Home | VBS | Verenigingen | De Gids | Accreditering | Tarieven | Wetgeving | Verzekeringen | De Bulletijn | Hulp 

De Geneesheer-Specialist

Orgaan van het Verbond der Belgische Beroepsvereniging van Geneesheren Specialisten

V.B.S. JAARVERSLAG 2000

Vorige artikel VorigeInhoud van dit nummer InhoudVolgende artikel Volgende

 

VII. Urgentiegeneeskunde

VII.1. Erkend tegen de zin van de bevoegde ministers

Op 28.01.2000 (KB 19.01.2000) verschenen de lijsten van de erkende gespecialiseerde spoedgevallenfuncties in het Belgisch Staatsblad. Ongeveer 145 diensten werden erkend, in toepassing van de normen uitgevaardigd door voormalig minister Marcel COLLA. De Nationale Raad voor Ziekenhuisvoorzieningen (NRZV) had op 16.12.1999 een advies uitgebracht waarin de programmatie van de diensten afgewezen werd en een evaluatie werd aanbevolen van de activiteiten, de werking van de diensten en een behoeften-onderzoek.

VII.2. De beleidsnota van de ministers M. AELVOET en F. VANDENBROUCKE dd. 20 juni 2000

Nauwelijks was de inkt van de erkenningsbesluiten droog, zegt een protestnota getekend J. VAN CAMP, VVI-Voorzitter en C.BOONEN, Algemeen Directeur, of de helft van het aantal erkende functies moet al verdwijnen! Immers, vooral onder de budgettaire druk uitgeoefend door het kabinet van Sociale Zaken, had minister M. AELVOET op 20 juni al een beleidsnota tot bijsturing van het spoedgevallenbeleid verspreid, stellende dat de hervorming van de spoedgevallenzorg niet het "resultaat had opgeleverd dat de federale overheid ervan had verwacht" en dat de thans erkende gespecialiseerde functies niet in staat zijn "zware pathologie" op te vangen. Die verklaringen schoten bij de vertegenwoordigers zowel van de ziekenhuisbeheerders als van de artsen meteen in het verkeerde keelgat. Op basis van welke evaluatiegegevens kon zoiets vooropgesteld worden?

De bedoeling was duidelijk budgettair: het aantal functies herleiden van 145 tot ong. 75 à 85. Omwille van mogelijke risico's t.g.v. hooliganisme tijdens de nakende Euro-2000, werd weliswaar de verschuiving van de maatregel tot het najaar vooropgesteld.

De beleidsnota voorzag volgende herstructurering :
- het begrip "eerste opvang" verdween; er werd overgestapt naar een functie "spoedgevallen" en een functie"gespecialiseerde spoedgevallen", waarbij ook de "gewone" spoedgevallenfunctie kon ingeschakeld worden in de dienst "100", behalve in geval van MUG-interventie. De "gespecialiseerde functie zou voortaan gekoppeld worden aan de MUG-functie. De erkenningen zouden bovendien toegekend (of uitgeschakeld) worden op basis een trapsgewijze selectie in functie van een dienstenpatroon (intensieve zorgen, CT, neurochirurgie, cardiaal zorgprogramma B...). De "gespecialiseerde functies zouden dan samenwerkingsakkoorden moeten afsluiten met de ziekenhuizen die over een gewone "spoedgevallen" beschikken omtrent de bestemming van de patiënten en hun onderling "transfert"-beleid. Dergelijke akkoorden zouden door incentieve (financiële) beleidsmaatregelen aangemoedigd worden.

Een ganse reeks elementen lokten dadelijk zware kritiek uit: de aanpak via programmatie van de MUG, de onderlinge koppeling aan diensten en functies, het arbitraire van de zgn. inhoudelijke functiebepaling (die er trouwens niet was), het in gedrang brengen van de lokale en regionale afspraken, enz... Bijzonder irriterend was ook het onzinnige criterium volgens hetwelk het radiologisch protocol binnen de 15 minuten moest beschikbaar zijn.

- in de gewone spoedfunctie zouden de permanenties kunnen verzekerd worden door de geneesheren-specialisten van de klassieke 13 basisdisciplines. In de gespeciaiseerde functie daarentegen zouden alleen urgentisten, kandidaat-urgentisten en de zgn. brevettisten in aanmerking komen. Dit leverde meteen de kritiek van onzentwege op dat de gespecialiseerde functies vermoedelijk ook aanwezig zouden zijn in de ziekenhuizen met opleidingscapaciteit, zodat de bepalingen van de algemene criteria, meer specifiek m.b.t. de opleiding van de 13 basisspecialismen op het vlak van de multidisciplinaire urgentiezorg in gedrang zouden komen.

Op 28.08.00 bespraken we de beleidsnota met een afvaardiging van het Belgian College of Emergency Physicians (BeCEP). Het kwam vlot tot een consensus waarbij gesteld werd dat het beoogde afbouwbeleid moest verhinderd worden. Ook de visie van het kabinet van Volksgezondheid dat op hetzelfde moment de oprichting van een 85-tal huisartsencentra beoogde, inclusief de spoedopvang, werd eensgezind verworpen. Verder werd voorgesteld :
- dat in het kader van de 100 de keuzevrijheid van de patiënt moet gewaarborgd worden, en dat alleen de patiënt die zich in een levensbedreigende situatie bevindt naar het ziekenhuis met MUG-standplaats dient gevoerd te worden, in zoverre hij zelf uit vrije keuze geen andere bestemming heeft aangegeven (bewuste patiënt). Deze vrije keuzeregeling zou gelden binnen een welbepaalde straal (10 à 12 km vanaf de plaats van de MUG-opvang). De (gewone) functie "spoedgevallen" wordt uiteraard mee ingeschakeld in de "100".
- wat de bestemming van de "100"betreft, inclusief MUG, en mits vrije keuze, wordt rekening gehouden met de specialisatie van het ziekenhuis (bv. obstetricale urgenties bij voorkeur naar een ziekenhuis met materniteit -opvang, zelfs indien geen gespecialiseerde spoed).
- alle betrokken ziekenhuizen zouden in aanmerking genomen worden in de lokale samenwerkingsakkoorden m.b.t. MUG -bediening.

Deze consensusstandpunten werden vervolgens goedgekeurd door de respectievelijke bestuursorganen van VBS en BeCEP.

Op 14.09.00 bracht de afdeling "Programmatie en Erkenning" van de NRZV haar advies uit over de beleidsnota "bijsturing van het beleid inzake spoedgevallenzorg". Deze verzette zich tegen de opsplitsing in een functie "spoedgevallenzorg" en een "gespecialiseerde" functie, en pleitte ervoor dat de financiering moet gestoeld worden op een objectieve evaluatie van de activiteit.

Op basis van een aantal gegevens afkomstig van het Ministerie van Volksgezondheid blijkt dat jaarlijks 20% van de bevolking beroep doet op een spoedgevallendienst en dat het percentage spoedgevallen dat tot hospitalisatie leidt ongeveer 40% van het totaal aantal opnamen vertegenwoordigt. Het feit dat jaarlijks 2.260.000 patiënten in een spoedgevallendienst terechtkomen moet o.i. de overheid aansporen tot een zeer voorzichtig omspringen met herstructureringsplannen.

Voorts heeft de NRZV verzocht dat het College van Geneesheren van de spoedgevallenzorg zo spoedig mogelijk werk zou maken van de registratiemodellen om de evaluatie van de activiteit te organiseren. Verder verwerpt de Raad de koppeling van de programmatie van de "gespecialiseerde" functies aan de MUG-programmatie. Evenzeer als de normatieve echelonnering. Ook suggereert de NRZV de financiering te herzien op basis van de specifieke activiteiten van de spoedgevallendiensten, met een vast gedeelte om de permanentienormen te waarborgen en, desgevallend een variabel gedeelte naargelang de werklast.

VII.3. De problematiek van de opleiding

De bestaande normen van de spoedgevallenfuncties evenals de algemene erkenningscriteria van geneesheren-specialisten moeten toegepast en uitgevoerd worden. In september 1999 had de "Ad hoc werkgroep" van de Hoge Raad hieromtrent een consensus bereikt, waaraan blijkbaar geen verdere uitvoering werd gegeven, noch ter hoogte van het kabinet van Volksgezondheid, noch vanuit de administratie van de Geneeskundepraktijk.

Ook deze materie werd grondig besproken tijdens het overleg met de vertegenwoordigers van het BeCEP op 28.08.00. Aan de artsen die opgeleid worden in de 13 basisspecialismen die aanleiding kunnen geven tot de bijkomende beroepstitel in de urgentiegeneeskunde moet een opleiding in de spoedgevallengeneeskunde gegeven worden gedurende de voorziene verplichte theoretische opleiding tijdens de twee eerste opleidingsjaren, terwijl deze kandidaat-specialisten de mogelijkheid moeten hebben hun eveneens verplichte stage in de spoedgevallen te volbrengen. Die stage staat onder de leiding van de specialist in urgentiegeneeskunde, diensthoofd van de "gespecialiseerde" functie, wiens evaluatie een verplicht onderdeel vormt van de specialisatie-opleiding in voormelde disciplines.

De vertegenwoordigers van BeCEP hebben geen enkel bezwaar tegen deze regeling. Collega J. STROOBANTS stelde ten andere voor om ook de beleidsnota "Bijsturing van het spoedgevallenbeleid" aan te passen met overgangsmaatregelen, waarbij de kandidaat-specialisten in die 13 disciplines, mits meer dan twee jaar opleiding en mits een urgentiearts oproepbaar is, in te schakelen in de permanenties.

Op initiatief van Prof. Dr J. GRUWEZ werd een brief gericht aan de Voorzitter van de Hoge Raad door de Voorzitters van de erkenningscommissies en de professoren van de verschillende faculteiten, van de specialismen anesthesie-reanimatie, inwendige geneeskunde en chirurgie. Tot nog toe werd hieraan geen concreet gevolg gegeven. Het probleem werd aangekaart tijdens een onderhoud dd. 20.12.00 op het kabinet van Volksgezondheid, met Prof. M. KEIRSE, welke blijkbaar niet op de hoogte was. De brief werd opnieuw overhandigd en mondeling beantwoord met de formele belofte er gevolg aan te geven.

Bij die gelegenheid brachten wij ook de besluiten in herinnering van de "ad hoc werkgroep" van de Hoge Raad die op 21 oktober 1999 samenkwam (cfr punt V.3. van het jaarverslag van 5.02.2000) De tekst met het ontwerp van ministerieel besluit dat uit deze werkgroep resulteerde en dat ons door Dr J.P.DERCQ per fax op 22 oktober werd bezorgd, werd zeer nadrukkelijk aan de Heer KEIRSE overhandigd. Veertien maand na datum wist de kabinetschef echt niet waar het over ging.
Ik herhaal mijn titel van vorig jaar, maar voeg er een vraag- en uitroepteken aan toe: "Spoed : langzaam maar zeker (?), maar zeker langzaam !"

VII.4. Attestendag en de permanenties.

Op de vraag van onze voorzitter, Prof. Dr. J. GRUWEZ, antwoordde Minister Magda AELVOET op 01.12.2000, dat de overgangstermijn waarbinnen de geneesheren-specialisten in één van de dertien basisspecialismen die de toegang verlenen tot de bijzondere beroepstitel in de urgentiegeneeskunde de minimale permanentie in de spoedgevallenfunctie kunnen waarnemen, die in principe verstreek op 01.12.2000, bij ministerieel besluit zullen verlengd worden met minstens één jaar.

17 dagen later, in een omzendbrief dd. 18.12.2000 aan de beheerders van de ziekenhuizen, schrijven de ministers VANDENBROUCKE en AELVOET dat de overgangstermijn met 2 jaar wordt verlengd, tot 01.12.2002.

Wij citeren : " Deze verlenging zal gebeuren door :

- een ministerieel besluit genomen met toepassing van artikel 13 § 4 van hogergenoemd K.B. van 27 april 1998,
- een ministerieel besluit genomen met toepassing van artikel 18 § 4 van hogergenoemd K.B. van 10 augustus 1998;

Beide ontwerp M.B.'s werden reeds voor advies aan de Raad van State overgemaakt. Het is de bedoeling dat de MB's in werking treden op 1 december 2000.

Hierdoor wordt het dus mogelijk dat tot 1 december 2002 :
- het diensthoofd, zoals omschreven in artikel 8 (K.B. van 27 april 1998) en artikel 5 (K.B. van 10 augustus 1998), ook een geneesheer-specialist(1)
mag zijn;
- de medische permanentie, zoals omschreven in artikel 9, § 1 (K.B. van 27 april 1998) en artikel 6, § 2 (K.B. van 10 augustus 1998), ook mag worden waargenomen door een geneesheer-specialist (2)
of een geneesheer-specialist in opleiding(3) .

Wat betreft de reductie van de bestaffing van 3 naar 2 inslapende artsen voor de combinatie van de "gespecialiseerde functie spoedgevallenzorg" en de "MUG", verzekerde kabinetschef Manu KEIRSE ons bij ons bezoek op 20.12.2000 aan het kabinet AELVOET dat het ontwerp van wijzigings-K.B. voor advies bij de Raad van State ligt.

VII.5. Erkenningscommissies urgentiegeneeskunde hersamengesteld

Zoals in mijn verslag van vorig jaar vermeld (punt IV.7) vernietigde de Raad van State op 30 juli 1999 de benoeming van de leden op de bank van de beroepsverenigingen van de erkenningscommissie van artsen, houders van een bijzondere beroepstitel van geneesheer-specialist in de urgentiegeneeskunde.
Op 26.01.2001 publiceerde het Belgisch Staatsblad het M.B. van 03.01.2001 met de benoeming van de nieuwe leden. De namen stemmen overeen met de lijst die gezamenlijk op 14.02.2000 werd ingediend door VBS, BVAS, Kartel en BeCEP.

VII.6. Forfaitaire permanentiehonoraria gewijzigd : K.B. 04.12.2000 (B.S. 16.01.2001)

Tegen het herhaald negatief advies van de Technisch Geneeskundige Raad in, publiceerde Minister VANDENBROUCKE, gebruik makende van artikel 35 § 2, 2° en 3° (cfr. ook II.4), een K.B. over de financiering van de forfaitaire honoraria per opneming.

Hiervoor hevelt hij 300 miljoen over van de 650 miljoen BEF die hij zegt te besparen in de cardiologie.
Alhoewel het K.B. expliciet verwijst naar het K.B. van 27 april 1998 dat o.m. de 13 specialismen opsomt die in aanmerking komen om ingeschakeld te worden in de functie spoedgevallenzorg, wordt de neurologie eens te meer vergeten in de omschrijving
590225 :
"Forfaitair honorarium voor intramuraal aanwezige medische permanentie in het ziekenhuis, per opneming in een acute dienst A, C, D, E, G, K, L, M of N van een algemeen ziekenhuis dat beschikt over een erkende functie voor gespecialiseerde spoedgevallenzorg en een erkende functie voor intensieve zorg … A 40.
Minstens één van de artsen met intramurale permanentie is, of houder van de bijzondere beroepstitel in de urgentiegeneeskunde, of houder van de bijzondere beroepstitel intensieve zorgen, of een erkend specialist in de inwendige geneeskunde, cardiologie, pneumologie, gastro-enterologie, reumatologie, pediatrie, anesthesiologie, heelkunde, neurochirurgie, orthopedie, plastische heelkunde, urologie".

Dit zal zo spoedig als mogelijk worden rechtgezet.
De conditionering "minstens één … urologie" slaat alleen op de omschrijving 590225 en niet op de nummers 590166, 590181 en 590203 die respectievelijk het forfaitair honorarium voor de intramuraal aanwezige medische permanentie in het ziekenhuis, per opneming in een acute dienst A, C, D, E, G, K, L, M of N van een algemeen ziekenhuis dat beschikt over een erkende functie eerste opvang van spoedgevallen omschrijft, resp. over een erkende functie voor gespecialiseerde spoedgevallen en resp. over een erkende functie voor intensieve zorg.

De verstrekkingen 590166, 590181, 590203 en 590255 zijn slechts éénmaal aanrekenbaar per opneming en zijn onderling niet cumuleerbaar.

De minister hield er aan om een bijzondere code te creëren voor het uitrukken van de MUG, nl. nr. 590472 : "Honorarium voor geneeskundige bijstand verleend door een arts van een erkende functie gespecialiseerde spoedgevallenzorg, in het kader van een extra-murale medische interventie van een mobiele urgentiegroep, ingevolge van een oproep naar het éénvormig oproepstelsel "100" … A 50.
De verstrekking 590472 mag slechts aangerekend worden als de arts die de permanentie van de "mobiele urgentiegroep" waarneemt aan de kwalificaties voldoet zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 10 augustus 1998, houdende vaststelling van de normen waaraan een functie "mobiele urgentiegroep" (MUG) moet voldoen om erkend te worden".

A 50 komt overeen met 1.694 BEF. Het is uiteraard volstrekt onmogelijk om drie stafleden 24 uur op 24 in standby te houden voor eventuele MUG-oproepen aan dit bedrag. Bij een gemiddeld aantal oproepen van +/- 2 per dag in een ziekenhuis buiten een grote agglomeratie betekent dit een bruto uurloon van 141 BEF.

Het voorstel dat door de TGR was geformuleerd was veel evenwichtiger opgebouwd, en droeg de goedkeuring weg van zowel de universitairen als van de vertegenwoordigers van beide artsensyndicaten.
Waarom ook hier de minister zijn wil wou doordrijven mag Joost … of is het Jan (Beeckmans) weten ?

De BeCEP liet ons weten helemaal niet gelukkig te zijn met de nomenclatuurwijziging in verband met de MUG, en vraagt zich af of er nog voldoende ziekenhuizen kandidaat zullen zijn om een MUG te bemannen.


1. Zoals bedoeld in artikel 2, § 1 van het ministerieel besluit van 12 november 1993 tot vaststelling van de bijzondere criteria voor de erkenning van de geneesheren-specialisten, houders van de bijzondere beroepstitel in de urgentiegeneeskunde, alsook van de stagemeesters en stagediensten in de urgentiegeneeskunde.

2. Idem

3. Idem en voor zover dat deze kandidaat-geneesheer-specialist tenminste twee jaar opleiding heeft genoten, dat de dienst waarin hij de permanentie waarneemt opgenomen is in zijn stageprogramma en dat hij in een spoedgevallendienst vertrouwd werd gemaakt met alle aspecten van de reanimatie en de dringende medische behandeling.

 

Vorige artikel VorigeInhoud van dit nummer InhoudVolgende artikel Volgende

Questions & Comments

Copyright © VBS, 1997-2004

  Home | VBS | Verenigingen | De Gids | Accreditering | Tarieven | Wetgeving | Verzekeringen | De Bulletijn | Hulp