|
VIII. Het ziekenhuislandschap
VIII.1. Artikel 128 bis van de ziekenhuiswet: de mededeling van statistische en
boekhoudkundige gegevens aan de Medische Raad.
Half februari ontving het Secretariaat van de Nationale Paritaire Commissie
Geneesheren-Ziekenhuizen (NPCGZ) een ontwerp KB tot uitvoering van art 128bis van de wet
op de ziekenhuizen, tot nadere bepaling van de inlichtingen (statistische en
boekhoudkundige) die de ziekenhuisbeheerder moet verstrekken aan de medische raad. Het was
bedoeld als een tegemoetkoming naar de geneesheren toe, zoals trouwens ook al bleek uit de
eerste zin van een begeleidende brief die collegiaal was ondertekend door de ministers van
Volksgezondheid en van Sociale Zaken, M. AELVOET en F. VANDENBROUCKE: " Reeds
verscheidene jaren wensen de ziekenhuisgeneesheren nauwer te participeren aan het beheer
van het ziekenhuis teneinde de medische continuïteit en kwaliteit te verzekeren".
Het werkelijke opzet werd wel enigszins anders gemotiveerd, nl. de administratieve last
van de beheerder niet verhogen, en mogelijks onnuttige gegevens weglaten. Daarbij werd in
elk geval het principe gehuldigd van de "niet-identificatie van individuele
gegevens". De overdracht van gegevens zou (slechts) éénmaal per jaar gebeuren en
gevolgd moeten worden door een mondelinge toelichting door de beheerder, via het
overlegcomité als dit in het ziekenhuis bestaat, zoniet op initiatief van de medische
raad die de beheerder uitnodigt.
Tevens was een KB-ontwerp tot uitvoering van art 137 van de ziekenhuiswet bij het
bundeltje gevoegd , teneinde uniforme boekhoudkundige regels te bepalen voor de werking
van de centrale inningsdienst van de honoraria.
De NPCGZ besprak de ontwerpen op 3 maart, 14 maart, 28 maart en 18 april. Het eerste
KB-ontwerp bevatte wel enkele bepalingen die technische vragen uitlokten, zoals o.m.
-de (verplichte) mededeling van het percentage van de erelonen dat aan de ziekenhuizen
toekomt voor de verschillende diensten, inbegrepen voor "het geheel van de
raadplegingen (totaal van de kostenplaatsen 840 tot 899)", waar deze honoraria
meestal buiten de centrale inning vallen. Er werd dus gevraagd om ook een andere wijze van
mededeling te voorzien.
- de medische raad moest de vertrouwelijkheid van de gegevens respecteren en mocht ze in
geen geval buiten de medische raad verspreiden. Vandaar de terechte vraag vanwege de
geneesheren omtrent de mogelijkheid voor de medische raad om zich te laten bijstaan door
een extern deskundige, welke uiteraard tot discretie gehouden is. Dit is ten andere in de
huidige situatie trouwens een recht van elke geneesheer die redenen kan aanvoeren om het
bedrag van de afhoudingen op zijn honoraria te betwisten.
Van meet af aan bleek de bank van de ziekenhuisbeheerders behoorlijk verdeeld. Sommigen
zagen geen bezwaren in het KB-ontwerp. Anderen, vooral de vertegenwoordigers van het VVI,
vonden dit onaanvaardbaar en kwamen aandraven met tegeneisen. Ze voerden aan dat
dergelijke maatregelen een "escalatie van vragen en eisen" zouden veroorzaken en
de "bestaande uitwisseling van gegevens zouden verstrammen". Ze eisten :
- ofwel algemene verplichte centrale inning van de poliklinische activiteiten, ofwel dat
de transparantie zou gerelateerd worden tot de graad van integratie in het ziekenhuis,
d.w.z. gegevensmededeling mits centrale inning van de poliklinische activiteiten.
- het erkennen (door de medische raad) van de ziekenhuisrevisor als een volwaardig en
betrouwbaar gesprekspartner en het niet in vraag stellen van de voor echt verklaarde
gegevens die door de revisor worden overgemaakt.
Van een extern deskundige voor de medische raad kon voor het VVI geen sprake zijn! Dit
staat nochtans uitdrukkelijk in art 32, §1,1° van het KB van 10.08.1987 over de Medische
Raden.
Uiteindelijk gaven de discussies aanleiding tot een verslaggeving vanuit de NPCGZ waarin
de verschillende standpunten werden opgenomen. Het document werd als dusdanig aan de
ministers bezorgd. Wel kwam er een eenparig gunstig advies over het KB tot uitvoering van
art 137 van de ziekenhuiswet.
Inmiddels verscheen in de sociale programmawet van 2 januari 2001 (B.S. van 03.01.01 2e
editie) een artikel 60 tot wijziging van art 128bis. De toelichting is overduidelijk:
"In de huidige versie van art.128bis wordt gestipuleerd dat de Koning, overeenkomstig
nader door Hem te bepalen regels, kan bepalen welke financiële of statistische gegevens
door de beheerder moeten worden medegedeeld aan de Medische raad van een ziekenhuis. De
voorgestelde wijziging strekt ertoe om de Koning de bevoegdheid te verlenen om ook de
voorwaarden vast te stellen." Men kan zich dus verwachten aan een vernieuwde,
geconditioneerde versie van het oorspronkelijk ontwerp, met uiteraard vernieuwde
discussies in de schoot van de NPCGZ rond deze gevoelige problematiek .
VIII.2. De sociale akkoorden en het onderdeel B6 van het
ziekenhuisbudget.
De discussies omtrent nieuwe sociale akkoorden voor de non-profit sector in de loop van de
maand februari 2000, liepen op 01.03.2000 uit op een ware onderhandelingsconclaaf, tijdens
dewelke de partijen in de nachtelijke uren tot de vaststelling kwamen dat men was vergeten
de artsen bij de besprekingen te betrekken. Immers een deel van het personeel van de
verzorgingsinstellingen wordt vergoed uit de medische honoraria. De regering besloot dan
maar de weerslag van de sociale akkoorden voor dit personeel integraal te vergoeden via de
verpleegdagprijs.
Enkele maanden later pakten de ministers AELVOET en VANDENBROUCKE echter uit met een
K.B.-ontwerp dat zo goed als identiek was aan datgene dat destijds (K.B. 29.09.1992) door
de toenmalige minister van Sociale Zaken, Philippe MOUREAUX, werd voorzien, nl. een
graduele toekenning van de additionele gedeeltelijke vergoedingen, naargelang aan een
aantal voorwaarden inzake centrale inning van de honoraria, mededeling van financiële
gegevens en zgn. integratie van de medische activiteit, wordt voldaan. De Raad van State
had dit K.B. destijds nietig verklaard, wat tot gevolg had dat dan maar door de regering
DEHAENE art 139bis in de ziekenhuiswet werd opgenomen (K.B. 16.04.97, bekrachtigd bij wet
van 12.12.97, ondanks de belofte van de toenmalige premier, enkele maanden later, dit
terug in te trekken). Het B6 besluit bleef dode letter, maar de B6-vergoedingen bleven
desalniettemin onverstoord verder uitgekeerd worden, acht jaar lang, in totale
onwettigheid.
Met het nieuwe B6-ontwerp pleegden de ministers een formele woordbreuk, vermits ze de
volledige vergoeding van financiële weerslag van de sectoriële akkoorden
onvoorwaardelijk hadden toegezegd. Dat was ook de reactie van beide banken in de schoot
van de NPCGZ toen haar het ontwerp op 18 september 2000 werd voorgelegd. Dit laatste werd
trouwens met eenparigheid verworpen. De ziekenhuisbeheerders oordeelden dat de in het
ontwerp voorziene voorwaarden niet konden verwezenlijkt worden en hoe dan ook niet tot de
afspraak hoorden. Sommigen vonden trouwens dat het nonsens was de volledige toekenning van
de B6-vergoeding te koppelen aan de voorwaarde dat de artsen in dienstverband moeten
werken. Bovendien werd door ons de aandacht gevestigd op een verre van onschuldige
tekstwijziging. Het betrof immers "de kosten die het gevolg zijn van de bijkomende
voordelen voorzien in de sectoriële akkoorden, die toegekend worden aan het personeel dat
geheel of gedeeltelijk rechtstreeks ten laste van de honoraria wordt
gefinancierd
" Voor deze omschrijving was het omstreden art. 139bis niet ééns
nodig geweest, want de bedoeling daarvan was precies ook de onrechtstreekse toerekening
mogelijk te maken. Het ganse effect van de sectoriële akkoorden zou dus, wat betreft de
indirect doorgerekende personeelslast, wel door de artsen moeten betaald worden. Dit was
dan meteen een tweede woordbreuk!
Na advies van de Nationale raad voor ziekenhuisvoorzieningen (NRZV), zou minister
VANDENBROUCKE besloten hebben de nieuwe B6-regeling onvoorwaardelijk bij KB te regelen.
Inmiddels verscheen reeds in de sociale programmawet van 2 januari 2001 (BS 03.01.01) een
artikel 61 waarbij de toegekende B6-uitkeringen voor de periode 1992 t.e.m.2000 door de
ziekenhuizen verworven blijven. Toch kan men niet anders dan deze maatregel als
discriminerend beschouwen, vermits de ziekenhuizen die niet aan alle voorwaarden van het
nietig verklaarde B6-besluit van minister MOUREAUX voldeden, een belangrijk deel van hun
rechten hebben verloren, zonder enige rechtsgrond. De B6-regeling naar de toekomst toe,
voor de uitvoering van de sectoriële akkoorden van mei 2000, moet nog bij KB voorzien
worden.
VIII.3. De afzetting
Ondanks de overduidelijke toelichting die J.L.DEHAENE als toenmalig minister van Sociale
Zaken gaf in een historische brief van 16 april 1986 aan VBS-voorzitter G. DES MAREZ,
blijken sommige rechtbanken af te wijken van het verplicht voorafgaand advies van de
Medische Raad. Voor de rechtszekerheid van de medische staf is het dan ook van het
grootste belang dat de toepassing van het verzwaard advies van de Medische Raad in geval
van beëindiging van de rechtsverhoudingen met een geneesheer, uitdrukkelijk in de
algemene regeling van de rechtsverhoudingen wordt voorzien.
Ingaand op een suggestie van Dhr. C. DECOSTER, Directeur-generaal van het Ministerie van
Volksgezondheid en destijds medewerker op het kabinet DEHAENE, nodigde minister van
sociale zaken VANDENBROUCKE de Nationale Paritaire Commissie Geneesheren-Ziekenhuizen uit
om haar omzendbrief van 8 november 1991 betreffende de procedure ter beëindiging van de
rechtsverhoudingen tussen de beheerder en de ziekenhuisgeneesheer te actualiseren in het
licht van de thans voorhanden zijnde rechtspraak (brief dd. 23.10.2000). De bespreking
hiervan kon nog niet afgerond worden en werd verdaagd tot een latere datum.
Het ASGB, dat reeds eerder pleitte voor een wijziging van de ziekenhuiswet, stelde
recentelijk voor om art 125, 7° dermate aan te passen dat voor elke vorm van beëindiging
van de rechtsverhouding tussen de beheerder en de ziekenhuisarts het versterkt advies van
de Medische Raad zou gelden, behalve voor de beëindiging van rechtswege en de
beëindiging in onderling akkoord.
Woorden kunnen ook hier misleidend zijn. De algemene regeling van de rechtsverhoudingen
moet tot stand komen onder het verzwaard advies van de Medische Raad. Is het dan
verkieslijker de bepaling van de inhoudelijke interne negociatieruimte over te laten aan
een wettelijk intiatief ? Met de huidige machtshebbers op Volksgezondheid en Sociale Zaken
kan dit alleen maar leiden tot de afbouw van het luttele restje betrokkenheid van de
geneesheren bij het beheer van hun ziekenhuis. Is zoveel vertrouwen in de
artsvriendelijkheid van de politieke wereld wel verantwoord? Zelfs met geschreven woorden
van ex-eerste ministers wordt geen rekening meer gehouden !
Bovendien begaat het ASGB een zware vergissing met de uitzondering van "beëindiging
van rechtswege". Er zijn vermoedelijk in dit land voldoende beheerders met
fusieplannen die niet liever willen dan de rechtsverhoudingen met hun artsen van
rechtswege beëindigd te zien in geval van fusie of overname. In de huidige woelige
herstructurering van de ziekenhuissector, die nog lang niet is uitgedeind kan men
dergelijk initiatief missen als kiespijn. Wanneer we de ideeën dienaangaande van
ASGB-Ondervoorzitter J.P BAEYENS in herinnering brengen (cfr VIII.4), ziet zelfs een
blinde meteen dat dergelijk intiatief kan gelijkgesteld worden met collectieve zelfmoord
voor twee derden van de Belgische ziekenhuisartsen.
VIII.4. Koninklijke, universitaire en basisziekenhuizen
Via een interview met "Vers l'Avenir" (17.04.2000) liet minister AELVOET
uitschijnen dat ze een strikte hiërarchisering wou tussen universitaire en regionale
ziekenhuizen.
Het moment was niet ideaal gekozen, vermits Albert II net voor een cardiale ingreep in het
O.L.Vrouwziekenhuis te Aalst verbleef.
In alle media ontstond een uitgebreide polemiek.
"Welke toekomst voor de universitaire ziekenhuizen in België ?" vroeg Dr Bart
VANDAELE, algemeen directeur U.Z.K.U.Leuven zich vertwijfeld af in De Standaard
(20.04.2000).
Zijn stelling luidt dat het op korte termijn geen ramp is wanneer Universitaire
Ziekenhuizen worden afgeschaft. "Maar over 5 of 10 jaar zullen we ons helemaal aan de
staart van de Europese Unie bevinden wat betreft innovatie en ontwikkeling". De
meeste reacties waren dat universitaire ziekenhuizen steun verdienen vanwege de overheid
voor onderzoek en ontwikkeling, maar dat ze geen recht hebben op monopolies. De vraag of
de 10,2 miljoen Belgen 8 universitaire ziekenhuizen, horende tot 7 universiteiten, nodig
heeft werd eveneens herhaaldelijk gesteld.
Bij de inhuldiging van een nieuwe vleugel in het O.L.Vrouwziekenhuis te Aalst op
20.09.2000, waar ook onze Voorzitter Prof. GRUWEZ een boeiende en goed gedocumenteerde
toespraak hield, liet minister VANDENBROUCKE verstaan dat niet-universitaire ziekenhuizen
zich ook een universitaire status mogen aanmeten, maar dan op voorwaarde dat de artsen
gesalarieerd worden. De minister had het er ook over "DRG-creep" en
"DRG-engeneering" waarbij het DRG-systeem wordt "geoptimaliseerd" en
waarvoor hij straffen in het vooruitzicht stelde en een activiteitsgebonden financiering
gebaseerd op het APR-DRG-systeem.
In een brief aan de "Werkgroep basisziekenhuis" schreef ASGB-ondervoorzitter
Prof. Dr. J.P. BAEYENS op 29.09.2000 dat hij niet inziet waar een laagdrempelig
basisziekenhuis ("hôpital de proximité") nog goed voor is. De tijd van (ik
citeer) "de koekedoosziekenhuizen" is voorbij. Ze moeten volgens hem - wegens te
duur - plaats maken voor goed gestructureerde huisartsencentra. Alleen middelgrote en
derdelijns universitaire ziekenhuizen hebben nog bestaansrecht. De kleine ziekenhuizen
"bedriegen de bevolking met nep-diensten in nep-ziekenhuizen". Hij ziet de
oplossing in het Nederlands model met 50 ziekenhuizen voor 16,1 miljoen inwoners of,
overge-ent op België, 32 ziekenhuizen voor de 10,2 miljoen Belgen. De wachtlijsten voor
de Nederlandse patiënten en de burn-out bij hun artsen neemt hij er blijkbaar graag bij.
De werkgroep is gelukkig nog niet tot conclusies gekomen.
|