van de begroting geneeskundige verzorging en met betrekking tot de correctiemechanismen aan te passen;
2° de regelen met betrekking tot het globaal budget van verstrekkingen verleend aan rechthebbenden in een ziekenhuis aan te passen;
3° de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen te wijzigen in afwijking van de in artikel 35, § 2 van voornoemde wet van 14 juli 1994 gestelde
voorwaarden;
4° de bepalingen inzake de maximumfactuur vastgesteld op grond van het gezinsinkomen van de rechthebbenden en uitgevoerd hetzij door de
verzekeringsinstellingen hetzij door de Administratie van Ondernemings- en inkomensfiscaliteit aan te passen;
5° de opdrachten en de rol van de Commissie voor Begrotingscontrole en van de functie van de begrotings-en financieel adviseur te versterken;
6° de opdrachten en de samenstelling van de adviesorganen inzake revalidatie en van de profielcommissies te verduidelijken en aan te passen;
7° de persoonlijke aandelen te wijzigen voor de bezoeken en raadplegingen van algemeen geneeskundigen en van geneesheren specialisten in afwijking van
de procedure vastgesteld in artikel 36 van voornoemde wet van 14 juli 1994;
8° de procedures voor het wijzigen van de lijsten bedoeld in artikel 35 bis en artikel 35 ter van voornoemd wet van 14 juli 1994 te vereenvoudigen;
9° de voorwaarden en de regels waarbij aan sommige geneesheren een voordeel wordt toegekend indien zij beantwoorden aan de kwalitatieve of kwantitatieve
vereisten van medische praktijkvoering te wijzigen in afwijking van de procedure vastgesteld in artikel 36 bis van voornoemde wet van 14 juli 1994;
10° de regels met betrekking tot de gegevens en bescheiden die door de verstrekkers en door de verzekeringsinstellingen aan het Instituut moeten worden
overgemaakt aan te passen;
11° de inhoud van de ziekenhuisbudgetten en van de medische honoraria beter de definiëren;
12° de bepalingen met betrekking tot de in artikel 165, laatste lid bedoelde vermindering van de verzekeringstegemoetkoming verschuldigd door de
apothekers en de in artikel 191 van voornoemde wet van 14 juli 1994 bedoelde heffingen ten laste van farmaceutische firma’s aanpassen;
13° de procedure voor het vaststellen van aanbevelingen en indicatoren bedoeld in artikel 73, § 2 van voornoemde wet van 14 juli 1994 aan te passen;
14° de verjaringstermijnen bedoeld in artikel 174 van voornoemde wet te wijzigen.
§ 3 In afwijking van voornoemde wet van 14 juli 1994 en van de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor
sociale zekerheid en sociale voorzorg dienen voor de periode van 1 april 2005 tot 31 december 2005 de adviezen en voorstellen die verplichtend moeten
worden ingewonnen of moeten worden geformuleerd uitgebracht worden binnen de door de Minister vastgestelde termijn, die niet korter mag zijn dan een
periode van acht dagen. Wordt het voorstel niet geformuleerd of het advies niet uitgebracht binnen de vastgestelde periode, worden ze geacht gegeven te
zijn.
§ 4 De besluiten genomen krachtens dit artikel kunnen de van kracht zijnde wettelijke bepalingen met betrekking tot de verplichte verzekering voor
geneeskundige verzorging en met betrekking tot de verzorgingsinstellingen opheffen, aanvullen, wijzigen of vervangen.
§ 5 De besluiten genomen krachtens dit artikel kunnen de overeenkomsten bedoeld in artikel 23, § 3, van voornoemde wet van 14 juli 1994 aanvullen,
wijzigen of vervangen.
§ 6 De in § 2 bedoelde besluiten worden voor hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, medegedeeld aan de voorzitters van de Kamer van
volksvertegenwoordigers en van de Senaat.
§ 7 De machtiging aan de Koning verleend door deze bepaling treedt in werking op 1 april 2005 en vervalt op 31 december 2005.
§ 8 De besluiten genomen krachtens deze bepaling houden op uitwerking te hebben op 31 december 2006 tenzij zij voor die datum bij wet zijn bekrachtigd.
Korte toelichting betreffende enkele andere artikels:
Art. 24 wetsontwerp 1627
In G.V.U - wet wordt een artikel 96 bis ingevoegd, luidend als volgt:
«Art. 96 bis. - Voor de tussenkomsten, diensten en verstrekkingen van zorgen waarvan de kosten bij toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk op
forfaitaire wijze door het budget van financiële middelen worden gedekt, kan geen financiële vergoeding ten aanzien van de patiënt worden gevorderd.».
Art. 8 wetsontwerp 1627
De Profielencommissies worden ingelast als orgaan dat, naast de Dienst Geneeskundige Evaluatie en Controle, een dossier kan inleiden voor het Comité
(Strafprocedures art. 141, § 2 en 3 – G.V.U – wet).
Art. 7 wetsontwerp 1627
De accreditering wordt afhankelijk van:
«-het naleven van regels of aanbevelingen inzake het rationeel voorschrijven van geneesmiddelen en specialistische verstrekkingen vastgesteld door de
Nationale Raad voor Kwaliteitspromotie of, desgevallend, door de Commissie Tegemoetkoming van Geneesmiddelen.».
Art. 10 wetsontwerp 1627
Forfait regeling als alternatief voor de referentiebedragen.
Art. 11 wetsontwerp 1627
Buiten het bestaan van een geprogrammeerde of erkende activiteitencentrum, waarvoor een erkenning moet verkregen worden, kunnen geen verstrekkingen
aangerekend worden. (Niet conforme activiteiten geven aanleiding tot sanctie ( - 10 %) op de honoraria of forfaits) en verzegeling van de toestellen.
Art. 27 wetsontwerp 1627
De forfaitaire bijdrage van de patiënten in de spoeddiensten geldt niet in volgende gevallen:
..."4° de raadpleging neemt een aanvang tussen 21 uur 's avonds en 6 uur s’ morgens."
|