|
Home | VBS | Verenigingen | De Gids | Accreditering | Tarieven | Wetgeving | Verzekeringen | De Bulletijn | Hulp |
![]() |
|
Orgaan van het Verbond der Belgische Beroepsvereniging van Geneesheren Specialisten |
|
|
|
|
V.B.S. JAARVERSLAG 2001 |
|
|
|
|
|
VI.1. De Hoorzittingen in het Parlement Precies op 9 januari 2001 werden in de Kamer hoorzittingen georganiseerd over de verschillende ontwerpen en voorstellen die de laatste jaren waren ingediend en waarvan we de inhoud reeds uitvoerig besproken hebben in voorgaande verslagen. Het gaf onze voorzitter, J.GRUWEZ en mezelf de gelegenheid om een globaal overzicht te maken, doch vooral onze scherpe kritiek uit te brengen over de « Conceptnota Rechten van de Patiėnt » - in feite een voorbereidende beleidsnota- van Minister AELVOET. Naast een controversiėle uiteenzetting door Dr Ivo UYTTENDAELE, Nederlandstalig Ondervoorzitter van de Nationale Raad van de Orde, die blijkbaar geen bezwaren zag tegen de directe inzage van het patiėntendossier door de patiėnt zelf, kwam vanwege alle vertegenwoordigers van de medische sector niet alleen zware kritiek, maar vooral de eis dat artikel 95, 1e lid van de wet op de landsverzekeringsovereenkomst zou geschrapt worden. VI.2. Het voorstel van de Regering VI.2.1. Eerste versie van voorontwerp.
Een nieuw, uitgebreider ontwerp (versie 01.03.2001) kwam aan het licht toen de regering ging uitpakken met een « megawet » over de gezondheidszorg. Al spoedig zou blijken dat het voorontwerp nog lang niet rijp was, zodat het verschoven werd naar een latere regeringsagenda, en besloten werd dat er twee halve megawetten zouden komen.
Een tweede ernstig bezwaar was dat niet alleen bij wet, maar zelfs door verzorgings-instellingen beperkingen aan de patiėntenrechten konden opgelegd worden. Bestaande rechten afbouwen bleek wel een zonderling object voor een wet over de patiėntenrechten. Zelfbeschikkingsrecht impliceert immers ook in het ziekenhuis een vrij keuzerecht, de keuze tussen soorten van behandeling, voortzetting of stopzetting van behandeling, de al dan niet verwijzing en het zich al dan niet wenden tot een ander beoefenaar of het inwinnen van een tweede advies. Alhoewel het gaat over een materie die een breed principieel debat vergt, werd meteen in het ontwerp een ruime verdere uitvoerings- en toepassingsbevoegdheid bij KB voorzien.
Ook was het dadelijk duidelijk dat de wijze waarop zou omgesprongen worden met medische informatie geenszins werkbaar zou zijn. De onrealistische vereiste « alle » informatie betreffende de patiėnt schriftelijk te bezorgen zou leiden tot een fenomenale overlast voor de artsen en zou elke consultatie omtoveren tot een proces-verbaal. Al even absurd bleek tenslotte de bepaling volgens dewelke de zorgverlener het dossier geheel of gedeeltelijk moest vernietigen op vraag van de patiėnt. Wat met gegevens van erfelijke belasting, die van belang zijn voor de medische behandeling van nakomelingen ? Wat met het genoteerde « informed consent » ? Wat met de elementen die noodzakelijk zijn voor mogelijke medico-legale problemen ? Over welke bewijsmiddelen mag de arts nog beschikken als de vernietiging op vraag van de patiėnt afdwingbaar is ? De persoonlijke notities van de arts bleven, in deze eerste versie van het voorontwerp, volledig vrij van inzagerecht. In een tweede versie zou dit al heel wat anders liggen VI.2.2. Tweede versie van voorontwerp: rechtstreeks inzagerecht en de Orde. In juni 2001 pakte Minister AELVOET uit met haar « gecorrigeerde » definitieve versie van het voorontwerp ; het zou naar de Raad van State vertrekken voor advies, en gehoopt werd dat in het najaar de Parlementaire besprekingen zouden kunnen aanvatten. « De Standaard » (14.06.2001) had het over « een doorbraak » en die was « uitgerekend te danken aan de Orde van Geneesheren. Die toonde aan dat het inzagerecht de relatie tussen arts en patiėnt niet doet verslechteren, maar verbeteren. » (einde citaat). Blijkbaar had de minister zeer selectief geluisterd op de parlementaire hoorzittingen van begin januari en werden alleen de persoonlijke bedenkingen van Dr. I. UYTTENDAELE in haar geheugen weerhouden, handig omgezet evenwel in een standpunt van de Orde. We hebben de Nationale Raad om een rechtszetting gevraagd met een brief van 21.06.2001 waarop we tot nog toe geen inhoudelijk antwoord ontvingen. Eind december 2001 werd ons meegedeeld dat onze vraag zal worden behandeld op 16 februari 2002. Blijkbaar houdt de Orde het bij haar standpunt (over de oorspronkelijke Conceptnota van minister AELVOET), zoals het door de Nationale Raad op 17.02.2001 officieel werd omschreven en op de website www.ordomedic.be gebracht : « Het recht op directe inzage van het medisch dossier door de patiėnt zelf ligt in het verlengde van de informatieplicht en de voorgestane open communicatie » (nb : « het recht op informatie moet leiden tot een open dialoog waarin arts en patiėnt samen zoeken naar de beste oplossing voor het gestelde probleem »). Doch principieel herhaalt de Nationale Raad dat de arts op vraag van de patiėnt alleen de objectieve gegevens uit het medisch dossier mag overhandigen. En zij voegt eraan toe dat er, naast de persoonlijke notities van de arts en gegevens omtrent derden (die van het inzagerecht zijn uitgesloten), er zich nog een reeks andere gegevens in het dossier bevindt die « noch als objectieve gegevens kunnen worden beschouwd, noch onder de categorie gegevens vallen die volgens de Conceptnota van inzage uitgesloten zijn ». Uit die verklaring blijkt duidelijk dat de Minister in haar interpretatie het zgn. bijtreden van haar politieke optie door de Orde aanzienlijk heeft overschat. Bovendien bevestigt deze laatste : « Tot vandaag was het medisch dossier enkel een werkinstrument van de arts in functie van de continuļteit en de kwaliteit van de zorg (deze frase van de Orde wordt door de minister straal genegeerd, nvdr). Het dient dan ook voorkomen te worden dat de kwaliteit van het dossier onder het inzagerecht van de patiėnt zou lijden». Inhoudelijk brengt de tweede versie van het voorontwerp weinig fundamentele verandering aan de eerste versie. Jammer genoeg zijn de « zorgverleners » nog altijd dezelfde heterogene groep waarbij de niet-conventionele praktijken voor de minister nog altijd dé diensten bij uitstek zijn zonder dewelke een wetsontwerp over patiėntenrechten onbestaanbaar wordt geacht : - De ruime uitvoeringsbevoegdheid blijft gehandhaafd. Bij KB kunnen nog altijd nadere regelen bepaald worden inzake de toepassing van de wet op nader te omschrijven rechtsverhoudingen. Ons inziens een zeer onbestemd gelaten uitvoeringsbevoegdheid. - De rechtenbeperkende rol van de verzorgingsinstellingen werd wel afgezwakt : de patiėntenrechten blijven gelden t.o.v. alle zelfstandige beroepsbeoefenaren en t.o.v. het ziekenhuis zelf en haar personeel (bedienden of statutair benoemd). - De wet kan noch altijd beperkingen opleggen aan de keuzevrijheid. - De patiėnt heeft nog altijd recht op « alle »(dus : volledige) informatie, behalve als hij uitdrukkelijk verklaart dat niet te wensen of in geval van ernstig nadeel voor de patiėnt zelf of derden. In dat geval raadpleegt de zorgverlener een ander zorgverlener en een desgevallend aangewezen vertrouwenspersoon van de patiėnt. Het verzoek van de patiėnt wordt opgetekend in het patiėntendossier. De motivering van de therapeutische exceptie moet eveneens genotuleerd in het dossier en de vertrouwenspersoon wordt ervan ingelicht. - Als de patiėnt het vraagt wordt alle informatie schriftelijk ter beschikking gesteld. - De gegevens moeten nog steeds medegedeeld worden aan een door de patiėnt aangewezen vertrouwenspersoon. Dat moet dan wel genotuleerd worden in het dossier. - De bepalingen i.v.m. het informed consent leveren aanzienlijke problemen inzake rechtszekerheid voor de arts. De toestemming is vereist voor ieder optreden. Ze wordt uitdrukkelijk gegeven, tenzij de zorgverlener dit uit « de gedragingen van de patiėnt » kan afleiden, maar dan moet hij kunnen bewijzen dat hij :
In dergelijke omstandigheden kan de zorgverlener slechts enige rechtszekerheid genieten wanneer hij, alvorens elk optreden, de patiėnt een kopie van desbetreffende notulering bezorgt en hem enige bedenktijd laat. Slechts dan kan hij mogelijks uit de « gedragingen » van de patiėnt afleiden dat hij wel degelijk al dan niet met de behandeling instemt. - De bepalingen betreffende de rechtstreekse toegang tot het dossier (nb : « onverwijld en ten laatste binnen 45 dagen »), kregen bovendien nog een staartje. Zoals hoger vermeld zijn de persoonlijke notities van de arts en gegevens betreffende derden hiervan uitgesloten. Maar de vertrouwenspersoon van de patiėnt krijgt nu wél toegang tot deze elementen. Het is slechts voor de therapeutische exceptie, gemotiveerd in het dossier ingeschreven, dat het inzagerecht dient uitgeoefend te worden door een vertrouwens-beroepsbeoefenaar (arts, tandarts, apotheker, kinesitherapeut, verpleegkundige, paramedicus, of niet-conventioneel beoefenaar) die uiteraard ook inzagerecht verwerft in de zgn. persoonlijke notities. Om echt enige privacy te genieten in zijn professioneel geheugen, zal de arts dus een derde pak vellen vol tekeningetjes (want het mogen geen notities zijn), netjes ingekaderd in de praktijkruimte moeten hangen, zodat niemand kan raden dat het iets anders is dan plastische kunst. - De patiėnt heeft recht op een afschrift van het geheel of een gedeelte van het dossier tegen kostprijs. Vermoedelijk zijn de bedekte elementen (persoonlijke notities) hiervan ook uitgesloten. Nochtans staat er geschreven dat de zorgverlener dit slechts kan weigeren als het beroepsgeheim jegens derden in gedrang kan komen. - In geval van overlijden van de patiėnt verwerven de echtgenoot, de wettelijk samenwonende partner, de partner en de bloedverwanten t.e.m. de tweede graad via een door elk van hen aangewezen beroepsbeoefenaar (arts, tandarts, apotheker enz) op hun verzoek het inzagerecht, weliswaar mits motivering. De aangewezen beroepsbeoefenaar heeft ook inzage in de persoonlijke notities. - Tenslotte werd het recht op schrapping van het geheel of een deel van het dossier weggelaten. Voorts wordt in het ontwerp het klachtenrecht i.v.m. de uitoefening van de patiėntenrechten beschreven, via een bevoegde ombudsfunctie. Een Federale Commissie « Rechten van de Patiėnt » wordt opgericht om nationale en internationale patiėntenrechtelijke informatie in te zamelen, advies te verstrekken aan de minister, o.m. omtrent de bij K.B.s uit te werken ombudsfunctie, en om de toepassing van de rechten en de werking van de ombudsfuncties te evalueren. De samenstelling en werkingsregelen zullen voorzien worden bij KB. Een evenwichtige verhouding tussen vertegenwoordigers van de patiėnten, van de zorgverleners en verzekeringstellingen wordt gewaarborgd. Inmiddels kwam het wetsontwerp nog steeds niet in de Kamer terecht. Naar verluid bestudeert de regering op dit ogenblik de verwerking van de bemerkingen van de Raad van State, waarvan de tekst ons helaas onbekend is. Een federaal-communautair bevoegdheidsprobleem i.v.m. de relatie patiėnt-verzorgingsinstelling zou hier een ingewikkelde juridische klus vormen die voor enige onenigheid zorgt.. |
|
|
Copyright © VBS, 1997-2004 |
|
Home | VBS | Verenigingen | De Gids | Accreditering | Tarieven | Wetgeving | Verzekeringen | De Bulletijn | Hulp |