Home | VBS | Verenigingen | De Gids | Accreditering | Tarieven | Wetgeving | Verzekeringen | De Bulletijn | Hulp 

De Geneesheer-Specialist

Orgaan van het Verbond der Belgische Beroepsvereniging van Geneesheren Specialisten

V.B.S. JAARVERSLAG 2001

Vorige artikel VorigeInhoud van dit nummer InhoudVolgende artikel Volgende

 
III. DE TASK FORCE PERL
 


1. 11 september 2001 : agenda voor verandering in de gezondheidszorg
2. De opstartfase
3. De Task Force installatie
4. De werkzaamheden tot de dead-line van 31.10.2001
1. Overbelasting van de actoren en van de administratie
2. Task Force Number One : het individueel responsabiliseren van artsen
3. Task Force Number Two : klinische biologie, medische beeldvorming, dialyse, referentiebedragen
1. Klinische biologie
2. Medische beeldvorming
3. Dialyse
4. Referentiebedragen chirurgische ingrepen
4. Task Force Number Three : normering en kostenverdeling
5. De reactie van de Regering dd. 14.11.2001
6. De afloop : woordbreuk van de ziekenhuisbeheerders
7. En de conclusies van de ministers dd. 29.01.2002

III.1. 11 september 2001 : agenda voor verandering in de gezondheidszorg 

Luttele minuten vóór de eerste Boeing zich op 11 september 2001 in de eerste toren van het World Trade Center in New York boorde, startte Frank VANDENBROUCKE een persconferentie over zijn beleidsnota “Agenda voor verandering in de gezondheidszorg” waarmee hij de Belgische gezondheidszorg drastisch wou veranderen. 
Terwijl de wereld in opschudding was over de grootste en meest moorddadige terroristische aanslag ooit, startte Medico-mut voorzitter Gabriel PERL in opdracht van de minister een strak scenario om een Task Force op poten te zetten met artsen, mutualiteiten en ziekenhuisbeheerders, die binnen de drie weken een eerste verslag moest uitbrengen en die drie weken later concrete operationele voorstellen moest overmaken over de drie uitdagingen die de minister in zijn beleidsnota als volgt omschreef :

“1. Het terugdringen van individuele praktijkverschillen tot een aanvaardbaar niveau van variatie ten opzichte van wetenschappelijk gefundeerde objectieve maatstaven. Deze praktijkverschillen zijn niet alleen aanzienlijk op individueel niveau maar ook op geaggregeerd niveau : arrondissement, provincie, gewest.
2. Het uitschakelen van mechanismen die er toe leiden dat zowel beheerders als ziekenhuisartsen baat vinden bij ondoelmatig gebruik van gezondheidszorg
3. Het ontwikkelen van technieken waardoor de voorschrijver en verstrekkers individueel geresponsabiliseerd worden voor de door hen aangewende middelen en gegenereerde kosten”.

De voorstellen van de Task Force zouden worden getoetst aan de hand van zeer concrete vragen i.v.m. enkele goed gedocumenteerde voorbeelden :

  • Zullen de voorstellen er toe bijdragen dat de vastgestelde verschillen op vlak van preoperatieve onderzoeken bij appendectomie teruggebracht worden tot een aanvaardbaar niveau ?

  • Zullen de voorstellen er toe leiden dat de vastgestelde verschillen inzake voorschrijven van antibiotica daadwerkelijk verminderen ?

  • Zullen de voorstellen er toe leiden dat in elk ziekenhuis een aanvaardbaar percentage wordt bereikt aan alternatieve vormen van dialyse ?

  • Zullen de voorstellen er toe leiden dat de aanzienlijke verschillen inzake voorgeschreven bedrag en aantal acten voor klinische biologie teruggebracht worden tot een aanvaardbare variatie ?

  • Zullen de voorstellen er toe leiden dat de aanzienlijke verschillen inzake voorgeschreven bedrag en aantal acten voor medische beeldvorming teruggebracht worden tot een aanvaardbare variatie ?

III.2. De opstartfase

Van bij de eerste vergadering van de voorloper van de TASK FORCE, met enkele artsen (6) en mutualiteitsbonzen (6), leden van de Nationale Commissie Artsen-Ziekenfondsen op 21.09.2001, was het bijzonder duidelijk dat zowel de voorzitter als de administratie opdracht hadden gekregen een tekst te doen goedkeuren die door het kabinet – of de minister zelf - werd geschreven.
De werkdocumenten moesten ultra vertrouwelijk worden behandeld. 

Op 26 september kwam de voorloper van de Task Force nogmaals samen om de tekst grondig aan te passen. Op 28 september werden de ziekenhuisbeheerders apart door voorzitter PERL ontvangen en geconfronteerd met het “vertrouwelijk interim rapport” van de embryonaire Task Force. De ziekenhuisbeheerders waren zeer ontstemd dat ze niet van in den beginne bij de Task Force betrokken waren.

Op 04.10.2001 werd het “Definitief interimverslag” aangaande de agenda voor de verandering in de gezondheidszorg met de antwoorden “goedgekeurd door de artsenorganisaties en de ziekenfondsen” opgesteld. Exact binnen het ultimatum gesteld door Frank VANDENBROUCKE. Elk woord in de aanhef van het verslag heeft een eigen verhaal. Een “definitief interimverslag” klinkt als een contradictio in terminis, maar is het niet. “Goedgekeurd door de artsenorganisaties en de ziekenfondsen” is sterk te relativeren. De teksten werden nooit voorgelegd laat staan goedgekeurd door de Nationale Commissie Artsen-Ziekenfondsen. “De” artsenorganisaties werden beperkt tot 3 BVAS en 3 KARTEL-leden, die verbod kregen, - en trouwens in de praktische onmogelijkheid waren wegens de tijdsdruk – om de teksten vrij te geven en dus om er met hun achterban over te overleggen. “De” mutualiteiten werden beperkt tot de christelijke, socialistische en onafhankelijke.

III.3. De Task Force installatie

Op 08.10.2001 startte dan de eigenlijke Task Force, d.w.z. representatieve artsenorganisaties, mutualiteiten en ziekenhuisbeheerders. De ziekenhuisbeheerders hadden hun ideeën bij het “definitief interimverslag” van 04.10.2001 en hun niet-betrokkenheid van bij de aanvang in een reeks documenten neergepend. Enkele citaten :

* VVI-nota (03.10.2001) “Modify or mummify” (pag. 11) “In de wanordelijke ophoping van overlegorganen, inbegrepen de verheerlijking van de medico-mut en de minorisering van de ziekenhuizen zijn het gezondheidssysteem en a fortiori de bevolking niet gebaat.”

* Standpunt Belgische Vereniging van Ziekenhuizen (L. TIELEMANS, 05.10.2001)
“Men is in België, ondanks de grote verdiensten van de veralgemeende ziekteverzekering in 1963 ook in een cultuur terechtgekomen waarbij de arts op een quasi onbeperkte (en onbesproken) vrijheid van diagnose en therapie teert. In deze cultuur was tot het begin van de jaren 90 elke detailstudie over consumptie onmogelijk gemaakt. Nog steeds is de nomenclatuur (overeengekomen opgesteld tussen verzekeraars en artsen) een vrij te gebruiken “woordenboek” van prestaties. Gebruiksregels, schema’s, guidelines, ontbreken praktisch altijd in deze “vrijheidscultuur”. ….”
… “Verandering hierin dreigt tijd te vergen en men kan zich de vraag stellen hoe ver de verantwoordelijkheden van de absolute vrijheid geloofwaardig zijn in hun huidige voorstellen. Ervaringen in weinig effectief werkende profielcommissies voor geneesheren-specialisten, accrediteringscommissies en farmanetstuurgroep bevestigen alleen maar deze indruk “
.

* VOV-AEPS (01.10.2001) (Verbond van Openbare Verzorgingsinstellingen)
“De VOV-AEPS is van mening dat fundamentele problemen moeten worden aangepakt met fundamentele oplossingen. Indien het echt de bedoeling is de gezondheidszorg toegankelijk te houden – dit is een stelling waar wij als openbare ziekenhuizen niet van willen afwijken – moet men durven afstappen van een prestatie geneeskunde en moet gespecialiseerde medische hulpverlening geïntegreerd blijven in de ziekenhuisomgeving …”
…” Gezondheidszorg betekent een globale aanpak van een patiënt als individu, niet enkel de behandeling op een of andere manier van een diagnose. Het is voor de VOV-AEPS dan ook duidelijk dat de vergoeding per medische prestatie en de kostenverrekening per geneesmiddel moet worden vervangen door meer globale betalingsvormen die rekening houden met de aard van de aan de patiënt verstrekte zorgen.”

* AFIS (Association Francophone d’Institutions de Santé) (05.10.2001)
” Par ailleurs, la Belgique reste un des seuls pays européens où les médecins hospitaliers restent rémunérés à l’acte. La multiplicité des sources de financement de l’activité hospitalière empêche une gestion efficace des ressources au sein de l’hôpital. Il faut s’inscrire résolument dans un mode de financement plus cohérent sur base d’un budget global intégrant les frais de fonctionnement, les honoraires et les médicaments. Le financement par budget global doit être ouvert à toute institution qui le désire. Il faut mener cette réflexion parallèlement à la réflexion sur le statut du médecin hospitalier évoqué ci-dessus.” 

* Cobeprivé (04.10.2001)
“Développer des techniques responsabilisant les prescripteurs et les prestataires au niveau individuel pour les moyens utilisés et les frais générés. De nouveau, la réponse à ce défi est de la compétence exclusive des médecins.
A noyer qu’une réelle responsabilisation des actes médicaux ne peut se concevoir sans un accès libre à tous les équipements, ce qui n’est pas le cas aujourd’hui : les hôpitaux et les médecins ne veulent plus du dirigisme et de l’arbitraire – conséquences de lobbying politique et idéologique – qui caractérisent l’actuelle politique ministérielle en matière de programmation et d’agrément”
.

* De nota’s die Dr. Bart VAN DAELE (K.U.Leuven) als voorzitter van de Raad voor Universitaire Ziekenhuizen (R.U.Z.) ter voorbereiding van de vergadering van de Task Force toestuurde, waren vooral georiënteerd naar de B-7 financiering, m.a.w. naar een speciaal voor de universitaire ziekenhuizen gecreëerd onderdeel van de verpleegdagprijs. Besparingsmaatregelen van minister VANDENBROUCKE in de medische honoraria (cfr. tabel 5) – door de U.Z. voor hen geraamd op 1 miljard BEF – kunnen zonder blikken of blozen voor de universitaire ziekenhuizen geneutraliseerd worden via financiële injecties in het B7-deel van de verpleegdagprijs.

De toon was gezet, maar voorzitter PERL deelde de plenaire Task Force onverstoorbaar in drie werkgroepen in.

De werkgroep 1 moest het “Individueel responsabiliseren van artsen” uitwerken onder leiding van Jo DECOCK, de RIZIV-administrateur-generaal, van CD&V-strekking en, volgens het weekblad KNACK van 19.09.2001, niet geslaagd in de assessment-proef van het SP-geïnspireerde Copernicusplan dat topambtenaren moet evalueren en eventueel (her-)benoemen.

Werkgroep 2 moest vernieuwingen uitwerken in verband met klinische biologie, medische beeldvorming, dialyse en referentiebedragen voor “standaard” chirurgische ingrepen.
Op eis van minister Magda AELVOET, werd François PRAET, Directeur-generaal van de Dienst Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, geflankeerd door UCL-professor Guy DURANT als co-voorzitter.

De Landsbond der Onafhankelijke Ziekenfondsen (L.O.Z.) protesteerden vruchteloos bij minister VANDENBROUCKE tegen de aanstelling van Prof. DURANT. De L.O.Z. schreef aan minister VANDENBROUCKE dat het weinig geloofwaardig overkomt dat als co-voorzitter van een werkgroep, die ondermeer de praktijkvariabiliteit tussen ziekenhuizen moet onderzoeken, de administrateur-generaal van de universitaire ziekenhuizen St. Luc van de UCL werd aangesteld, een ziekenhuis waar de L.O.Z. reeds meermaals vragen stelde over bepaalde factureringspraktijken, zoals bij hartcatheterisaties (juli 1998), wondhechtingen (Fax medica 1) en risicobevallingen (Fax medica 2).

Werkgroep 3 moest voorstellen doen inzake de herziening van ziekenhuisnormen en de kostenverdeling artsen-ziekenhuisbeheerders, zeg maar artikel 140 van de ziekenhuiswet. Christiaan DE COSTER, directeur-generaal van het Bestuur der gezondheidszorgen van het ministerie van Volksgezondheid, ook van CD&V-strekking en (volgens KNACK van 19.09.2001) eveneens “out” voor een topfunctie in de volgens het Copernicusplan hervormde overheidsdienst, werd als voorzitter aangesteld om door dit mijnenveld te trekken.

Met de werkgroep 4 waarvan sprake in sommige documenten, wordt in feite de Technisch Geneeskundige Raad (T.G.R.) bedoeld. Via de nomenclatuur diende hij, volgens de Regeringsverklaring, 1.600 miljoen besparingen te realiseren vóór 15.12.2001, volgens de Programmawet van 30.12.2001 (B.S. 31.12.2001) 40 miljoen euro vóór 31.12.2001.

 

Vorige artikel VorigeInhoud van dit nummer InhoudVolgende artikel Volgende

Questions & Comments

Copyright © VBS, 1997-2004

  Home | VBS | Verenigingen | De Gids | Accreditering | Tarieven | Wetgeving | Verzekeringen | De Bulletijn | Hulp