|
VI. JURIDISCHE PROCEDURES
VI.1. Vorderingen ingeleid in 2002 (in chronologische volgorde)
Beslissingen van het Bestuurscomité van 04.04.2002, 23.05.2002, 04.07.2002, 07.11./2002
VI.1.1. Wet van 14 januari 2002 houdende maatregelen inzake gezondheidszorg. (B.S. 22.02.2002) – Gemeenschappelijke vordering door het VBS en de BVAS ingeleid voor het Arbitrage Hof.
1. Artikel 112 van hoger vermelde wet voegt volgende paragraaf toe aan artikel 140 van de wet op de ziekenhuizen
"§ 5 De overeenstemming tussen de beheerder en de Medische Raad, als bedoeld in §§ 3 en 4, is bindend voor de betrokken ziekenhuisgeneesheren, niettegenstaande elk andersluidend beding in de individuele overeenkomsten en benoemingsakten bedoeld in artikel 131".
Ingevolge deze nieuwe bepaling kunnen ingeval van akkoord tussen de Medische Raad en de beheerder de inhoudingen op de honoraria gewijzigd worden ongeacht wat bepaald is in de individuele overeenkomst van de geneesheren. De individuele overeenkomst van de geneesheer biedt hem dus geen enkele financiële zekerheid meer.
2. Artikel 28 van de wet van 14 juli 2002 voegt een artikel 173 bis in de GVU-wet van 14 juli 1994.
"Art. 173bis. Indien de Dienst voor geneeskundige controle of de dienst voor administratieve controle, op eigen initiatief of na melding door een verzekeringsinstelling, vaststelt dat een zorgverlener, ondanks schriftelijke aanmaning, op onrechtmatige wijze verstrekkingen aanrekent of door derden laat aanrekenen, is de betrokken zorgverlener, overeenkomstig de door de Koning te bepalen voorwaarden en modaliteiten en onverminderd de sancties en terugvorderingen bedoeld in titel VII van deze wet, een compenserende vergoeding verschuldigd.
Deze vergoeding is verschuldigd voor vaststellingen van fouten die niet uitsluitend betrekking hebben op het niet naleven van de onderrichtingen betreffende de aflevering van de facturatiegegevens op magnetische dragers, die door het Verzekeringscomité werden vastgesteld met toepassing van de bepalingen van het koninklijk besluit van 24 december 1963 houdende verordening op de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.
Deze vergoeding bedraagt 20 % van het foutief aangerekend bedrag voor een eerste vaststelling en 50 % van het foutief aangerekende bedrag in geval van herhaling binnen een periode van twee jaar.
De Koning bepaalt de bestemming en de wijze van boeking van de geïnde vergoedingen alsook het aandeel dat eventueel aan de verzekeringsinstelling wordt overgemaakt. »
Volgens de Memorie van Toelichting is deze nieuwe bepaling noodzakelijk “omdat de strafsancties en andere sancties (Titel VII van de wet) die voorzien zijn bij wet niet adequaat zijn wegens de zwaarheid van de te doorlopen procedures. De bestraffing blijft meestal beperkt tot de loutere recuperatie van de onverschuldigd aangerekende prestaties. Dergelijke toestand is ontoelaatbaar. Hij veroorzaakt frustratie bij de controlediensten. Deze bepaling strekt ertoe om zij die onrechtmatig factureren te verplichten te delen in de kosten van de controle en recuperatie. Op deze wijze wenst de Minister de controlediensten te
stimuleren."
Dit systeem is ronduit schandalig. Vooral als men weet dat heel wat problemen omtrent de toepassing van de nomenclatuur hun oorsprong vinden in de soms heel verwarrende beschrijvingen van de geneeskundige prestaties en de nog verwarrender interpretatieregels.
Het nieuwe systeem moet beschouwd worden als een soort afschrikkingsysteem. Inderdaad de geneesheer zal zich verplicht voelen om in te gaan op een mogelijks onvoldoende gemotiveerd voorstel tot minnelijke schikking om erger te voorkomen.
3. Artikel 63 en volgende van de Wet van 14.01.2002 houdende maatregelen inzake gezondheidszorg bepalen onder meer dat:
"Artikel 40 van dezelfde wet (men leze : de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987) wordt vervangen door de volgende bepaling :« Art. 40. Toestellen en uitrustingen die met toepassing van artikel 38 door de Koning als zware medische apparatuur zijn aangemerkt, mogen noch worden opgesteld, noch uitgebaat zonder voorafgaande toestemming van de overheid als bedoeld in de artikelen 128, 130 of 135 van de Grondwet. Die toestemming is vereist, zelfs wanneer de initiatiefnemer geen beroep doet op de tegemoetkoming bedoeld in artikel 46 en zelfs wanneer de investering plaatsvindt buiten een ziekenhuis of een medisch-sociale instelling.
"
"Artikel 41 De Koning kan, per toestel vermeld in artikel 38 bedoelde lijst van zware medische apparatuur, nadere regelen bepalen inzake het maximum aantal dat in gebruik mag worden genomen en uitgebaat. "
De gebruikte terminologie is heel ruim. De zware medische apparatuur kan zowel betrekking hebben op de eenvoudige echografietoestellen, de laserapparaten of, ruimer, op een laboratorium.
Het is niet aanvaardbaar dat de wet aan de Minister de bevoegdheid toekent om de lijst op te maken van de toestellen, en dus prestaties, die niet langer buiten het ziekenhuis kunnen uitgevoerd worden. Bedoelde prestaties kunnen in deze omstandigheden evenmin buiten de ziekteverzekering aangerekend worden aan de patiënt.
VI.1.2. Financiële steun van de vordering ingeleid tegen een ziekenhuisdirectie ten einde te bekomen dat tussentijdse verkiezingen zouden georganiseerd worden.
Ingevolge de gespannen relaties met de directie en na een reeks ernstige incidenten hebben de leden van een Medische Raad, met uitzondering van twee leden, waaronder de voorzitter, hun ontslag ingediend. Ondertussen zijn verschillende geneesheren werkzaam in dit ziekenhuis zonder enig advies van de Medische Raad aan de deur gezet. Het dossier werd voorgelegd aan de Nationale Commissie Geneesheren-Ziekenhuizen die in een eerste instantie een bemiddelings-rol heeft vervuld. Gezien de blijvende starre houding van de directie om tussentijdse verkiezingen voor de Medische Raad te organiseren werd het dossier overgemaakt aan het Parket. Niettegenstaande deze procedure bleef de directie van het ziekenhuis bij haar standpunt en weigerde tussentijdse verkiezingen te organiseren gezien enkele maanden later sowieso verkiezingen moesten georganiseerd worden.
Het bestuurscomité van het VBS heeft unaniem beslist om de vordering tegen de directie om hen te verplichten om tussentijdse verkiezingen te organiseren financieel te steunen. Het betreft immers een principiële aangelegenheid : de houding van de directie komt neer op de louter miskenning van de elementaire bevoegdheden van de Medische Raad.
VI.1.3. Ministerieel besluit van 3 januari 2002 houdende de erkenningscriteria voor de geneesheren-specialisten in de psychiatrie en meer bepaald de psychiatrie voor volwassenen en voor kinder- en jeugd psychiatrie (B.S. 21.02.2002)
In het kader van de slotbepalingen van dit Ministerieel Besluit wordt het MB van 29 juli 1987 tot vaststelling van de bijzondere criteria voor de erkenning van geneesheren-specialisten, stagemeesters en stagediensten voor de specialiteit van de psychiatrie en de neurologie, met uitzondering van de bepalingen met betrekking tot de neurologie opgeheven. Deze bepaling heeft tot gevolg dat alle overgangsbepalingen omtrent de neuropsychiaters eveneens verdwijnen en dit terwijl zij nog de grootste groep uitmaken. Op het totaal van 1.953 specialisten die de psychiatrie beoefenen zijn er 1.358 neuropsychiaters (69,5 %) en 595 (30,5%) psychiaters.
VI.1.4. Een vordering tot betaling van de verschuldigde bijdragen door de Beroepsvereniging der Dermatologen voor het jaar 2001 werd ingeleid voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel.
VI.1.5. Vordering ten gronde ingeleid tegen de eerste trein besparingsmaatregelen in voege getreden op 01.03.2002 (K.B. van 27.02.2002)
Een eerste trein besparingsmaatregelen is in voege getreden op 1 maart 2002. De verbonden geneesheren die binnen de 30 dagen per aangetekend schrijven gericht aan het RIZIV hun andersluidende wilsuiting te kennen hadden gegeven konden tot 31.12.2002 aan deze maatregelen ontsnappen. Het VBS en de BVAS hebben na een grondige juridische analyse van het akkoord hun leden aangemoedigd om van deze mogelijkheid gebruik te maken gezien dit het sociaal statuut niet in het gedrang bracht. Dhr. PERL, op bevel van zijn voogdijminister Minister F. VANDENBROUCKE, heeft de geneesheren verwittigd dat zij in dit geval het recht op hun sociaal statuut verliezen en zij als niet-verbonden voor hun volledige activiteit zullen worden beschouwd. Dr. J. DE TOEUF, Voorzitter van de BVAS, heeft in persoonlijke naam een kortgeding ingespannen tegen het RIZIV, ten einde zijn recht op het sociaal statuut te laten erkennen. Het RIZIV werd op 2 mei 2002 door de rechter in kortgeding in het ongelijk gesteld. Dr. J. DE TOEUF behoudt zijn sociaal statuut omdat hij in uitvoering van punt C6 van het akkoord artsen- ziekenfondsen van 18.12.2000, binnen de dertig dagen na het verschijnen van het besparings-K.B. het RIZIV zijn “andere wilsuiting” had betekend. Deze beslissing werd echter door de rechter in kortgeding zetelend in Beroep verbroken.
Deze vordering moet nog beslecht worden door de rechter ten gronde die in geen enkel opzicht gebonden is door de uitspraken van de rechter in kortgeding. In het kader van het nieuwe akkoord afgesloten op 19 december 2002 en gepubliceerd in het B.S. van 20 januari 2003 wordt echter uitdrukkelijk vermeld dat, ingeval de Minister in 2003 eenzijdig besparingsmaatregelen oplegt, de getroffen nomenclatuurnummers automatisch buiten het akkoord treden en de verbonden geneesheren bijgevolg zelf hun honorarium voor die verstrekkingen kunnen bepalen en toch hun recht op het sociaal statuut behouden. Dit punt uit het akkoord wordt wettelijk onderbouwd door artikel 225 van de Programmawet van 24.12.2002 (B.S. 31.12.2002)
VI.1.6. K.B. van 25 april 2002 betreffende de vaststelling en de vereffening van het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen. (B.S. 30 mei 2002 3de editie)
In het kader van de nieuwe ziekenhuisfinanciering worden de universitaire ziekenhuizen ons inziens onrechtmatig bevoordeligd ten opzichte van de andere ziekenhuizen. Het B7 (A en B) onderdeel van de “verpleegdagprijs” wordt gespijsd ondermeer door de afname van een bepaald bedrag van het globale honorariumbudget van de klinische biologie.
Het B7B onderdeel is bedoeld voor niet-universitaire ziekenhuizen die genieten van een financiering voor de ontwikkeling , de evaluatie en de toepassing van de nieuwe medische technologieën en/of opleiding. De voorwaarden om te kunnen genieten van deze bijkomende financiering werden echter zo opgesteld dat in praktijk geen enkel ziekenhuis kan beantwoorden aan de gestelde voorwaarden (o.m. centrale inning van alle honoraria, per 3 erkende bedden één fulltime equivalent ziekenhuisarts, meer dan 70 % van de ziekenhuisactiviteit moet uitgevoerd worden door voltijdse artsen, voor alle activiteiten moeten de verbintenistarieven worden gerespecteerd, enz.. ).
Met deze nieuwe maatregel gaat Minister F. VANDENBROUCKE lijnrecht in tegen zijn beloften gedaan ter gelegenheid van de officiële opening (20.09.2000) van de nieuwe ziekenhuisvleugel van het O.L.Vrouw- ziekenhuis te Aalst. In zijn toespraak had hij het pleidooi gehouden dat voortaan voor dezelfde activiteiten alle ziekenhuizen op een identieke manier zouden gefinancierd worden.
VI.1.7. M.B. van 1 oktober 2002 houdende wijziging van het M.B. van 3 mei 1999 tot vaststelling van de erkenningscriteria voor huisartsen.
Ingevolge hogervermeld ministerieel besluit, genomen in uitvoering van een Europese richtlijn, kunnen voortaan de kandidaat-huisartsen hun opleiding tot huisarts aanvangen na het 6de jaar geneeskundestudies. De geneesheren-specialisten kunnen hun specialistische opleiding slechts aanvangen na het 7de jaar. Er wordt alzo een discriminatie geschapen tussen huisartsen en specialisten.
VI.2 Uitspraak
Op 11 december 2002 werd door de Beperkte Kamer een uitspraak gedaan in de procedure aangespannen door het RIZIV tegen een aantal geneesheren-specialisten, waaronder enkele oogartsen en een dermatoloog, in terugvordering van de consulten ten huize van de patiënt (prestatie 103014). Vermits het een principiële zaak betrof, had het bestuurscomité beslist deze procedure financieel te steunen. De vordering van het RIZIV was gebaseerd op de niet naleving van de bepalingen vervat in de interpretatieregel 200-3/5 waarbij gestipuleerd werd dat dit consult diende te gebeuren in aanwezigheid van de huisarts.
De Beperkte Kamer heeft de vordering van het RIZIV ongegrond verklaard op basis van het fundamentele principe dat een interpretatieregel geen bijkomende voorwaarden mag opleggen. De simultane aanwezigheid van de geneesheer-specialist en de huisarts was immers niet voorzien in de nomenclatuur. De geneesheren hadden dus gehandeld conform de nomenclatuur. Deze materie werd definitief geregeld met het K.B. van 15/01/2002 (B.S. 03/07/2002) dat in voege trad op 01/09/2002. Vanaf die datum wordt uitdrukkelijk in de nomenclatuur vermeld dat de simultane aanwezigheid slechts vereist is indien dit door de aanvragende geneesheer uitdrukkelijk wordt aangevraagd. In alle andere gevallen volstaat het schriftelijk verslag van de geneesheer-specialist aan de aanvragende geneesheer.
|