|
1. De "ziekenhuispatiënt" en de wet van de "oneigenlijke contracten"

2. "Iatrisme"

3. Het "ontslag" van de ziekenhuisarts

4. Met de Raad van State als bondgenoot tegen sexisme en oneigenlijke contracten

5. Het wetsontwerp houdende maatregelen inzake gezondheidszorg

6. Universiteiten en referentiecentra

7. Zorgnetwerken, fusies en afzonderlijk beheer

8. Het budget van financiële middelen van het ziekenhuis

9. De kosten veroorzaakt door de geneeskundige verstrekkingen die niet vergoed worden door het budget van financiële middelen van het ziekenhuis

IX. 4. Met de Raad van State als bondgenoot tegen sexisme en oneigenlijke contracten.
En daarmee kon het voorontwerp naar de Raad van State vertrekken, met wiens advies het nadien opnieuw aan de Ministerraad zou worden voorgelegd. We begrepen de boodschap als zou de « ziekenhuispatiënt » hoe dan ook in de ontwerptekst blijven, omringd met een eventueel verzachtende commentaar, evenzeer als het zonderlinge artikel waardoor de individuele contracten van burgers-artsen unilateraal zouden gewijzigd kunnen worden n.a.v. een overleg beheerder-medische raad. Eerder ontgoocheld, verkozen we toen een ongebruikelijke weg te volgen om toch minstens enkele bepalingen van het toen 181 artikels tellende wetsontwerp gewijzigd te krijgen : we bezorgden de Raad van State rechtstreeks een aantal juridische argumenten :
- « de ziekenhuispatiënt » : de ziekenhuiswet heeft geen enkele nood aan de definitie van dit begrip vermits geen enkel ander artikel van deze wet die term vermeldt. Kort samengevat (het waren twee pagina’s) voegden we eraan toe dat de « ziekenhuisarts » weliswaar gedefinieerd werd als de arts « verbonden aan het ziekenhuis », doch dat we het, op zijn zachtst gezegd, weinig ethisch vonden de patiënt ook aan het ziekenhuis te verbinden, a fortiori wanneer hij (nog) ambulant en niet opgenomen is.
- een overeenkomst tussen de Medische Raad en de beheerder die dwingende uitwerking zou hebben onafgezien van de individuele overeenkomst, was o.i. een schending van de basisrechten van elk burger.
- gelet op de snel voortschrijdende feminisering – misschien wel de enige aangename gedaantewijziging - van het medisch beroep, leek het ons onbetamelijk dat nog altijd de term « ziekenhuisgeneesheer » werd gebruikt. We vroegen die overal in de wet te vervangen door « ziekenhuisarts ».
Toen het ontwerp van de Raad van State terugkwam, bleek dat deze de afvoering van de « ziekenhuispatiënt » vroeg, doch de bepaling over de oneigenlijke contracten bleef onaangeroerd. Bovendien oordeelde de Wijze Raad vermoedelijk dat zoiets als « verbonden zijn aan een ziekenhuis » nog steeds een viriele aangelegenheid was, want het woord « ziekenhuisgeneesheer » bleef in zijn overvloedig gebruik gehandhaafd in de wet.
Later in het jaar bemerkten we nochtans hoezeer dit aspect van het ziekenhuislandschap al gewijzigd was, toen enkele vrouwelijke collegae door hun ziekenhuisbeheerder met juridisch geweld werden aangepakt, of zonder meer – al dan niet via deurwaardersexploot- werden buitengekieperd. In sommige sferen van het ziekenhuisbeheer is vandaag een metamorfose aan de gang die soms gepaard gaat met een toename van « macho » gedrag. De ouderen onder ons zullen misschien met een zekere weemoed terugdenken aan het verre verleden toen, in gans België, met een minzame glimlach « révérende mère » werd gezegd tegen de ziekenhuisbeheerder. En toentertijd kreeg men een zachte zaligmakende glimlach terug.
IX. 5. Het wetsontwerp houdende maatregelen inzake gezondheidszorg.
Gelet op de zware taakbelasting wegens het Voorzitterschap van Europa, kwam er vermoedelijk bij de allerlaatste besprekingen in de ministerraad niet veel meer terecht, althans wat dat vervelend wetsontwerp over de gezondheidszorg betreft. De tekst vertrok, weliswaar zonder de « ziekenhuispatiënt » naar de Kamercommissie, waar plots opnieuw naar onze voorstellen voor het initiatief van de Eerste Minister werd gevraagd. We hadden die reeds in mei 2001 aan zijn kabinetsmedewerker bezorgd.
1.- We vragen de aandacht voor de problematiek van de extramurale specialisten in verband met de vrijheid van de patiënt en de omkering van de ziekenhuis-aanzuigende tendensen. Als de patiënt niet langer ambulant kan verzorgd worden, wendt hij zich vrij tot een beoefenaar van zijn keuze verbonden aan een ziekenhuis, met het oog op opname. Wij vragen dat extramurale artsen op gelijke wijze behandeld worden in het kader van de zgn. netwerken en zorgcircuits. De termen «zorgaanbieders » dienen vervangen door « categorieën van beroepsbeoefenaren ». In zorgcircuits en netwerken moeten de beoefenaars van dezelfde categorie gelijk behandeld worden, zonder afbreuk te doen aan de keuzevrijheid van de patiënt. We vragen dat lichte ingrepen ook ambulant kunnen gebeuren buiten het ziekenhuis, in afwijking van de huidige K120- of N200- grens.
2.- We willen een correcte regeling voor het ontslag van de ziekenhuisgeneesheer. In art.125,7° van de ziekenhuiswet dient verduidelijkt te worden dat elke beëindiging door de beheerder het verzwaard advies van de medische raad vergt, zoals sedert 1991 wordt toegelicht door de NPCGZ . Minister F. VANDENBROUCKE zou dat inderdaad veranderd willen zien.
3.- De realisatie van de belofte van ex-premier DEHAENE, met name de schrapping van art. 139bis. Voor het geval dat geweigerd zou worden (wat we vermoeden), stelden we een redelijke, alternatieve tekst voor.
4.- Wat de eenzijdige financiële contractwijziging door de beheerder in overeenstemming met de Medische Raad betreft, stelden we de schrapping van de nieuwe bepaling voor, nl. de in te lassen §5 in artikel 140 van de ziekenhuiswet. Als dat onmogelijk zou blijken, vroegen we minstens beschermende maatregelen te voorzien. De contractwijziging mag niet discriminerend zijn, nooit toegepast worden in strijd met de algemene regeling van de rechtsverhoudingen, en evenmin wanneer een procedure van beëindiging werd opgestart. Zoniet zou het écht puur bedrog zijn. De beheerder ontslaat een arts, en in plaats van de contractuele opzegvergoeding te betalen, vraagt hij de Medische Raad in te stemmen met een zware afhouding, zoniet… moeten de artsen dan maar zelf het gelag betalen. Iatrisme…
Wat dit laatste punt betreft was (en is nog steeds) onze vrees dat de Medische Raad onder druk zal gezet worden, onder de meest uiteenlopende omstandigheden en in een eindeloze variatie van scenario’s, om zijn medewerking te verlenen aan een willekeurige beslissing van de beheerder. Het ligt voor de hand dat deze maatregel in individuele of zelfs collectieve crisis-situaties, zoals bvb. selectief ontslag, fusie- en overnameprocessen, netwerk-intriges… zou kunnen leiden tot misbruiken.
Namens de BVAS bracht ondergetekende op 25 september 2001, voor de gemengde Kamercommissies Volksgezondheid en Sociale Zaken, een door Voorzitter J. de TOEUF en mezelf opgestelde lange reeks bemerkingen voor, tijdens een zitting georganiseerd door Dr. Yolande AVONTROODT. Uiteraard hadden we hierover uitgebreid ruggespraak gehouden met het VBS.
Bij de verdere besprekingen in de Kamer werd er nog nauwelijks iets gewijzigd. De tekst werd in plenaire zitting goedgekeurd op 29.11.2001, nog steeds zonder de definitie van het begrip « ziekenhuispatiënt ». Onze bemerking dat zulks onnodig was voor een begrip dat nergens elders in de wet vermeld wordt, kreeg nog een onverwacht gevolg, want in de uiteindelijke tekst werd plots (in artikel 2, de definitie van « ziekenhuis ») het woord « personen » vervangen door « patiënten ». Zo verkregen onze van corporatisme verdachte bemerkingen uiteindelijk toch een belangrijke maatschappelijke relevantie.
Het wetsontwerp werd voor evocatie verstuurd naar de Senaat, waar het op 13.12.2001 ongewijzigd werd goedgekeurd, en terugverwezen naar de Kamer. Ondanks de dubbele goedkeuring vrezen we dat het inmiddels verstrikt is geraakt in de ravage aangericht door de discussies met de ziekenhuisbeheerders in de Task Force, onder het waakzame, doch machteloze oog van de aartsengel Gabriel. We hopen met gekruiste vingers dat de Premier de interministeriële afspraken van 30.03.2001 nog niet helemaal vergeten is.
Eén deeltje werd allerminst vergeten. Zeker van zijn stuk, trof minister F. VANDENBROUCKE reeds op 10 november 2001 zijn nieuwe B6 besluit i.v.m. de verpleegdagprijs. Het wetsontwerp was toen nog niet gestemd in de Kamer. Hij deed dit op basis van… artikel 139bis van de ziekenhuiswet. De enige wijziging die aan het beruchte artikel 139bis werd aangebracht is de vervanging van de woorden « verpleeg-dagprijs » door « budget van financiële middelen van het ziekenhuis ». En daar bleef het bij.
Het K.B. van 10.11.2001 werd toevallig gepubliceerd in het B.S. van 13.12.2001, datum van goedkeuring van het "Wetsontwerp houdende maatregelen inzake gezondheidszorg" in de Senaat.
IX. 6. Universiteiten en referentiecentra.
Artikel 4 van het in VIII.5 behandelde wetsontwerp voorziet dat « als universitaire ziekenhuizen, universitaire ziekenhuisdiensten, universitaire ziekenhuisfuncties of universitaire zorgprogramma’s » worden beschouwd, diegene die, gelet op
- hun eigen functie op het gebied van patiëntenverzorging
- het klinisch onderricht
- het toegepast wetenschappelijk onderzoek
- de ontwikkeling van nieuwe technologieën
- en de evaluatie van de medische activiteiten,
voldoen aan de voorwaarden gesteld door … de Koning en … derhalve als dusdanig bij K.B. worden aangewezen op voorstel van de Academische Overheid.
De academici verwerven dus een ruimere bevoegdheid dan de Koning zelf !
We formuleerden volgende punten van kritiek :
- De eigen functie inzake patiëntenzorg : andere dan basisklinische zorg (dus top-klinische zorg) moet elders dan in universitaire instellingen ook mogelijk zijn. We werden daarin gevolgd door een ontwerpwijziging die ook buiten-universitaire referentiecentra voorziet (artikel 56 van het wetsontwerp). Maar de contradictie (art 4) bleef gehandhaafd: vermits top-klinische zorg ook elders bestaat is er nochtans geen reden meer om dit als een specifiek voorbehouden universitaire eigenschap te behandelen. Contradictie nummer één.
- Het klinisch onderricht : in de mate dat het onderricht betreft, hoort dit niet in de federale financiering via de ziekteverzekering ; onderricht is bovendien gedefederaliseerd. Tenzij men de praktische opleiding (stages) bedoelt, in welk geval ook buiten-universitaire opleidingscentra erkend zijn. Contradicties nummer twee en drie.
- Toegepast wetenschappelijk onderzoek : hoort noch in de ziekenhuiswet, noch in de ziekenhuisfinanciering via de Z.I.V. . Hoe wordt toegepast wetenschappelijk onderzoek in de andere wetenschapsgebieden gefinancierd ? Ook dit is een gedefederaliseerde materie. Contradictie nummer vier.
- De ontwikkeling van nieuwe technologieën : behoort evenzeer tot wetenschapsbeleid en hoort geenszins in de ziekenhuiswet. Contradictie nummer vijf.
- De evaluatie van medische activiteiten : deze wordt volgens de bestaande reglementering georganiseerd door « Colleges van geneesheren » samengesteld uit vertegenwoordigers van alle betrokken beoefenaars van desbetreffende activiteit (diensten, functies, zorgprogramma’s…), onder federaal toezicht van de tripartite cel ziekenhuisbeleid. Het betreft dus geenszins een gereserveerde rol van de universitaire ziekenhuizen. Contradictie nummer zes.
Nochtans vermeldt artikel 97 van het wetsontwerp een bijkomende toelage die de specifieke kosten dekt die verband houden met voormelde « specifieke » taken. Wij begrijpen ten zeerste dat de ziekenhuissector die met een globaal financieringstekort te kampen heeft van, naar eigen zeggen, 17 miljard BEF, en de artsen die in deze instellingen werkzaam zijn, uiterst bezorgd zijn omtrent deze extreme budgettaire vrijgevigheid van de Federale Regering, ten laste van de globale begroting van de sector. Conclusie : « blue » is kleuren- en dus budget-blind. Terugwijzend naar punt II.1., is deze houding totaal onbegrijpelijk.
Reeds eerder in het jaar tekenden we bij de Raad van State verzet aan, op initiatief van onze Voorzitter Jacques GRUWEZ, in samenwerking met de BVAS en verscheidene niet-universitaire opleidingsziekenhuizen, tegen het KB van 12.01.2001 (BS 06.02.2001) dat plots voorzag in een bijzondere financiering van de opleidingsfunctie (kandidaat-specialisten) van universitaire ziekenhuizen, (op de koop toe) voorbehouden aan wie voldoet aan de voorwaarde van een overwegend (70%) gesalarieerde medische staf.
Het ligt voor de hand dat het VBS zich ook juridisch zal verzetten tegen de voorgenomen legalisering via het nieuwe artikel 4 van het wetsontwerp, van dit soort initiatieven die op vermeende, niet in het minst relevante « specifieke » eigenschappen berusten en bijgevolg een zuivere discriminatie maskeren bij de toekenning/verdeling van het globaal financierings-budget van de ziekenhuissector.
|