|
Nr 2 - Februari 2000 : Jaarverslag 1999 V.B.S. - Dr. Marc MOENS,
Secretaris-generaal
Vorige  Inhoud  Volgende
VIII.4. Reacties en standpunten van de artsen
VIII.4.1. BVAS
Op 24 november stond het ontwerp " Euthanasie " op de dagorde van de
BVAS-beheerraad. Voor een pluralistisch syndicaat is het bijzonder delicaat om over
dergelijke ethische kwesties een standpunt in te nemen.
De BVAS heeft steeds gelijktijdig de belangen van de patiënt en deze van de arts
verdedigd, alhoewel dit naar de buitenwereld toe uiteraard systematisch volstrekt anders
wordt uitgelegd.
Na een zeer open debat en wars van enig welk euthanasievoorstel, besliste de beheerraad
unaniem dat een hyperindividuele aangelegenheid als euthanasie geen wetgeving behoeft. De
huidige strafwet en de regels van de Code van de medische plichtenleer volstaan.
Naar aanleiding van de enorme mediabelangstelling bij de indiening in de Senaat van het
meerderheidsvoorstel betreffende euthanasie op
22 december 1999, werd ondergetekende verzocht het BVAS-standpunt bekend te maken, eerst
op VRT-Radio 1 en TV 1, dan via een perscommuniqué en interviews in de overige media.
Alle kranten gaven het BVAS-standpunt weer met zeer divergente commentaren.
Het hoofdartikel op de frontpagina van " De Standaard " - niet echt de
spreekbuis van de BVAS - titelde " Dit is de banalisering van de dood " .
BVAS-ondervoorzitter Jacques DE TOEUF had tijdens het parlementaire zomerreces al een
analoog standpunt ingenomen. " Faut-il légisférer ? " " Non "
répond le docteur DE TOEUF, parce que " donner la mort deviendrait ainsi un acte
administratif ".
Het is onbegrijpelijk dat de kersverse voorzitter van de raad van beheer van de VRT, ons
beter bekend als de algemeen secretaris van de socialistische mutualiteiten, Dr Guy
PEETERS, in een debat over euthanasie in KNACK kardinaal
Godfried DANNEELS " zijn opmerking dat dokters die met euthanasie bezig zijn, zich
bezondigen aan een banalisering van de dood " zeer kwalijk neemt.
De kardinaal heeft eerstens deze banalisering nooit in verband gebracht met de artsen, en
tweedens heeft de kardinaal de letterlijke termen van het BVAS-perscommuniqué
overgenomen. Het betreft de wet die de dood banaliseert en geenszins de artsen die zich
met enorm veel inzet engageren bij het naderende levenseinde van patiënten.
PEETERS geeft in hetzelfde artikel wel toe dat budgettaire belangen kunnen meespelen in
het debat. " De enveloppefinanciering verplicht er (in Groot-Brittannië) de artsen
toe om keuzes te maken, om sommige patiënten dus niet meer te behandelen, wat in de buurt
kan komen van euthanasie ". Een " understatement " van formaat als men de
Britse pers en BBC1 enigszins volgt. De lezer die het rapport PEERS aandachtig
analyseert weet dat België heel dicht bij dezelfde " keuzes in zorg " staat als
Groot-Brittannië.
Alleen de grote filosoof en voorzitter van het Raadgevend Comité voor bio-ethiek "
wiens denken uitmunt door analytische en kritische scherpte, door een heldere taal en
stijl en door een grote maatschappelijke betrokkenheid " ziet geen
enkel spoor van economische euthanasie ,
ook niet in Nederland. Steven DE FOER, correspondent in Nederland voor " De Standaard
" weet wel beter .
44 % van de gezondheidswerkers onderschrijft er de stelling dat " onder druk van
geldgebrek zal verlenging van het leven steeds minder prioriteit krijgen ". Toch
meent hij dat het Brave New World visioen " ik mag de maatschappij niet meer tot last
zijn " geen reden is om de " voorzichtige " legalisering van euthanasie
tegen te houden.
De stelling van Prof. VERMEERSCH "
De meeste artsen houden er overigens een heel andere mening op na dan wat sommige van hun
" leiders " er zomaar uitflappen " klinkt bijzonder denigrerend.
Het BVAS heeft absoluut respect voor elkeens positie t.o.v. euthanasie, maar heeft willen
aantonen dat wetgeving het probleem geenszins oplost.
Dat deze stellingname het debat flink heeft aangezwengeld is veel meer waard dan een
aantal schimpscheuten.
VIII.4.2. ASGB
De voorzitter van het Algemeen Syndicaat der Geneeskundigen van België, Dr Robert
RUTSAERT, werd uitgenodigd door de Belgische Vereniging voor Medische Moraal en Ethiek om
deel te nemen aan een voorbereidende vergadering betreffende het maatschappelijk debat
over euthanasie op 10.12.1999. Andere genodigden waren een aantal prominente leden van de
Nationale Raad van de Orde der Geneesheren, en ondergetekende voor BVAS en VBS. Op 15
december diende voorzitter Prof. Dr. P. COSYNS vast te stellen dat geen consensus kon
worden gevonden tussen en binnen bepaalde verenigingen.
Vooral het standpunt van het ASGB week af . Het had zich geëxcuseerd voor de vergadering
van 10 december 1999 per brief van 07 december. " Als syndicaat kunnen wij nu reeds
stellen dat het niet onze bedoeling is de besluitvorming te beïnvloeden.(sic !).
Wel nemen wij, ook in deze materie, de belangen van onze leden ter harte, en zullen wij er
mede over waken dat deze niet geschaad worden, noch bij de besluitvorming, noch bij een
eventuele invulling " Getekend Drs J.P. BAEYENS, R. RUTSAERT, P. PUTZEYS, H. DUPREZ.
In bijlage stuurden zij het ASGB-standpunt " met betrekking tot eventuele wetgevende
initiatieven over euthanasie " waarvan uittreksels in de pers verschenen.   . Punt 10 van hun
visie vond ik nergens in de media terug. Om misverstanden te vermijden citeer ik het
volledig. De onderstreping is redactioneel : " 10) Artsen worden voornamelijk omwille
van hun deskundigheid betrokken bij het verzoek om euthanasie. Dit verzoek kan zowel
door de collectiviteit als door een individu geformuleerd worden. Telkens gaat
het om een vraag die uitgaat van een noodsituatie. Een antwoord op die vraag moet
weloverwogen, en in volle beroepsernst gegeven worden, rekening houdende met eigen morele
opvattingen, zowel van de hulpzoekende als de hulpverlener. De arts bevindt zich hier in
een bevoorrechte situatie. Het zou daarom onaanvaardbaar zijn de sereniteit en de delicate
context waarin dit verzoek geformuleerd wordt, te situeren in een kader dat buiten de
professionele bevoegdheid valt. "
Wat komt de collectiviteit doen in de context van het voorliggend wetsontwerp ?
Tot wat een verzoek tot euthanasie door de collectiviteit kan betekenen, werd vb.
geïllustreerd in de tentoonstelling " Doodgezwegen " in november 1994 in het
GUISLAIN-museum, verbonden aan het psychiatrisch GHISLAIN-instituut te
Gent.
De tentoonstelling illustreerde wat Götz ALY beschreef
: de Aktion T4, anno 1939 in nazi-Duitsland, bedacht door de Drs Karl BRANDT en Philipp
BOUHLER. Met name de vernietiging van " leven dat het niet waard is te worden geleefd
" of " de geneeskunde tegen de nuttelozen ". De collectiviteit stemde
hiermee in.
Ik ben overtuigd, niet in het minst omwille van de mede-ondertekening van dit document,
door collega Jean-Pierre BAEYENS, die bekend staat als verdediger van de geriatrische
patiënt, dat het punt 10 van het ASGB-advies omtrent euthanasie niet intentioneel, maar
wel op een zeer ongelukkige manier werd geformuleerd.
VIII.4.3. V.B.S.
Tijdens de eerste vergadering van het VBS-bestuurscomité na het publiek maken van het
wetsvoorstel euthanasie van de paarse meerderheid op 13.01.2000; werd een geargumenteerde
discussie gevoerd over dit delicate thema dat brandend in de actualiteit staat. Ze
resulteerde in een tweedelig kort en krachtig persbericht dat we hier letterlijk overnemen :
"1. Gelet op de complexiteit van het gegeven, gelet op het gebrek
aan voldoende gestoffeerde en wetenschappelijk onderbouwde gegevens, menen wij dat het
huidig wetsvoorstel onaanvaardbaar is.
2. Gelet op het uitermate zeldzaam voorkomen van vervolgingen in deze
materie, menen wij dat een bijzondere wet niet nodig is".
Deze tekst was het unaniem standpunt van het voltallige Bestuurscomité dat volstrekt
pluralistisch en ook linguïstisch paritair is samengesteld.
VIII.4.4. Orde der Geneesheren
Tijdens zijn vergadering van 15 januari 2000 besprak de Nationale Raad van de Orde der
Geneesheren de ethische en deontologische aspecten van de medische betrokkenheid bij het
naderende levenseinde en euthanasie. Het advies werd op 18 januari aan de media
vrijgegeven . Uit de tekst blijkt overduidelijk dat er een intense discussie aan
voorafging. Het voorafgaand debat op 10 december 1999 binnen de vergadering georganiseerd
door de Belgische Vereniging voor Medische Moraal en Ethiek liet dit al vermoeden.
Kort samengevat bevestigt de Orde zijn standpunt van 1992 toen het op 17 oktober de Code
van de Geneeskundige Plichtenleer aanpaste. .
De Orde herhaalt hier expliciet bij dat de tekst van hoofdstuk IX steeds in zijn geheel
moet worden gelezen, met al zijn nuances. " Om tegemoet te komen aan deze
maatschappelijke bezorgdheid heeft de Nationale Raad van de Orde der Geneesheren in 1992
het hoofdstuk van de Code van geneeskundige plichtenleer over het naderende levenseinde
herschreven. Sinds deze aanpassing heeft de Nationale Raad altijd gesteld dat de artikelen
van dit hoofdstuk als één geheel dienen gelezen te worden. Daarin zegt de Nationale Raad
dat een arts niet met opzet de dood van zijn patiënt mag veroorzaken en hem evenmin mag
helpen bij zelfdoding (art. 95) terwijl ook benadrukt wordt dat een arts zijn patiënt bij
het naderende levenseinde moreel dient bij te staan en de middelen moet aanwenden die
nodig zijn om zijn geestelijk en fysiek lijden te verzachten en hem waardig te laten
sterven (art. 96). Bij het bepalen van zijn houding en in het bijzonder bij het op gang
brengen van een behandeling of het beëindigen ervan zal de arts minstens één collega
consulteren, de mening van de patiënt en desgevallend van zijn naastbestaanden inwinnen
en hem/hen zijn intenties meedelen (art. 97). In latere adviezen heeft de Nationale Raad
deze contactname uitgebreid tot het verpleegkundig en/of verzorgend team " (einde
citaat).
De Nationale Raad wijst erop dat hij altijd begrip heeft getoond voor de noodtoestand in
de laatste levensfase. Hij heeft nooit de noodzaak ervaren om een onderscheid te maken
tussen wilsbekwamen en wilsonbekwamen omdat een noodtoestand zich bij beide groepen kan
voordoen. Het zich beroepen op een noodtoestand biedt vanuit juridisch standpunt geen
zekerheid. Zoals het BVAS en VBS al publiek hadden gesteld, merkt de Orde ook op dat geen
enkele arts de laatste decennia strafrechtelijk of tuchtrechtelijk werd vervolgd.
Tenslotte zet de Orde zich af tegen de therapeutische verbetenheid en moedigt ze de
palliatieve zorg aan. Nergens is er sprake van een eventuele wetgeving.
VIII.5. De vierde macht : reacties in de media
Op 24.01.2000 krijgt het euthanasiedebat een nieuwe wending in Vlaanderen. Een groep
wetenschappers die in 1998 een pleidooi hielden voor empirisch onderzoek in Vlaanderen
naar handelwijzen rond het levenseinde van patiënten (HALP) ,
pakt op de frontpagina van " De Standaard " sloganesk uit met " Jaarlijks
zeker 20.000 levensbeëindigingen in Vlaanderen " op
56.000 sterfgevallen. In een opiniestuk wordt gepleit voor zorgvuldigheid bij euthanasie.
Het stuk stelt dat de levensduurverkorting meestal zeer kort is, soms slechts enkele uren.
De vraag kan worden gesteld waarom deze wetenschappers hun preliminaire gegevens net nu en
met zoveel omhaal in de media brengen. De zorgvuldigheid lijkt in de eerste plaats te gaan
om het correct administratief afhandelen van elk euthanasiedossier (cfr. VI.3.5.).
De ondervoorzitter van de Nationale Raad van de Orde der Geneesheren, Dr Raoul HACHE, werd
op VRT Radio 1 (24.01.2000) geconfronteerd met deze gegevens. Hij heeft het standpunt van
de Orde bevestigd, m.a.w. een wetgeving is overbodig.
Alsof er dringend bewijs moest worden geleverd dat wetgeving absoluut nodig is, in
tegenstlling tot wat de Orde, de BVAS en het VBS daarover oordeelden, werd op 31 januari
2000 bekend dat de Drs Leon RADOUX, anesthesist, en Claude CHEVOLET, cardioloog, werden
opgepakt na een spectaculaire raid met dertig rijkswachters op het C.H.U. La Citadelle te
Luik .
De anonieme klacht van " euthanasie " zonder toestemming en bij een "
verkeerde " patiënt bleek uit de lucht gegrepen . Het betrof een geval van euthanasie zoals in het
wetsvoorstel van 20 december 1999 werd omschreven.
Het morele drama dat de familie van de overledene, de betrokken artsen en het ziekenhuis
nu overkomt, kan slechts als een voorbode worden beschouwd van het mogelijke juridisme dat
we hoger aanhaalden.
Conclusies in de zin van " De controverse over twee Luikse artsen wegens hun rol bij
het levenseinde van een patiënt, toont ten overvloede aan dat we dringend aan een
wetgeving terzake toe zijn. De visie van de Orde der Geneesheren, dat haar deontologie
volstaat als richtsnoer voor de artsen, heeft een klap gekregen "
lijken ons zeer voorbarig.
Positief in dezelfde column blijkt dat onze vrees dat " routinematige, economische
overwegingen " zullen spelen bij beslissingen rondom het levenseinde au sérieux
worden genomen.
Het debat accelereert opnieuw. Het is bijzonder lovenswaardig dat artsen, die rechtstreeks
betrokken zijn bij euthanasie, zelf een alternatief wetsvoorstel onder het publiek
brengen. Prof. Dr. Wim DISTELMANS (AZ-VUB) en drie andere vrijzinnige auteurs menen dat
een duidelijk verzoek tot euthanasie moet geëerbiedigd worden, mits men alle nodige
voorzorgen neemt om misbruik en vergissingen te beletten .
VLD-volksvertegenwoordiger en huisarts, Dr. Etienne DE GROOT, die een uitvoerige analyse
wijdde aan euthanasie ,
benaderde de problematiek veeleer vanuit de politiek-filosofische hoek, met als
belangrijkste boodschap dat de wetgever moet handelen.
Over alle artsengroepen en filosofische beschouwingen heen is effectief al langer de idee
aanvaard dat de dood niet gelijkstaat met het mislukken van het medisch handelen. Alle
artsen die met het probleem begaan zijn zoeken de beste oplossing voor de patiënten die
ze begeleiden. Met of zonder wet.
Wij blijven bij het standpunt dat de voordelen van een eventuele wetgeving niet opwegen
tegen de talrijke nadelen. Met velen zeggen wij dat het debat de partijpolitieke
discussies moet overschrijden. "Een politiek gevecht met winnaars en verliezers past
in deze ook niet. De verliezer is immers sowieso bekend : het is de mens die sterft".
Vorige  Inhoud  Volgende
|