|
1. De "ziekenhuispatiėnt" en de wet van de "oneigenlijke contracten"

2. "Iatrisme"

3. Het "ontslag" van de ziekenhuisarts

4. Met de Raad van State als bondgenoot tegen sexisme en oneigenlijke contracten

5. Het wetsontwerp houdende maatregelen inzake gezondheidszorg

6. Universiteiten en referentiecentra

7. Zorgnetwerken, fusies en afzonderlijk beheer

8. Het budget van financiėle middelen van het ziekenhuis

9. De kosten veroorzaakt door de geneeskundige verstrekkingen die niet vergoed worden door het budget van financiėle middelen van het ziekenhuis

IX. 1. De « ziekenhuispatiėnt » en de wet van de « oneigenlijke contracten ».
Op de vooravond van onze vorige algemene vergadering viel een eerste werkdocument betreffende een grondige herziening van de ziekenhuiswet in onze brievenbus. Enkele dagen later verscheen in het Staatsblad (BS 08.02.2001) het KB van 07.11. 2000 tot wijziging van het KB van 31 mei 1989 over de normen van de ziekenhuisfusies. Beide documenten gingen voor een grondige gedaanteverwisseling van het Belgische ziekenhuislandschap zorgen. Voorlopig vooral juridisch, doch spoedig ook budgettair en fysisch.
Het voorontwerp van wet, dat bestemd was om opgenomen te worden in één mega-wet over de gezondheidszorg heeft ons, het ganse jaar door, een aanzienlijke hoeveelheid werk bezorgd, met chronisch weerkerende hectische vlagen tijdens dewelke in alle haast gezocht moest worden naar steeds nieuwe argumenten en tekstvoorstellen, telkens wanneer een nieuwe, gewijzigde versie was opgedoken.
De opeenvolgende documenten werden, globaal genomen, geschreven vanuit een overwegend « anti- » mentaliteit. Ondanks alle lovenswaardige inspanningen van Dr. Jan VAN EMELEN, die als medewerker van de Eerste Minister verbonden was aan de interkabinettenwerkgroep, om de arts-vijandige houding om te buigen, bleef deze onstuitbaar. De behandelde thematiek bestond grotendeels uit een verzameling van zowat alles dat de geneesheren-specialisten in hun professionele situatie kan bedreigen of verzwakken ; het kabinet van Sociale zaken beschikt immers over goed in dit verband geļnformeerde medewerkers uit het universitair ziekenhuisbeheer enerzijds en syndicale artsenorganisaties (Kartel) anderzijds. Zoiets leidt tot een gedachtegoed dat zijn spontaneļteit moeilijk kan verbergen. We vatten zeer verkort onze inhoudelijke vaststellingen samen :
- een zwaar geprivilegieerde rol van de universitaire ziekenhuizen, met een inherent afgeleide bestemming de « perifere » gezondheidszorg te verdringen ;
- een extreem hospitalocentrisme (zoals bvb. de ambulante
« ziekenhuispatiėnt »), een streven naar verregaande machtsconcentratie in het ziekenhuislandschap ( de « zorgnetwerken » en « zorgcircuits », de individuele patiėntenrechten en de keuzevrijheid ten spijt), en onverantwoorde pogingen tot afschaffing van het afzonderlijk beheer van het ziekenhuis, alsof trustvorming bevorderend zou werken voor de volksgezondheid;
- het onmogelijk maken van extramurale specialistische zorg en medisch-technische middelen buiten het ziekenhuis;
- maatregelen betreffende het nieuwe financieringssysteem, gekoppeld aan nieuwe aantastingen van de medische honoraria en de individuele basisrechten van de ziekenhuisarts.
De enige enigszins liberale component, zorgvuldig doordesemd met een opeenstapeling van voorwaarden en beperkingen, bleek uiteindelijk de nieuwe tarievenregeling te zijn. Deze moest het omstreden artikel 50bis van de GVU-wet, dat zou geschrapt worden, vervangen.
Einde februari kwam aan het licht dat Dhr C. DECOSTER, Directeur-generaal van het Bestuur der Gezondheidszorgen van het Ministerie van Volksgezondheid uitsluitend de vertegenwoordigers van de ziekenhuisbeheerders had uitgenodigd op een overlegvergadering omtrent het voorontwerp. Dat bevestigde dan meteen de « anti »- mentaliteit, en formeel protesterend namens de 11.000 Belgische ziekenhuisartsen, stuurden we per post een ganse reeks bemerkingen.
IX. 2. « Iatrisme »
Een werkweek later plofte versie 01.03.2001 in de brievenbus. En nauwelijks was die « verteerd » of een versie 09.03 volgde, verwerkt met een reeks GVU-wijzigingen en grondige aanpassingen van het KB nr. 78 (nieuwe definitie van de verpleegkunde, en inlassing van een quasi medisch-diagnostische bevoegdheid verwervende klinisch psychologen), verwerkt in één megawet « houdende maatregelen inzake gezondheidszorg » (later zouden de rijpe en de onrijpe delen van elkaar gescheiden worden tot twee halve megawetten).
Enkele dagen later werden de werkzaamheden in het interkabinetten-overleg beschouwd als « afgerond ». Al onze in aller haast voorgestelde tekstaanpassingen, werden opzij geschoven. We gaven in een open brief van 13.03.2001 aan Premier G. VERHOFSTADT en aan Vice-Premier L. MICHEL, uiting van onze zware ontgoocheling. Begin mei zonden we een kopie aan alle volksvertegenwoordigers van de liberale fracties. Minstens 25 artikels van het ontwerp van gezondheidswet hadden onze haren ten berge doen rijzen. Het leek wel of de definitieve doorbraak van het zuil-collectivisme en een ware gauchistische revolutie door de regering « VERHOFSTADT » werd opgezet. De definitie van het begrip « ziekenhuispatiėnt » was onaanvaardbaar. We legden de nadruk op het « hospitalocentrisme in het kwadraat » van de zgn. netwerken en zorgcircuits en hekelden fel het principieel verlies ten gevolge van de verdwijning van het « afzonderlijk beheer van elk ziekenhuis ». En we tekenden ernstig verzet aan tegen de schending van de individuele burgerrechten van de ziekenhuisartsen, aangezien een (collectieve ?) afspraak tussen de beheerder (die zelf contracterende partij is) en de Medische Raad, de financiėle bepalingen van de individuele overeenkomst arts-ziekenhuis zouden kunnen wijzigen (inlassing van §5 in art. 140 van de ziekenhuiswet). Bij werknemers bepalen collectieve overeenkomsten minimumvoorwaarden, doch nooit (persoonlijke !) inleveringen, laat staan formeel ondertekende individuele contractwijzigingen .
We stelden dat deze en talloze andere maatregelen alle ingegeven waren door een stilaan groeiende politico-sociologische beleidsconstante, de uiting van een nieuwsoortige vorm van maatschappelijk reductionisme. Een collega psychiater gaf haar de naam « iatrisme ».
IX. 3. Het « ontslag » van de ziekenhuisarts
Het verschil tussen « blue » en « blues » is
de « s ». Dus schreven we op 22 maart, met kopie aan de Premier en alle leden van de regering, aan de eigenlijke hoofdauteur van het treurspel (« OI IATROI »), nl. Minister F. VANDENBROUCKE, : « In zoverre het rechtsverhoudingen tussen ziekenhuizen en ziekenhuisartsen betreft, gaat uw belangstelling uitsluitend naar het ontnemen van rechten aan ziekenhuisartsen, zelfs deze waarop elke burger normaal aanspraak kan maken. Naar uw mening is de Medische Raad wel bevoegd om in overeenstemming met de beheerder essentiėle voorwaarden van een schriftelijk contract, met name de financiėle voorwaarden, van de ziekenhuisartsen te wijzigen. Maar wat betreft de beėindiging van datzelfde contract is volgens u de verzwaarde adviesprocedure van de medische raad niet eens nodig . De ziekenhuisartsen van het ganse land kunnen niets anders dan deze houding begrijpen als intellectueel oneerlijk en als een negatieve vooringenomenheid tegen hun rechtmatige belangen.» Waarna we eisten dat eens en voor altijd elke vorm van beėindiging van de rechtsverhoudingen van de ziekenhuisarts door de beheerder dient gepaard te gaan met het verzwaard advies van de Medische Raad.
We veronderstelden dat deze laatste brief door de bestemmeling nauwelijks gelezen zou worden. Hij bleef ook onbeantwoord. We zagen in onze verbeelding de beleefde glimlach en een verveeld afwijzende blik van een deskundig medewerker. Wel ontvingen we van de Premier de ontvangstmelding van het afschrift. En meer dan een maand later vernamen we dat de Ministerraad op 30.03.2001 genotuleerd had dat het voorontwerp van wet houdende maatregelen inzake gezondheidszorg was goedgekeurd, doch zou gevolgd worden door een initiatief van de Eerste Minister i.v.m.de problematiek van de extra-murale specialisten, het ontslag van de ziekenhuisgeneesheer en de opheffing artikel 139bis (waarvan de schrapping dus voor de tweede maal in vijf jaar beloofd werd door een Eerste minister aan het artsencorps). Tevens zou in de memorie van toelichting de vermelding opgenomen worden dat het begrip « ziekenhuispatiėnt » inhoudelijk geen enkel gevolg kan hebben voor wat de aard van de rechtsverhoudingen betreft tussen ziekenhuis en arts of de rechtspersoon voor wiens rekening hij zijn beroep uitoefent in het ziekenhuis.
|