|
1. Cardiologie

2. De stomatologen en de tandheelkunde


1. Eerste bedrijf : de voltreffer van de « autonome » uitoefening 

2. Tweede bedrijf : de parodontologie 
3. Gynecologie-verloskunde

4. Neurologie – Psychiatrie - Neuropsychiatrie


1. Neurologische spanning 

2. … en psychiatrische crisis 
5. Oftalmologie

XI.1. Cardiologie
De cardiologen zijn sedert het begin van het jaar 2001 betrokken bij een directe confrontatie met de minister van Sociale zaken. Een nomenclatuurbesluit van 08.12.2000 voerde een aanzienlijke reeks besparingsmaatregelen in, goed voor ongeveer een half miljard, onder vorm van schrappingen, waardeverminderingen en beperkende toepassingsregels. Dit gaf aanleiding tot een bijzonder actief verweer onder de leiding van Prof. Denis CLEMENT, voorzitter van de beroepsvereniging. Terwijl de minister een deel van de maatregelen opschortte, werden alternatieve voorstellen uitgewerkt waarbij sommige verstrekkingen als eerste de geschiedenis ingaan als "guidelines-nomenclatuur". De voorstellen werden, luidens haar voorzitter, Dr J. DE TOEUF, als dusdanig overgenomen door de TGR.
Op de valreep, nl. enkele dagen vóór de einddatum van het opschortend K.B. (01.02.2002), kwam echter aan het licht dat bij de opstelling van het nieuwe ontwerp-K.B. verscheidene vergissingen werden begaan: zo werd door een foute vertaling de terug ingevoerde verstrekking 460412/423 dan toch maar geschrapt; de omschrijving van een voor cardiologen bedoelde toepassingsregel wordt verkeerdelijk omgezet in een uiteraard totaal onbruikbare omschrijving van een pneumologische verstrekking (ergospirometrie). Mogelijks werden nog andere vergissingen begaan in dit dossier, die alle zullen moeten rechtgezet worden.
Ongetwijfeld is dit een van de neveneffecten van F. VANDENBROUCKE's passage op Sociale Zaken: de zware overbelasting van de ambtenaren van het RIZIV. We hebben inmiddels onze bemerkingen aan het kabinet VANDENBROUCKE bezorgd.
XI.2. De stomatologen en de tandheelkunde
XI.2.1. Eerste bedrijf : de voltreffer van de « autonome » uitoefening
Reeds in de somberste periode van de mond- en klauwzeer epidemie werd naarstig gewerkt aan een culturele revolutie omtrent de verhouding tandarts-arts-stomatoloog. In het eerste ontwerp van « gezondheidswet » had minister AELVOET al meteen een wijziging voorzien van de bepalingen van het KB nr. 78. Ze wou de inlassing van een art.3bis. De tandheelkunde zou opgedeeld worden in specialismen, nl. de algemene tandheelkunde, de orthodontie en de parodontologie. De wetswijziging voorzag dat, zodra de criteria bepaald waren van deze nieuwe bijzondere beroepstitels, de tandheelkunde nog slechts autonoom kon uitgeoefend worden door de houders van één van die titels, en wel onder het principe van de exclusieve uitoefening. Aangezien de licentie in de tandheelkunde een opleidingsvereiste is van de erkenningscriteria voor stomatologie, zou dit tot gevolg gehad hebben dat kandidaat-stomatologen reeds tijdens hun opleiding gekneld zaten m.b.t. de zgn. autonome opleiding van de tandheelkunde, want « exclusief » kon je die uitoefening niet noemen.
Dankzij overleg tussen de Hoge Raad van Geneesheren-specialisten en de Tandheelkundige Raad, onder impuls van Dr J.P.DERCQ, en vervolgens dankzij de tussenkomst van Dr Yolande AVONTROODT, Voorzitster van de Kamercommissie, kon ons voorstel tot aanpassing van de tekst goedgekeurd worden, en opgenomen in de Wet van 10.08.2001 (art 29 Wet houdende maatregelen inzake gezondheidszorg). De autonome uitoefening zal voorbehouden worden aan de houders van de bijzondere beroepstitels in de tandheelkunde « of aan de beoefenaars van de tandheelkunde die tevens houder zijn van het wettelijk diploma van doctor in de geneeskunde of van de academische graad van arts ».
XI.2.2. Tweede bedrijf : de parodontologie
Alhoewel de parodontologie sedert het M.B. van 26.04.1982 (B.S. 01.07.1982) een onderdeel is van de stomatologie en zelfs behoort tot de hogere opleiding (supra licentie in de tandheelkunde), werden vanuit de Tandheelkundige Raad plannen gesmeed om een bijzondere opleiding en erkenning in de parodontologie voor tandartsen te organiseren. In de oorspronkelijke voorontwerpen werden duidelijk de grenzen van de uitoefening van de geneeskunde overschreden. Na tussenkomsten bij de Koninklijke Academie van Geneeskunde, werd door Dr. J.P. DERCQ een overleg georganiseerd tussen de tandartsen-parodontologen, de stomatologen en enkele afgevaardigden van de Hoge Raad. Het kwam tot een akkoord omtrent de afbakening van het bevoegdheidsgebied dat opgenomen werd in een ontwerp MB dat inmiddels gepubliceerd werd in het BS van 29.11.2001 (M.B. van 27.07.2001).
Tot ieders voldoening, ware het niet dat plots andere problemen opdoken. Verscheidene professoren in de stomatologie ondervinden dat hun kandidaat-specialisten niet echt persona grata zijn in de paro-afdelingen van de tandheelkunde. De kandidaat-stomatologen geraken dus in de knel met de eigen opleidings- en erkenningscriteria. Bovendien wordt hier op onrechtmatige wijze het principe van de beschermde beroepstitel, nl. « niemand kan zich beroepen op een bijzondere beroepsbekwaamheid… » (art 35quater van het KB nr 78), toegepast t.o.v. de stomatologen, daar deze beroepsbekwaamheid al 20 jaar deel uitmaakt van hun hogere opleiding. Aangezien de stomatologen tot nog toe als enigen de parodontologie beoefenden in het kader van hun erkenning, zouden zij sowieso moeten kunnen aanspraak maken op de verworven rechten, en zelfs vertegenwoordigd zijn in de specifieke erkenningscommissie van de tandheelkunde-parodontologie. Het eenvoudigste is misschien nog de term parodontologie eveneens op te nemen in de stomatologische beroepstitel.
Ten bewarende titel werd door de Beroepsvereniging van de stomatologen een verzoekschrift tot nietigverklaring ingediend bij de Raad van State. Dit neemt echter niet weg dat ze bereid zijn om, met de steun van het VBS, zo spoedig mogelijk via bemiddeling met de overheid een pragmatische oplossing te vinden. Dit keer echt tot ieders voldoening.
XI.3. Gynecologie-verloskunde
De gynecologie-verloskunde krijgt in de media veel aandacht, nogal eens omwille van controversiële onderwerpen of juridische zaken, in de sfeer van de beroepsaansprakelijkheid of omwille van hun ethische aspecten.
In augustus – komkommerseizoen voor de media – stond de kunstmatige bevruchting van twee H.I.V.-seropositieve vrouwen in de belangstelling.
Naar aanleiding van de zaak PERRUCHE in Frankrijk (cfr. ons Jaarverslag 2000, I.4) beslisten de Franse gynecologen geen echografieën of andere biomedische tests op foetale schade of malformaties meer te doen. In 1982 werd de nu jongeman PERRUCHE zwaar gehandicapt geboren t.g.v. het miskennen van een rubella-infectie in het eerste zwangerschapstrimester. De ouders hadden bijgevolg niet de mogelijkheid gekregen eventueel een abortus te overwegen. Door dit vonnis van 17.11.2000 voert het Hof van Cassatie het concept in van schade gekoppeld aan het feit van geboren te zijn. Begin december 2001 besliste het Hof van Cassatie een schadevergoeding te laten uitkeren ook aan een kind dat geboren werd met een trisomie 21.
De Belgische gynecologen hebben de Overheid gewaarschuwd voor de nefaste gevolgen van het Franse arrest wat betreft de medico-legale en ethische aspecten.
Inmiddels neemt de Franse wetgever een initiatief om de gevolgen van dit vonnis ongedaan te maken. Ook in België is een dergelijk wetsvoorstel gedaan.
XI.4. Neurologie – Psychiatrie – Neuropsychiatrie
XI.4.1. Neurologische spanning …
Ten gevolge van de bekendmaking van de nieuwe reeks besparingen die minister VANDENBROUCKE op 01.03.2002 wil doen in voege treden in tal van medisch-technische sectoren (cfr. II.1.2.) klommen een aantal neurologen half januari 2002 in hun pen. Ze werden getroffen met een inlevering van 10 % op het EEG en EMG.
Een aantal neurologen wijzen op het ontbreken van een afzonderlijke vertegenwoordiging van de neurologen binnen de bestaande beroepsverenigingen. Zij wijzen op een anomalie die sinds 1992 bestaat : de neurologen krijgen één vierde minder per raadpleging dan hun (oudere) collega's die hetzelfde doen maar onder het vroeger bestaand erkenningsnummer van neuropsychiater.
Daarnaast melden zij het probleem van de neurofysiologie.
Ik herinner mij deel te hebben genomen aan vergaderingen over het dossier neurofysiologie, o.m. op 04.12.1997 en 29.01.1998. Dit debat is toen stilgevallen om twee redenen.
Eén : het moeilijk inschatten van de budgettaire consequenties vooral omdat sommigen vooral de "lucratieve" toepassingen in de neurofysiologie gebruikten, met name in de "brain-mapping" en omwille van het (ook toen al) gebrek aan financiële middelen.
En twee : de eindeloze disputen over wie de exclusiviteit van de neurofysiologie mag claimen. De neurologen, de kinderneurologen en de neuropsychiaters die in een neurologische dienst werken ? Of mogen ook fysiotherapeuten en revalidatieartsen in sommige andere disciplines als vb. ORL en oftalmo, of pediaters met de bijzondere beroepstitel in de kinderneurologie buiten een neurologische dienst de neurofysiologie beoefenen ? Of gaat men nog een bijkomende beroepstitel creëren ? Etcetera.
De vraag van de neurologen en kinderneurologen i.v.m. hun honoraria is logisch en verantwoord. Het antwoord moeten we zoeken enerzijds in de globale verhoging van ALLE honoraria voor de intellectuele acten (cfr. II.1 en mijn Jaarverslag 2000 waar onder II.1. het voorstel van de artsen in de N.C.A.Z. jaarlijks 5.250 miljoen BEF vroeg, maar we van minister VANDENBROUCKE slechts 625 miljoen kregen) en anderzijds in een analyse van de bestaande anomalieën.
XI.4.2. … en psychiatrische crisis
De controverse omtrent het al dan niet opsplitsen van de psychiatrie in een psychiatrie voor volwassenen en een kinder- en adolescentenpsychiatrie heeft de discipline in twee kampen verdeeld. De debatten zijn nog niet geluwd.
Over de ontstaansgeschiedenis van de bescherming van de titel van klinisch psycholoog, zijn quasi alle psychiaters het roerend eens. Het is onaanvaardbaar dat de psychiaters en de artsen in het algemeen volledig werden geweerd uit alle besprekingen over "de klinisch psycholoog". En het is schandelijk dat aan een consensustekst waaraan alle Belgische universiteiten en alle beroepsverenigingen hadden meegewerkt, geen enkel gevolg werd gegeven. Onze herhaalde vragen over dit onderwerp bij onze bezoeken aan minister Magda AELVOET en/of aan haar kabinetschef Manu KEIRSE in de loop van 2001, werden door KEIRSE altijd heel "psychologisch" afgeweerd.
eze explosieve situatie die de psychiatrie in onevenwicht zal brengen en die geen goede dienst betekent aan de psychiatrische gezondheidszorg, moet mijns inziens dringend opnieuw aangepakt worden.
XI.5. Oftalmologie
Om historische redenen is de oftalmologie bij de creatie van de nomenclatuur erg gierig behandeld geworden. Het is onmogelijk een achterstand van +/- 35 jaar in één klap in te lopen. Maar er werd een goede aanzet gegeven.
De bescherming van de medische eigenheid van hun beroep blijft een continu gevecht vanwege de Belgische Beroepsvereniging van Oogheelkundigen. In de loop van 2001 culmineerde deze "struggle for life" (zowel voor de patiënten als voor de oftalmo's), zich in een actie tegen de poging tot uitbreiding van de criteria betreffende de bevoegdheid en de uitoefening van het beroep van opticien vanwege de optiekers en sommige hogescholen. Naast de vakkundige démarches van de oftalmologen zelf, heeft ondergetekende, als BVAS-vertegenwoordiger in het Comité van geneeskundige verzorging van het RIZIV, zijn steentje bijgedragen om het ontwerp-K.B., dat in zijn artikel 2 en 3 de – schijnbaar onschuldige – toevoeging van de woorden "optiek - optometrie" wou toevoegen aan het bestaand K.B. van 03.07.1996, in de diepvries te stoppen. Ik hoop dat onze nota dienaangaande dd. 25.06.2001 er kan voor zorgen dat het ontwerp er niet weer uit komt vóór het vierde millennium.
|