|
Nr 2 - Februari 2000 : Jaarverslag 1999 V.B.S. - Dr. Marc MOENS,
Secretaris-generaal
Vorige  Inhoud  Volgende
VIII. HET EUTHANASIEDEBAT EN HET WETSONTWERP BETREFFENDE
EUTHANASIE
VIII.1. De debatten in het Comité voor bio-ethiek
In 1996 vragen Raymond LANGENDRIES (PSC), toenmalig Kamervoorzitter, en Frank SWAELEN
(CVP), toenmalig Senaatsvoorzitter, het Raadgevend Comité voor bio-ethiek een advies te
geven over " euthanasie en het levenstestament ".
Begin 1996 verbijstert Marcel COLLA de regering én de voorstanders van een wettelijke
euthanasieregeling door mee te delen dat hij zijn weliswaar doodzieke moeder uit haar
lijden heeft laten verlossen .
De debatten in het Comité voor bio-ethiek van dat zelfde jaar verliepen daarentegen
sereen. Het Comité formuleerde vier voorstellen i.v.m. euthanasie bij patiënten die hun
wil kunnen uiten of hebben geuit. Ze kunnen grosso modo als volgt worden samengevat.
Het eerste haalt euthanasie uit de strafwet, mits aan een aantal voorwaarden wordt
voldaan, waarvan de naleving a posteriori wordt gecontroleerd.
Het tweede voorstel voert een analoge procedure in, maar houdt euthanasie binnen de
strafwet. Dit is momenteel de situatie in Nederland.
Het derde voorstel wijzigt evenmin de strafwet, maar eerst moet een a priori ethisch debat
over allerlei aspecten van medische beslissingen omtrent het naderende levenseinde worden
gevoerd. Dit voorstel benadrukt ook de " uitzichtloze situatie " van de
patiënt, de " noodtoestand ", de " terminale fase " van de ziekte,
wat een essentieel onderscheid is met de twee voorgaande.
Het vierde voorstel laat alles bij het oude en blijft euthanasie strafrechtelijk
vervolgen.
Men kwam niet tot een eindconclusie maar het was wel duidelijk dat voorstel 3 het meeste
aanhangers vond in het zeer evenwichtig pluralistisch samengesteld Comité, dat diepgaand
afwoog of er geen waarden zijn die sterker doorwegen dan het absolute verbod om
opzettelijk een leven te beëindigen. Voor de enen kon dit het zelfbeschikkingsrecht van
de patiënt zijn. Voor anderen geldt de toenemende gevoeligheid voor lijden en pijn zowel
fysiek, als psychisch of moreel. Voor een derde groep kan eventueel het mededogen of de al
dan niet christelijke naastenliefde in conflict treden met het verbod " Gij zult niet
doden " of met het (uit zijn context gelichte) artikel 95 van de Code van
geneeskundige plichtenleer : " De geneesheer mag niet met opzet de dood van zijn
patiënt veroorzaken noch hem helpen zich te doden " .
Eind 1997 werden de 4 voorstellen van het Comité voor bio-ethiek omstandig bediscussieerd
in het Parlement. Eind 1998, begin 1999 besprak het Comité de problematiek van euthanasie
bij ongeneeslijk zieken die hun wil niet meer kenbaar kunnen maken. Ook hier ontstonden
drie verschillende opties en kwam men niet tot consensus. Het verdeeld advies dat het
Comité op 12 maart 1999 aan het Parlement overhandigde bevatte twee delicate punten
waarover wel eensgezindheid bestond. Er is een duidelijk verzet tegen therapeutische
hardnekkigheid en een expliciete vraag tot uitbreiding en aanmoediging van de palliatieve
zorgen.
VIII.2. Een waaier van wetsvoorstellen
De negen wetsvoorstellen die in 1999 opdoken hebben één zaak gemeen :
handelingsonbekwame en wilsonbekwame patiënten die niet voorafgaandelijk een
wilsverklaring hebben opgesteld komen niet in aanmerking voor euthanasie.
Maar alle negen hebben ze zware gebreken. Veel artsen zijn geschokt door de afwezigheid
van het begrip " terminale " zieke. De dertigjarige type I diabeticus die het na
20 jaar multiple insuline-injecties en glycemiemetingen niet meer ziet zitten, kan, in het
wetsvoorstel van de meerderheidspartijen, ingediend op 20 december 1999, mits bevestiging
van de ongeneesbaarheid van zijn aandoening door een tweede arts, die de patiënt zelfs
niet hoeft te hebben gezien, straffeloos worden geëuthanasieerd.
Dit was misschien niet de bedoeling, maar de onzorgvuldigheid van het wetsvoorstel 2-
244/1 betreffende de euthanasie houdt
dit en nog andere gevaren in.
Een ander voorstel, met name dat van Dokter Philippe MAHOUX (P.S.) en c.s. ging zelfs
zover dat het schriftvervalsing oplegde. Het overlijdenscertificaat van een
geëuthanasieerde patiënt moet volgens dit ontwerp de vermelding " natuurlijke dood
" dragen, opdat de verzekering niets zou vermoeden.
Artikel 7 van het wetsvoorstel van 20.12.1999 ,
legt het wat handiger aan boord door te stellen : " Een persoon die overlijdt ten
gevolge van de toepassing van deze wet, wordt geacht een natuurlijke dood te zijn
gestorven wat betreft de uitvoering van de overeenkomsten waarbij hij partij was, en met
name de verzekeringsovereenkomsten ". Het is zeer de vraag of de
verzekeringsmaatschappijen dit in alle omstandigheden zomaar zouden slikken (cfr. infra
VI.3-4).
VIII.3. De " wereldprimeur " van 20 december 1999 : het wetsvoorstel van
de meerderheid.
VIII.3.1. De " juridisch gecontroleerde euthanasie "
De artsen handelen " paternalistisch " stelt U.I.A.-professor medisch recht,
Thierry VAN SWEEVELT. .
Dit klinkt niet erg respectueus t.o.v. die medici wier dagelijks werk er juist in bestaat
zwaar lijdende patienten te verzorgen en te begeleiden waar hun beroep in de klassieke zin
faalt.
Nu worden het dus vooral de juristen die zich ontfermen over de euthanasie. Artsen,
theoretici, ethici, worden nog wel als getuigen bij de besprekingen betrokken, maar in de
beslissingen en de technische verwerking wordt nu het juridisch gen dominant. Het gevolg
is dat het meest intieme, tijds- en situatiegebonden gevoelsgebeuren herleid wordt tot een
reeks juridische begrippen, principes, procedures en situaties waarover plots juristen het
alléén-inzicht naar zich toetrekken. De patiënt verdrinkt in één abstract continuüm
van " zelfbeschikkingsrecht ", " wilsverklaring ", "overlijden
", kortom in de totale abstractie van het begrip " mens " .
Bovendien wordt het ook onbegrijpelijk tegenstrijdig. Enerzijds mag een arts zich nooit
vergissen. Feilbaarheid wordt vandaag, dankzij de juristen, medico-legaal een fout want
hij moet beter weten. Maar als hij handelt naar zijn beter-weten als " onfeilbare
", is hij paternalist.
De jurist daarentegen, mag het zich veroorloven in een totaal abstracte visie "
zelfbeschikkingsrecht " in éénzelfde verband te leggen met bvb. enerzijds "
penisvergroting " en anderzijds " euthanasie ". Volledig schaamteloos, want
de jurist, in casu Thierry VANSWEEVELT, bekijkt dit abstract, volledig gevoelloos en
zonder rekening te moeten houden met de tot het einde variërende fysische en psychische
perceptie van het leven. Een ethicus zal het daarmee al moeilijker hebben. Een ethicus zit
niet op wetten te vitten, stuurt geen ingebrekestellingen, vordert niet voor rechtbanken,
werkt niet aan de balie of voor verzekeringsmaatschappijen, zal geen deurwaarder sturen.
VIII.3.2. Twijfel en medische handeling
Het feit alleen dat een jurist van formaat als T. VAN SWEEVELT geen onderscheid wil maken
tussen zelfbeschikkingsrecht versus paternalisme, wanneer het gaat om curatief medisch
handelen enerzijds en euthanasie anderzijds, kan al bijzonder zorgwekkend lijken. Voor een
therapeutisch ingrijpen hoopt elke patiënt te kunnen vertrouwen op een bevoegd, maar ook
gedetermineerd " betweter " die hem op de juiste manier behandelt. In het geval
van euthanasie is de patiënt echter vooral gediend met een twijfelend arts die, zelfs na
het ultieme moment van de beslissing, onzeker zal blijven over de echte wens van de
patiënt. Wanneer euthanasie zich beperkt tot de terminale patiënt kan die twijfel
eventueel beperkt blijven.
En dan spreken we nog niet over de twijfel die steeds zal ontstaan rond de zgn. "
wilsverklaring ", een document dat wordt opgesteld in abstracto en volledig buiten de
situatie waarop ze betrekking heeft. Wat is een wilsverklaring waard voor een persoon
wiens bewuste wil verzinkt in de ziekte van Alzheimer, doch glimlacht als hij zijn
kinderen ziet ?
Hier wordt het zelfbeschikkingsrecht de speelbal van het aloude vrije determinisme versus
het fatum. Elke mens wil zelf zijn lot bepalen. Maar de in abstracto opgestelde
wilsverklaring, wordt automatisch het fatum van de persoon wanneer hij niet meer in staat
is die wilsverklaring te herzien. Wie gaat dan uiteindelijk oordelen ? De gemandateerde ?
De arts ? De jurist ? Eerst de gemandateerde nadat hij de nodige informatie kreeg vanwege
en onder de verantwoordelijkheid van de arts ? De jurist komt tussen als het voorbij is.
Niemand zal vandaag ontkennen dat er op medico-legaal vlak bij ons stilaan Amerikaanse
toestanden ontstaan. Evenmin zal iemand betwijfelen dat die er in de VS gekomen zijn door
juristen.
Het medisch handelen wordt, in aansprakelijkheidsverband, geëvalueerd en (voor de
rechtbank) beoordeeld in vergelijking met het normale handelen in dezelfde omstandigheden
en rekening houdend met de stand van de wetenschap, van een modaal zorgvuldig arts. Zonder
Amerikaans getinte interferenties zou dit progressief kunnen evolueren in de richting van
handelen volgens consensusmodel.
Welke zijn de medische consensussen i.v.m. euthanasie ? En zo ze bestaan, wil de wetgever
daar dan rekening mee houden, of moeten ze wijken voor de verruimende prioriteit van het
" zelfbeschikkingsrecht " ? In dergelijke verwarde en immature wettelijke
situatie heeft de arts geen schijn van kans meer op rechtszekerheid. Advocaten zullen voor
talloze grijze-zone-gevallen wel experten vinden die aantonen dat euthanasie ongewenst
was. Voor wie gaat de rechter partij kiezen ? Het slachtoffer of de arts ? De eiser of de
verweerder ? De huidige trend is genoeg gekend.
Vermits in ons parlementair stelsel de wetten gemaakt worden door een meerderheid van
mensen die er beroepshalve als juristen ook hun brood mee verdienen, en vermits men het
euthanasieprobleem in een wet wil steken, laat ons het dan even bekijken door de bril van
de jurist, als partij voor de patiënt, zijn familie of zijn verzekeraar, en tegen de
arts. Er zijn uiteraard telkens maar twee partijen.
VIII.3.3. Juridisme ?
Het principe van het wetsvoorstel over de euthanasie berust bij het nieuwe artikel 417bis
dat ingevoegd wordt in het strafwetboek: " Er is geen misdaad noch wanbedrijf
wanneer... ", waarbij de arts de voorwaarden en procedures dient nageleefd te hebben,
die zijn opgesomd in de nieuwe wet betreffende de euthanasie (WE).
De jurist zal wel weten dat vanuit die nieuw gecreëerde rechtssituatie ook een reeks
nieuwe risico's kunnen ontstaan, bvb. vanuit de gevoelige omgeving van de patiënt of van
belanghebbende derden (bvb. verzekeraars). Men kan pogen aan te tonen dat de arts niet
alle voorwaarden en procedures heeft nageleefd, en een inbreuk heeft gepleegd op de WE.
Een vraag voor juristen : ligt theoretisch de bewijslast nog bij diegene die de
conformiteit met de WE wil aanvechten ? Zo ja, dan zal vermoedelijk spoedig blijken dat
dit evolueert zoals andere materies via de rechtspraak, zoals bvb. met het informed
consent bij invasieve ingrepen. De WE-voorwaarden impliceren immers zeer gelijkaardige
begrippen, nl. een " informatieplicht " en een " verzoek " wat dus ook
een " informed consent " impliceert, nogal logisch daar het precies om een
medisch handelen gaat met irreversibele gevolgen.
De arts zal zich dermate via bewijzen van feitelijkheden moeten indekken dat, gelet op de
mededelingsplicht aan de Procureur des Konings, het omslaan van de bewijslast onafwendbaar
is.
Het verschil met het medisch-curatief handelen kan elementair lijken : elke foutieve
beoordeling, elk niet medegedeeld element of elke procedurefout kwalificeert het niet
conform euthanatisch handelen als misdaad.
De houding van naastbestaanden of van familieleden t.o.v. het handelen van geneesheren
zal, in geval euthanasie gepleegd werd, zeker niet minder revendicatief zijn dan bij
andere gevallen van medisch falen. Er kunnen een massa elementen, belangen, verloren
kansen en andere redenen opduiken, die toch een gerechtelijke procedure kunnen uitlokken.
De kwetsbaarheid van de arts, eens de euthanasieprocedure werd aangegeven, maakt hem tot
een gemakkelijk doelwit voor advocaten en instellingen die hun leden gratis doelgerichte
rechtsbijstand leveren.
Bovendien ontstaat het ingewikkelde probleem van het onderscheid tussen opzettelijk
niet-levensbeëindigend handelen dat wel gevolgd wordt door het overlijden,
niet-opzettelijk levensbeëindigend handelen, en euthanasie (opzettelijk
levensbeëindigend op verzoek van de betrokkene). Met telkenmale de mogelijke verwarringen
rond de vraag : was er een verzoek / instemming van de patiënt ? Met dien verstande dat
verzoek (initiatief van de betrokkene) iets anders is dan consent (initiatief van de arts,
instemming van de patiënt).
VIII.3.4. Euthanasie en de verzekeraar
Het is helemaal niet uitgesloten dat een verzekeraar, die bij het overlijden van de
verzekerde een zware uitkering zou moeten toekennen, zou kunnen overwegen om te pogen
tekortkomingen t.o.v. de WE in de schoenen van de geneeshe(e)r(en) te schuiven. Een
levensverzekeringscontract sluit zelfmoord uit, zeker wanneer het contract werd afgesloten
minder dan twee jaar voor het levenseinde. Ongevallenverzekeringen gaan in dezelfde
richting.
Bovendien gaan hoe dan ook verzekeringsmaatschappijen mogelijk misbruik trachten uit te
schakelen. Wie een fatale diagnose verneemt zal misschien de toekomst van zijn
naastbestaanden willen verzekeren, via een verzekeringscontract dat het overlijden dekt.
Wat met zelfmoordpogingen n.a.v. een schuldenberg ?.
Ingeval de tussenkomst van de verzekeraar wettelijk wordt opgelegd, wat men blijkbaar
poogt te bereiken via de gelijkstelling met " natuurlijke dood " (cfr. VI.2.),
dan neemt dit nog niet weg dat de verzekeraar zijn uitkering kan terugvorderen bij de arts
die verantwoordelijk is voor het overlijden wegens niet conform de WE handelen.
Met het begrip " natuurlijke dood " is het verzekeringsprobleem zeker niet
opgelost. Logischerwijze zou de oorzaak van de aandoening in de plaats moeten komen van de
euthanasie als doodsoorzaak. Natuurlijke dood is bvb niet gedekt in het kader van een
ongevallenverzekering.
Naast de informatieplicht van de arts, stelt zich de vraag naar informatieplicht aan de
arts. Moet de arts geen waarborgen krijgen, zoals afstand van elke vordering ?
Een belangrijke vraag die niet gesteld wordt : is het medisch handelen in het kader van
euthanasie verzekerbaar via de polis Burgerlijke Aansprakelijkheid van de geneesheer gelet
op het bijzonder, vooral juridisch, risico dat hieruit ontstaat. Theoretisch misschien
wel, maar met uitsluiting van het misdrijf " niet conform de WE handelen ". Maar
dat is nu precies wat hem waarschijnlijk zal aangewreven worden ...
De vraag stelt zich dus of de arts zich niet best zou laten bijstaan door een jurist
wanneer hij meent aan een euthanasieverzoek gevolg te kunnen geven.
Het lijkt ons derhalve nuttig enkele elementen uit de WE kritisch te bekijken.
VIII.3.5. Euthanasie en RIZIV
Alhoewel de tekst van het wetsontwerp uitdrukkelijk stelt dat euthanasie slechts mogelijk
is op verzoek van de patiënt, zodat euthanasie op vraag van een derde zoals de overheid
of de collectiviteit uitgesloten is, zal men dit zeker moeten voorzien in de wet zelf.
Er bestaan immers ook andere wetten en decreten die niet los kunnen gezien worden van dit
ontwerp.
Artikel 73 van de gecoördineerde ZIV-wet van 14.07.1994 heeft het immers over het begrip
" nutteloze of onnodig dure verzorging ".
Gaat de zorgverlening van de arts als " nutteloos " beschouwd worden wanneer de
patiënt uitdrukkelijk gevraagd heeft die zorgen niet te verstrekken ?
Gaat ze als onnodig duur worden beschouwd als zou blijken, vanuit de statistische
geanonimiseerde gegevens van de federale euthanasie-evaluatiecommissie, dat in bepaalde
medische situaties dikwijls (of in de meerderheid van de gevallen ?) de behandeling wordt
stopgezet of actieve euthanasie wordt toegepast ? De termen van de ZIV-wet zijn immers
zeer precies : " Het onnodig dure karakter van onderzoeken en behandelingen en het
overbodig karakter van verstrekkingen dienen geëvalueerd te worden in vergelijking met de
onderzoeken, behandelingen en verstrekkingen die een zorgverlener voorschrijft, verricht
of laat verrichten in gelijkaardige omstandigheden. ".
Zullen we, na de eventuele invoegetreding van een euthanasiewet, in de
RIZIV-controlecommissie klachten moeten behandelen van artsen die een " afwijkende
houding " vertonen t.o.v. het door de evaluatiecommissie geregistreerde euthanatisch
handelen ?
Volledigheidshalve vermelden we hier ook het begrip " maatschappelijk verantwoorde
zorg " zoals beschreven in het decreet van de Vlaamse Gemeenschap (29.04.1997) inzake
de kwaliteitszorg in de welzijnsvoorzieningen. We hebben de gevaren van dit decreet
uitvoerig beschreven in mijn verslag over het jaar 1996.
VIII.3.6. Korte tekstanalyse
VIII.3.6.1. Definitie
Artikel 2 definieert euthanasie als " het opzettelijk levensbeëindigend handelen
door een andere dan de betrokkene, op diens verzoek ". Niet-handelen is dus geen
euthanasie. Wel is het niet verlenen van bijstand aan een persoon in levensgevaar een
misdrijf. Moet men daaruit afleiden dat passieve euthanasie niet geregeld wordt ?
Artikel 2, noch enig ander artikel maakt gewag van het naderend levenseinde of een
terminale fase.
VIII.3.6.2. Bepalingen in hoofde van de patiënt
* " Handelingsbekwaam en bij bewustzijn " (art. 3, eerste lid) vergt een
uitdrukkelijk bewijs. Het geringste psychopathologisch element leidt tot uitsluiting van
de toepassing van euthanasie tenzij er een wilsverklaring (art. 4) voorhanden is.
* " Uitdrukkelijk " . Dit vergt een onbetwistbare getuigenis.
* " Ondubbelzinnig " . Dit vergt een bewijs, uitsluiting van de minste
dubbelzinnigheid. Elke verklaring of allusie van patiënt t.o.v. derden die kan wijzen op
dubbelzinnigheid van het verzoek, en die kan bewezen worden, brengt de positie van de arts
in het gedrang. Nochtans vergt de confidentialiteit dat hij slechts de bezoekende
naastbestaanden kan bevragen omtrent het verzoek, mits de betrokkene dit zelf vraagt.
Wordt de uitdrukkelijkheid of de ondubbelzinningheid door iemand betwijfeld, dan neemt de
arts een bijzonder risico, als hij toch op het verzoek ingaat.
* " Weloverwogen " . Dit moet staafbaar zijn. Hoeveel getuigenissen vergt het om
een uitspraak weloverwogen te achten ? Heeft de persoon reeds eerder gelijkaardige
overwegingen geuit ? Is hij erop teruggekomen ? Heeft de persoon al dan niet de neiging op
verklaringen terug te komen. ? In feite is een psychologisch/ psychiatrisch onderzoek met
verslag vereist. De arts, gelet op zijn expertise, wordt geacht de weloverwogenheid juist
in te schatten.
* " Herhaald " en " duurzaam ". Dit kan enkel gestaafd door
getuigenissen en medische maatstaven. Maar deze kunnen evolueren met de tijd
VIII.3.6.3. Voorafgaande verplichtingen van de arts (art. 3, 2e en 3e lid).
* De arts moet de patiënt " volledig inlichtingen over alle aspecten van zijn
gezondheidstoestand " : elke onvolledigheid is dus bezwarend voor de arts.
* Hij moet een andere arts raadplegen over de " ongeneeslijkheid van de aandoening
" . Het raadplegen kan ons inziens alleen mits toestemming van de patiënt.
Het " advies " van die tweede arts is slechts bewijsbaar als het schriftelijk
is. Kan een arts een advies uitbrengen zonder zelf de patiënt gezien te hebben ? Hij moet
toch minstens alle elementen van het dossier kennen. Als onafhankelijkheid t.o.v. de
patiënt gewenst is, kan men zich afvragen of dit niet eveneens vereist t.o.v. alle
naast-bestaanden en t.a.v. mogelijke andere organen die in enig verband staan met de
betrokkene, zoals bvb. de verzekeringsarts.
De ongeneeslijkheid is een relatief begrip dat evolueert met de tijd en de ontwikkeling
van de wetenschap. Tot voor zeer kort zou Lance ARMSTRONG, " Tour de France
"-winnaar 1999, met een hersenmetastase van een testiscarcinoom ten dode opgeschreven
zijn geweest.
* De arts moet " zich vergewissen " van de aanhoudende pijn of nood van de
patiënt en van het duurzaam karakter van zijn verzoek. " Daartoe voert hij meerdere
gesprekken die, rekening houdend met de ontwikkeling van de gezondheidstoestand van de
patiënt over een redelijke periode worden gespreid ". Dit kan slechts bewezen worden
mits getuigen, maar hier komt telkens de privacy in het gedrang . Dit punt zou in principe
agendering en notulering van meerdere gesprekken vergen. Bovendien wordt de arts geacht de
" redelijkheid " van de periode in te schatten, gelet op de aandoening, en ook
bewijzen hebben over de (redelijke) duur van de periode.
* De arts moet er zich ook van vergewissen dat " aan de patiënt de mogelijkheid is
geboden om over zijn verzoek met alle personen van zijn keuze onder andere het verplegend
team waarmee de patiënt geregeld contact heeft (sic) " : ook hier geldt dat in
principe alle gesprekken met de personen van zijn keuze dienen geagendeerd/genotuleerd.
Idem voor de keuze zelf. Quid als patiënt met niemand wil spreken ?
* Zoals het ontwerp uitdrukkelijk voorziet moeten dus alle elementen die de
euthanasie-handelingen voorafgaan en begeleiden, in detail genotuleerd worden...ten
behoeve van de juristen.
Niet alleen zal de arts gekweld blijven met de gewetensproblemen over zijn eigen handelen,
maar bovendien zal hij, als wettelijk " euthanasist ", slapeloze nachten beleven
met de procedurele en juridische gevolgen ervan. Wanneer verjaart de fout ? Op dezelfde
wijze als het misdrijf ?
Hoeveel artsen zullen geneigd zijn euthanasie en de procedure toe te passen ?
Vorige  Inhoud  Volgende
|