|
Home | VBS | Verenigingen | De Gids | Accreditering | Tarieven | Wetgeving | Verzekeringen | De Bulletijn | Hulp |
![]() |
|
Orgaan van het Verbond der Belgische Beroepsvereniging van Geneesheren Specialisten |
|
|
|
|
V.B.S. JAARVERSLAG 2001 |
|
|
|
|
|
De eerste versie onderging nog verscheidene aanpassingen tijdens de bureau-vergaderingen van de Hoge Raad. Op 05.09.2001 werd het Bureau, waaronder onze Voorzitter Prof. Dr. J. GRUWEZ, zelfs ontboden door Minister AELVOET voor een open discussie over de oncologie. Veel verder dan de zoveelste filosofische beschouwingen kwam men echter niet, precies omdat een belangrijk sluitstuk, nl. het ontwerp over de oncologische zorgprogramma's nog steeds niet voorhanden was. Onze Voorzitter heeft bij deze gelegenheid andermaal benadrukt dat het invoeren van een bijzondere beroepstitel van de internist-oncoloog geen exclusiviteitspositie aan deze laatste mag verlenen. Op 5 oktober 2001 vernietigde de Raad van State het vroegere erkenningsbesluit (M.B. van 16 april 1999 – B.S. 22.06.1999), op een verzoekschrift ingediend door de BVAS, nadat een verzoekschrift van het VBS verworpen werd omdat we slechts een zeer gedeeltelijke nietigverklaring van het M.B. gevorderd hadden (wat beschouwd werd als een wijziging van de maatregel, die niet tot de bevoegdheid van de Raad behoort). Daarnaast bleef wel het titelbesluit zelf (K.B. van 11.04.1999 tot wijziging van het K.B. van 25.11.1999 – B.S. 22.06.1999) gehandhaafd, zodat dus een bijzonder moeilijke situatie is ontstaan: enerzijds voorziet het K.B. van 25.11.1999 twee aanvullende beroepstitels, nl. "… en in de oncologie" en "…en in de medische oncologie", terwijl men anderzijds werkt aan erkenningscriteria voor de aanvullende beroepstitels van "internist-oncoloog" en "pediater-oncoloog". De Minister zal dus ook het titelbesluit moeten aanpassen. De Minister zal ongetwijfeld moeten rekening houden met sommige elementen van het arrest:"…qu'il ressort par contre du dossier de l'instruction qua la partie adverse, consciente de l'imperfection de la réglementation, envisage d'élaborer un nouveau texte "dès que les problèmes de chaque spécialité auront été identifiés"; que s'il fallait admettre, comme le soutient la partie adverse (d.w.z. de Staat), qu'il n'est pas interdit aux titulaires de spécialités non mentionnées par l'arrêté attaqué de pratiquer l'oncologie ou l'oncologie médicale dans le cadre de leur spécialité, sans pouvoir cependant en porter le titre particulier, il s'avérerait que l'acte attaqué crée, sans justification, une différence de traitement entre des médecins de compétence et d'expérience identiques ou similaires…" De nieuwe ontwerpen van aanvullende beroepstitels « internist-oncoloog » of « pediater-oncoloog » beantwoorden ook beter aan dit concept dat meer een specifieke indentiteit van practicus beoogt, dan wel het zeer ruime, transdisciplinair medisch deelgebied van de gezwelziekten als dusdanig. Het onderscheid tussen de beoefening van dit laatste in de verschillende specialismen enerzijds, en het opzet van de beschermde titelvoering anderzijds, is nu duidelijker. Een probleem blijft de achterliggende RIZIV-reglementering betreffende de terugbetaling van chemotherapiemiddelen. Sedert juni 1999 heeft die haar criteria gebonden aan de oude beroepstitels. Ook hier zal een aanpassing moeten geschieden zodat een monodisciplinaire exclusiviteit vermeden wordt. Misschien zal de beste oplossing erin bestaan een verwijzing naar de in voorbereiding zijnde zorgprogramma’s in oncologie te voorzien. Op 29.11.2001 werd het inmiddels aangepaste ontwerp MB voorgelegd aan de plenaire zitting van de Hoge Raad . Tot een formele goedkeuring bij stemming kwam het niet. Sommige aanwezige professoren veronderstelden dat het ontwerp in een herwerkte versie opnieuw zou voorgelegd worden. Anderen dachten begrepen te hebben dat de diverse tijdens de zitting gemaakte bemerkingen zouden resulteren in een teksttoilettage door het Bureau van de Raad. Gelet op het lichtelijk verward verloop van de vergadering besloten onze Voorzitter en ikzelf om nog een brief (dd. 13.12.2001) te richten aan Dr. J.P.DERCQ, Voorzitter van de Hoge Raad, teneinde een aantal noodzakelijke aanpassingen te bevestigen, die ook rekening houden met de nieuwste versie van het ontwerp KB over de oncologische zorgprogramma’s dat ter zitting werd uitgedeeld. Zo werd een duidelijke formulering voorgesteld voor de aanvulling van art 1,§1, luidend als volgt: “Tevens zijn de geneesheren-specialisten in andere inwendige disciplines, zoals de pneumologie en de gastro-enterologie, en de geneesheren-specialisten in de heelkunde, de gynecologie, de urologie, de neurochirurgie, de oto-rhino-laryngologie en andere, bevoegd in de oncologie van hun gebied.” De open opsomming eindigend op “en andere”, was bedoeld om elke uitsluiting te vermijden, een euvel waardoor het MB van 16 april 1999 meer dan twee jaar tijdverlies had veroorzaakt. De meest recente versie van het ontwerp KB over de oncologische zorgprogramma’s dateert van 1 oktober 2001. Ondanks een “gunstige” algemene indruk, blijft onze Voorzitter, met de glimlach, dit ontwerp als vreselijk betuttelend catalogeren. Waarbij hij de oevers van de Méditerrannée ergens situeerde aan de Nederlands-Belgische grens, want bij onze Noorderburen wordt deze problematiek door het beroep zelf en op de meest voluntaristische wijze georganiseerd, in een “gebruiksvriendelijke” sfeer van onderlinge gelijkheid. Daarmee legde hij meteen de vinger op de wonde. De tekst werd overheerst door een verplichte ongelijkheid tussen basiszorg (minder bekwame? bevoegde?) en de suprematie van het hoger oncologisch zorgprogramma, en een quasi verwijzingsverplichting. Op de mogelijkheid tot initiatief vanwege de specialisten van het basiszorgprogramma wordt herhaaldelijk een rem gezet, wat moet leiden tot een blijvende ondergeschiktheid van de “perifere” teams en uiteraard tot een verstarring van het systeem op zichzelf.
Die zorgvuldige kritische bemerkingen gaven aanleiding tot een verbeterde versie Het ondergeschiktheids-gen zat en zit er nog steeds in. Dat bvb. de betrokken geneesheren-specialisten vermeld worden in het opgelegde “kwaliteitshandboek” van het basisprogramma is ongetwijfeld logisch, doch dat dit gegeven vooraf de goedkeuring moet krijgen van de multidisciplinaire commissie van het Zorgprogramma voor oncologie, is een vorm van inmenging die mogelijke exclusie beoogt en niet alleen deontologisch onaanvaardbaar is, doch ook strijdig met het statuut van de ziekenhuisgeneesheer. Het principe van de schriftelijke samenwerkingsverbanden tussen het Zorgprogramma voor oncologie en een basisprogramma is duidelijk gericht op een ondergeschiktheid, te meer daar uitdrukkelijk wordt voorzien dat het gaat om “niet noodzakelijk exclusieve” banden! Dit betekent dat het (hogere) Zorgprogramma “exclusieven” mag stellen, en dat dit zelfs aanbevolen wordt. Dat de medische staf vanuit een basisprogramma met meerdere Zorgprogramma’s voor oncologie moet kunnen werken lijkt in het ontwerp als normaal beschouwd te worden. Dat vereist trouwens de keuzevrijheid van de patiënt. Maar anderzijds wordt gesteld dat een Zorgprogramma voor oncologie basisprogramma’s zou kunnen uitsluiten. Dit is onredelijk en trouwens strijdig met de keuzevrijheid van de patiënt. Men begrijpt bovendien de redenering van de Overheid niet. Van zo’n Zorgprogramma dat door de Overheid wordt erkend en gefinancierd mag toch verwacht worden dat het zijn dienstbaarheid openstelt voor elk basisprogramma. Van “basiszorg” wordt verwacht dat ze zich in alle intellectuele nederigheid onderwerpt aan de richtlijnen van het Zorgprogramma voor oncologie en haar oncologische commissie. Dat is onaanvaardbaar. Even onaanvaardbaar als het feit dat overleg en goedkeuring steeds unidirectioneel moet verlopen van het Zorgprogramma voor oncologie naar het basisprogramma, en nooit omgekeerd. Zeer recent ontvingen we de nogmaals herwerkte versie, waarin de “goedkeuring” door het Zorgprogramma voor oncologie van het kwaliteitshandboek – dat de geneesheren betrokken bij de oncologische zorg aanduidt - werd vervangen door een “overleg” tussen de artsen van het basisprogramma en het Zorgprogramma voor oncologie. De “niet noodzakelijk exclusieve” samenwerkingsovereenkomsten bleven weliswaar behouden. De discussies over de oncologie zijn dus nog niet afgerond. Maar we zien toch stilaan een lichtpuntje groeien. In de verte. |
|
|
Copyright © VBS, 1997-2004 |
|
Home | VBS | Verenigingen | De Gids | Accreditering | Tarieven | Wetgeving | Verzekeringen | De Bulletijn | Hulp |