Home | VBS | Verenigingen | De Gids | Accreditering | Tarieven | Wetgeving | Verzekeringen | De Bulletijn | Hulp 

De Geneesheer-Specialist

Orgaan van het Verbond der Belgische Beroepsvereniging van Geneesheren Specialisten

V.B.S. JAARVERSLAG 2000

Vorige artikel VorigeInhoud van dit nummer InhoudVolgende artikel Volgende

 

V. Het gerechtelijk "contentieux" van het Verbond.

V.1. Artikel 50 bis van de gecoördineerde GVU-wet van 14.07.1994 (zgn. Wet Vermassens-Lenssens)

De juridische mogelijkheid voor de Minister om maximumtarieven op te leggen of bij K.B. de conventietarieven tegenstelbaar te maken in twee- of meer-persoonskamers en bij opname van kinderen met begeleiding van de ouders, vormde een verregaande bedreiging voor het akkoordenstelsel. Dezelfde mogelijkheid bij bijzondere vereisten van de patiënt (opname om persoonlijke redenen in een privé-kamer) ging nog een maat verder.

Het Arbitragehof bracht zijn uitspraak op 21 december 2000 (arrest nr 136/2000 - B.S. 23.01.2001), en verwierp heel wat argumenten die door onze raadsman werden naar voren gebracht. Nochtans neemt het Arbitragehof op verscheidene punten een kritisch standpunt in en geeft het zelfs uiting van enig voorbehoud voor de toekomst, wat onrechtstreeks gevolgen heeft voor de herschrijving van het artikel, wat Minister VANDENBROUCKE heeft toegezegd.

Onze raadsman maakt een aantal belangrijke bemerkingen die in dit opzicht van betekenis zijn:

- het Arbitragehof geeft toe dat de wetgeving terzake niet behoort bij de wet op de geneeskundige verzorging en uitkeringen maar eerder bij de geneeskundepraktijk, wat betreft tariefzekerheid en transparantie.

- het geeft eveneens toe dat de aangevochten maatregelen kunnen leiden tot een afremming van de investering in technologische uitrusting van de ziekenhuizen en dat de kritiek die in dat verband werd uitgebracht steunt op een pertinente analyse van de gevolgen die de maatregelen kunnen veroorzaken. Het Hof voegt er evenwel aan toe dat het hier om politieke keuzen gaat.

- ook erkent het Arbitragehof dat de situatie van de geconventioneerde en de niet-geconventioneerde artsen geenszins vergelijkbaar is en dat ze bijgevolg niet aan dezelfde regels kunnen onderworpen worden. Maar…het wijst erop dat de beslissing al dan niet toe treden tot het akkoord afhangt van de persoonlijke appreciatie van de geneesheren, zodat de bepalingen niet "a priori" als discriminerend kunnen beschouwd worden, als men op hen eenzelfde regime toepast. " De druk die die maatregelen op de keuzevrijheid van de geneesheren uitoefenen, dermate dat hun belang bij de weigering van de toetreding aanzienlijk vermindert, moet bovendien redelijk verantwoord zijn."

- ook geeft het Hof toe dat de openbare ziekenhuizen de financiële gevolgen van de aangevochten bepalingen gemakkelijker zullen kunnen corrigeren dan de private ziekenhuizen.

- en tenslotte acht het Hof het niet uitgesloten dat uit de verdere ervaring zal blijken of de aangevochten bepalingen disproportionele gevolgen hebben op de inkomens van de artsen, de middelen van de ziekenhuizen, de kwaliteit van de zorgverlening, het evenwicht van de akkoorden, en van het akkoordenstelsel zelf."

Het Arbitragehof laat in feite vermoeden dat de teksten in hun concrete uitvoering zouden kunnen leiden tot inbreuken op het gelijkheidsbeginsel, en dat hiermee door de Overheid en bij de onderhandelingen omtrent de akkoorden, zal moeten rekening gehouden worden.

Verder schrapt het arbitragehof §3 van art. 50bis dat betrekking heeft op de beperking van de supplementen die kunnen gevraagd worden bij opname op éénpersoonskamer.

Tenslotte moet nog vermeld worden dat op 22 januari jl. een aanvullende vordering werd ingediend met het oog op de nietigverklaring van de voormalige overeenstemmende bepaling van art 50bis §3, uiteraard op dezelfde gronden als deze die zopas door het hof weerhouden werden, daar beide teksten identiek zijn.

V.2. De oncologie en de beroepstitels

Ons verzoekschrift tot schorsing en nietigverklaring van het M.B. van 11.04.99 gaf aanleiding tot een gunstig verslag van de Auditeur die verscheidene argumenten tot nietigverklaring aanstipte en zelfs de schorsing van het gehele besluit vroeg. Het verzoek tot schorsing werd toch door de Raad van State verworpen, in feite, omdat we "te braaf" waren geweest. Sommige personen die bij de vordering betrokken waren, hadden de wens geuit dat de patiënten niet zonder enige bescherming zouden vallen door de, zij het tijdelijke, opschorting van de bepalingen. En we hadden daarmee rekening gehouden, door slechts een zeer fragmentaire schorsing en nietigverklaring te vorderen: alleen het onderscheid tussen "medische oncologie" en "oncologie".

Er werden verscheidene verzoekschriften ingediend, waarvan blijkbaar géén enkel aanleiding gaf tot schorsing. Wel werd inmiddels in het kader van de zaak ingediend door de BVAS een verslag uitgebracht door de Auditeur die duidelijk de nietigverklaring voorstelt. Deze is ten andere haast onvermijdelijk aangezien de bevoegde administratie zelf inmiddels geen gevolg meer heeft gegeven aan de aanvragen die werden ingediend in het kader van de overgangsbepalingen van het bestreden besluit.

Tenslotte vermelden we nog dat tevens een procedure lopende is namens de radiotherapeuten tegen het "erratum" dat voormalig minister COLLA liet publiceren.

V.3. De oncologie en de voorwaarden inzake geneesmiddelenvoorschrift

De procedure tegen het M.B. van 31 mei 1999 vordert blijkbaar veel langzamer dan de voorgaande. Op 09.01.2001. ontvingen we het wederantwoord van de advokaat van de tegenpartij, nl. de minister van Sociale Zaken, die blijkbaar het standpunt blijft aanhouden dat het voorschrift van cytostatica moet gekoppeld blijven aan een bijzondere beroepstitel (?) bekwaamheid (?) "in de oncologie of in de medische oncologie". Dit is uiteraard een belangrijk element waarmee moet rekening gehouden worden, vermits de recentste concepten uitgaande van het ministerie van Volksgezondheid evolueren naar de invoering van slechts twee bijzondere beroepstitels, nl. deze van internist-oncoloog en van pediater-oncoloog, weliswaar vertrekkend van de visie dat hieraan geen functionele privileges mogen gekoppeld worden. De werkgroep "cytostatica" van de Technische raad voor Farmaceutische specialiteiten (TRFS) blijft het tegenovergestelde standpunt handhaven, en wel met de steun van de minister van Sociale Zaken.
Bovendien is de beantwoording van het ministerieel wederantwoord bijzonder moeilijk vermits het MB van 11.04.1999 nog steeds niet is nietigverklaard en evenmin werd ingetrokken zoals minister AELVOET verklaart zinnens te zijn.

V.4. De normen van de functies spoedgevallen en MUG.

In oktober jl. bracht de Auditeur bijna simultaan verslag uit over de drie verzoekschriften die waren ingediend tegen de normen inzake permanentie-bevoegdheden in het kader van de functies "gespecialiseerde spoedgevallen", "eerste opvang van spoedgevallen" en "MUG". De Auditeur oordeelt dat het probleem werd opgelost door het M.B. van 12.02.1999, waarbij de geneesheren van de betrokken specialismen hun bevoegdheid kunnen behouden mits het attest afgeleverd door de hoofdgeneesheer. Wat de Auditeur niet kon weten is dat de ministers van Sociale Zaken en van Volksgezondheid anderhalve maand later gingen beslissen de overgangsbepalingen van de bestreden besluiten te verlengen met 2 jaar, doch niet - en dit is van fundamenteel belang voor de continuïteit van de bevoegdheidsrechten - de verschuiving van de deadline van 1.12.2000 naar 1.12.2002, voor de artsen die aanspraak kunnen maken op voormeld attest.

Dat vele geneesheren behorend tot de 13 basisdisciplines benadeeld werden in hun rechten op het gebied van de spoedgevallenzorg, blijkt duidelijk uit het rapport dat recentelijk door de Auditeur van de Raad van State werd opgesteld in het kader van een verzoekschrift ingediend door een chirurg tegen de weigering van zijn erkenning als urgentiearts door voormalig minister COLLA. Het rapport veroordeelt in feite de wijze waarop de toenmalige Nederlandstalige erkenningscommissie de dossiers behandelde, en o.m. de vereiste stelde dat de aanvrager diensthoofd van de spoedgevallen moest zijn en moest instaan voor de organisatie en de goede werking van de spoedgevallendienst in al zijn facetten. Vereisten dus, die veel verder gaan dan de "hoofdactiviteit" die vernoemd wordt in de overgangsbepalingen van het MB van 12.11.1993.

V.5. Prejudiciële vragen betreffende o.m. het publiek karakter van de rechtspraak in het kader van het RIZIV.

In het kader van een procedure voor de Commissie van beroep van het RIZIV liet de raadsman van een arts gelden dat zijn cliënt geen billijk proces werd gegund aangezien het RIZIV toegang heeft tot de gegevens uit de beslissingen en rechtspraak van de Beperkte Kamer en de Commissie van Beroep, terwijl dit niet het geval is voor de arts die zich moet verdedigen. De Commissie van Beroep hield evenwel oorspronkelijk vol dat het RIZIV wettelijk niet gemachtigd zou zijn deze beraadslagingen mede te delen want het laatste lid van art 156 voorziet uitdrukkelijk dat "enkel het beschikkend gedeelte der beslissingen wordt bekendgemaakt". Op aandringen van de verdediging besloot de Commissie tenslotte enkele prejudiciële vragen te stellen aan het Arbitragehof.
Het VBS-bestuur besloot, op voorstel van de raadsman, om de verdediging van de medische belangen bij deze prejudiciële vragen te steunen. Dat een relatieve vorm van geheimhouding bestond kan niet in twijffel getrokken worden. Het RIZIV argumenteert nu dat regelmatig geanonimiseerde beslissingen worden gepubliceerd in het trimestrieel "Informatieblad" van het RIZIV. Dit interessant en uitstekend opgesteld tijdschrift bevat slechts af en toe en dan nog een zéér beperkte, selectie van uitspraken en motiveringen van de Beperkte Kamer en Commissie van beroep. Zeker niet in de mate dat de artsen correcte informatie verkrijgen over wat mag en wat niet mag volgens de rechtspraak van de RIZIV-organen.

Inmiddels werd namens de Ministerraad een memorie ingediend waarin tekstueel staat vermeld: " Le principe contradictoire qui est à la base de tout procès équitable requiert que tout élément invoqué par une partie à l'appui de son argumentation soit communiqué à l'autre partie, ne fut ce que par la mention d'une référence à une publication qui lui soit accessible ". Waaraan wordt toegevoegd dat het RIZIV dan maar moet zorgen dat de stukken anoniem gemaakt worden. En dat het RIZIV zich bereid heeft verklaard zulke anonieme kopij te bezorgen…zodat " in feite het probleem van de mededeling niet meer bestaat ." De regering geeft dus blijkbaar toe dat er minstens een probleem bestond.

De uitspraak van het Arbitragehof wordt vermoedelijk eerstdaags verwacht.

V.6. Andere RIZIV-zaken

Nog steeds zijn er procedures hangende omtrent verstrekking 103014 - het consult van de geneesheer-specialist ten huize van de patiënt op aanvraag van de huisarts (o.m. een dermatoloog en twee oogartsen).

Een andere zonderlinge zaak betreft de rechtstreekse tussenkomst van de minister bij een uitspraak van de Beperkte kamer waarbij de tenlaste gelegde feiten als onbewezen werden geacht (de bewijsmiddelen, nl. radiografieën, waren spoorloos verdwenen, volgens de arts bij de geneeskundige controle, en volgens de geneesheer-inspecteur, bij de arts). De regeringscommissaris stelde zijn veto tegen de beslissing. Waarop, nogal logisch, de advokaat van de arts antwoordt: " En aucun cas, le véto émis peut avoir pour effet de rejuger notre client ", erop wijzend dat de enige mogelijkheid erin bestaat beroep aan te tekenen bij het daarvoor voorziene rechtscollege, nl. de Commissie van beroep. De minister heeft daar echter geen oren naar en bevestigt botweg het veto met volgende motivering: "." La chambre restreinte, au contraire de la chambre d'appel, n'est pas une juridiction administrative, mais bien un organe de l'administration active. Ce point de vue a d'ailleurs été consacré à plusieurs reprises par le Conseil d'Etat. En conséquence le Commissaire du gouvernement était en droit de prendre son recours contre une décision administrative qu'il estimait contraire à la loi, aux statuts ou à l'intérêt général".

V.7. Het arrest van 22 maart 2000 van het Hof van beroep van Antwerpen (plastische chirurgie en dermatologie).

Onze raadsman werd verzocht om de Minister van Justitie te verzoeken opdracht te geven aan de Advokaat-Generaal om bij het Hof van Cassatie de nietigheid te vorderen van het arrest van 22.03.2000 van het Hof van Beroep van Antwerpen dat oordeelde dat er twijfel is of de behandeling van huidafwijkingen, waaronder tatoeages, bij middel van lasertechnieken, een medische handeling is.
Inmiddels heeft het detatoeagebedrijf tegen hetwelk de oorspronkelijke klacht werd ingediend, een eis tot schadevergoeding gericht tegen een plastisch chirurg, de Beroepsvereniging van de plastische chirurgen en de gerechtelijke Overheid, wegens schade die uitsluitend aan deze laatste is toe te schrijven.

V.8. Bijzondere eisen van de patiënt : raadpleging op afspraak.

De arbeidsrechtbank van Brugge sprak zich op 12.05.2000 uit in het kader van een vordering ingesteld door een ziekenfonds namens de patiënt tegen een geneesheer-specialist die een honorariumsupplement had aangerekend wegens raadpleging op afspraak. Meer dan zeven jaar na de feiten, want de geneeskundige verstrekkingen zelf dateren van 09.10.1992 en het kwestieuze supplement bedroeg 984,-BEF. Door het VBS waren inmiddels ook verscheidene brieven geschreven naar het ziekenfonds.

De arbeidsrechtbank oordeelde dat de teksten van de conventie misschien wel voldoende duidelijkheid bieden wat betreft de bijzondere eis "opname op een privé-kamer", maar daarentegen enigszins aan klaarheid missen wat betreft "consulten op afspraak". Het ziekenfonds werd nochtans in het ongelijk gesteld. De rechtbank meende immers dat "… niet kan worden ontkend dat X hoe dan ook om een afspraak had verzocht, en verweerder (de arts) volgens zijn eigen schriftelijke verklaring thuis heeft opgebeld met die bedoeling: de dienst…in ..het ziekenhuis daarentegen (alwaar deze medicus ook een open consultatie verzorgt op woensdagvoormiddag en vrijdagnamiddag) werd door hem niet gecontacteerd, hetgeen voor deze rechtbank veelzeggend is. Zulks impliceert dat betrokkene geen tijd wou verliezen in de wachtkamer van voormelde verplegingsinstelling. Meteen is komen vast te staan dat X om een raadpleging op afspraak heeft verzocht, maar daarmee tevens een bijzondere eis heeft gesteld in de zin van het akkoord ."

De arbeidsrechtbank maakt wel enkele kritische bedenkingen met enige nuancerende betekenis wat betreft het begrip "op afspraak": " Zo zijn er ongetwijfeld artsen die, wanneer ze in een ziekenhuis op afspraak ontvangen, een supplement vragen, en dit niet doen wanneer ze daar consult verstrekken zonder afspraak. Het is daarnaast niet uitzonderlijk of ondenkbeeldig dat artsen de facto alleen op afspraak in het ziekenhuis te bereiken zijn, zonder daarbij supplementen aan te rekenen ."

"… De wetenschap bij de patiënt, die met zijn behandelend specialist een afspraak maakt (zelfs binnen de door de arts zelf voorgestelde dagen en uren), dat hij dientengevolge een hoger ereloon zal dienen te betalen is, gezien het gebrek aan transparantie en diversiteit van alle mogelijke hypotheses, allerminst evident en mag bijgevolg niet zonder meer worden verondersteld ."

Maar tenslotte geeft de rechter de kernvereisten om aan het begrip "afspraak" te voldoen: "… een afspraak houdt immers principieel in dat :
- geen beurt moet worden afgewacht in een naar belangrijkheid voorspelbare groep, en
- de consultant zeker is van de persoon van dienstdoende arts
."

V.9. Reumatologie : connexe klinische biologie en radiologie

De Beroepsvereniging van de reumatologen, die in juli 1999 naar de Raad van State was getrokken tegen de gevolgen van de forfaitarisering van de medische beeldvorming, stelden eveneens een procedure in gang tegen het KB van 21.03.2000 (B.S. 30.03.2000 - in voege per 1.05.2000) waarbij de forfaitarisering van de ambulante klinische biologie a rato van 75% werd doorgevoerd. Daarbij dient opgemerkt dat al deze procedures nog lopende zijn, inbegrepen de oorspronkelijke procedure tegen de forfaitarisering van de klinische biologie (KB van 24.09.92), waarbij een jaarlijks degressief honorarium van 300,200,100, en tenslotte 0 BEF voorzien was. Het ligt voor de hand dat het onmogelijk is analysen uit te voeren aan het resterende marginaal tarief van 25 %. Connexisten hebben immers geen recht op de forfaitaire honoraria die theoretisch de 75 % forfaitarisering moeten vervangen, inclusief de besparing met 1.200 miljoen BEF die minister VANDENBROUCKE de ambulante sector klinische biologie heeft opgedrongen vanaf het jaar 2000.

 

Vorige artikel VorigeInhoud van dit nummer InhoudVolgende artikel Volgende

Questions & Comments

Copyright © VBS, 1997-2004

  Home | VBS | Verenigingen | De Gids | Accreditering | Tarieven | Wetgeving | Verzekeringen | De Bulletijn | Hulp