|
Nr 2 - Februari 2000 : Jaarverslag 1999 V.B.S. - Dr. Marc MOENS,
Secretaris-generaal
Vorige  Inhoud  Volgende
VI.4. De erkenningscommissies
Op 9 februari 1999 verzocht Dr J.P. DERCQ de BVAS voor einde maart 1999 de lijsten in te
dienen voor de herbenoeming van de erkenningscommissies., met name 7 van de 8 kandidaten
op dubbele lijst voor de Nederlandstalige commissies en 5 van de 6 voor de Franstalige.
Het VBS ontving helemaal geen verzoek. Overeenkomstig het samenwerkingsakkoord dat
bekrachtigd werd door deze Algemene Vergadering op 6 februari 1999, bezorgde de BVAS kopij
van het verzoek van de minister aan het VBS met het oog op de raadpleging van de
respectievelijke beroepsverenigingen die hierin het initiatief moesten nemen. Gezien de
nakende regeringswissel liet de administratie de BVAS weten dat de benoemingen pas door de
nieuwe regering zouden gebeuren.
Op enkele specialismen na waren de lijsten met de ongeveer 700 namen klaar einde juli. Een
ernstige en langdurige beschadiging van ons systeem voor informatieverwerking veroorzaakte
echter een aanzienlijke vertraging, zodat de volledig verwerkte lijsten slechts aan het
Ministerie konden worden overgemaakt op 30.09.99. Daarbij werd andermaal de aandacht
gevestigd op de resultaten van de artsenverkiezingen, volgens dewelke het BVAS recht had
op 7 Nederlandstalige vertegenwoordigers en 5 Franstalige.
Na eerst op de website van het Ministerie van Volksgezondheid vermeld te zijn geweest,
werd de samenstelling van de verschillende erkenningscommissies (M.B. van 24 december
1999) gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 29 januari jl. met invoegetreding op
01.01.2000.
Blijkbaar heeft de minister de zetelverdeling niet willen toepassen volgens de uitslag van
de syndicale verkiezingen, wat de specialisten betreft. Voor de Nederlandstalige
erken-ningscommissies werden slechts 6 plaatsen toegekend aan de BVAS, i.p.v.7, en
minstens 2 aan het Kartel, i.p.v. 1. Voor de Franstalige commissies werd het correct
aantal plaatsen toegekend aan de BVAS. De beroepsverenigingen van de verschillende
specialismen hadden echter telkens, naast de 7 BVAS-VBS kandidaten een achtste (niet-BVAS)
kandidaat voorgedragen " als VBS-lid met bijzondere verdiensten in de werking van de
Beroepsvereniging in het specialisme ". Deze kandidaten werden allen benoemd.
Dikwijls ging het om een collega met Kartel-affiniteit. Bij de definitieve vaststelling
kreeg dit laatste echter een additionele kandidaat toebedeeld, waarbij dan telkens een
BVAS-kandidaat werd afgevoerd. Volgens bevraging bij de bevoegde diensten zou dit helemaal
niet intentioneel gebeurd zijn. Doorgaans werd de laatste alfabetisch gerangschikte
BVAS-kandidaat vervangen door een Kartel-kandidaat.
Ondanks de enorme inspanningen van de beroepsverenigingen en van de secretariaten zowel
van BVAS als VBS, blijft de voordracht toch voor verbetering vatbaar : 700 namen verwerken
is geen kleinigheid. De sterk vertraagde inlevering, de moeilijkheid van de contacten
tijdens de vakantieperiode, en de technische tegenslag met de computerverwerking hebben
het niet gemakkelijker gemaakt.
De wettelijke vereisten inzake evenwicht tussen mannen en vrouwen, hebben bovendien voor
een aantal verrassingen gezorgd. Zo werden in sommige specialismen vrouwelijke collegae
die op de tweede lijst vermeld stonden, door de minister op de eerste lijst geplaatst,
zodat de mannelijke collegae nog slechts een kleine minderheid vormen. De Nederlandstalige
erkenningscommissie voor reumatologie bestaat uit twee mannen en zes vrouwen, wat in
tegenstrijd is met de wet.
Wij hebben de Minister vruchteloos verzocht nog een aantal correcties te willen
aanbrengen. Zo werd bvb. ook in de Nederlandstalige commissie van gastro-enterologie een
kandidaat aangeduid die geen erkend specialist is in de discipline. Het meest
betreurenswaardige is echter dat een ganse reeks collegae die tot nog toe zeer actief en
met grote deskundigheid hadden deelgenomen aan de werkzaamheden van de
erkenningscommissies, waaronder zelfs vroegere voorzitters, arbitrair naar huis werden
gestuurd. In verscheidene gevallen werden dezen vervangen door collegae die, wegens
geringe belangstelling, aanvaard hadden op de tweede (fictieve) lijst te worden vermeld,
in de verwachting dat ze toch niet zouden benoemd worden. Wij hopen dan ook dat in de
komende maanden de samenstelling van de erkenningscommissies op de reële belangstelling
en deelname zal getoetst worden, en zonodig worden aangepast.We verzoeken daarom de leden
van de erkenningscommissies dergelijke gevallen te willen mededelen aan de
Beroepsvereniging van het specialisme teneinde een wel belangstellende kandidaat te kunnen
voordragen.
VI.5. Nieuwe bijzondere criteria
VI.5.1. De oncologie en de medische oncologie.
Toen de ex-minister van Volksgezondheid Marcel COLLA na veertien dagen Paasverlof inzag
dat zijn ontwerp inzake de Oncologische zorgprogramma's niet in publiceerbare staat kon
geraken vóór de verkiezingen van 13 juni, liet hij dit varen en legde hij zich toe op de
erkenning van de bijzondere beroepstitels. Enkele aanpassingen op initiatief van Prof. Dr
GRUWEZ, konden niet verhelpen dat ernstige bezwaren vanuit verscheidene specialismen
bleven bestaan. Het gevolg daarvan was dat, ééns gepubliceerd in het B.S. van 22.06.99,
deze maatregelen aanleiding gingen geven tot een reeks verzoekschriften tegen de Staat.
(zie ook IV.4.)
De benamingswijziging " radiotherapie-oncologie " schiep op zich geen probleem,
maar wel het erratum van Minister Colla dat op 31.08.99 in het B.S. verscheen, waardoor de
toegang van de radiotherapeuten tot de medische oncologie (lees " chemotherapie
" -cfr nota Dr DERCQ september 1999) werd ontzegd.
Aansluitend bij ons schrijven aan Prof. Dr KEIRSE, Kabinetschef van Minister AELVOET
betreffende de verontrustende gevolgen van dit erratum, antwoordde de Minister op 25.10.99
dat de ganse problematiek van de oncologie opnieuw zou onderzocht worden in de schoot van
de Hoge Raad.
Tijdens een informeel verkennend gesprek op verzoek van Prof. DR S. VAN BELLE, in
aanwezigheid van de Prof. DE GREVE en GRUWEZ, en de Drs HUGET en ondergetekende, op
17.11.99, bleek dat verscheidene knelpunten bleven bestaan. Prof. VAN BELLE verklaarde
zich akkoord met de koppeling van de bijzondere bevoegdheden aan de respectievelijke
basisspecialismen, maar wenste de benaming " medisch oncoloog " te behouden,
conform de benaming van de Belgian Society of Medical Oncology. Deze titel zou dan
uitsluitend toegankelijk zijn voor de internist en de kinderarts. Wat de toegang tot de
cytostatica betreft, meende hij dat een onderscheid moet gemaakt worden tussen de
bestaande cytostatica, toegankelijk voor alle specialisten, en de nieuwe cytostatica welke
alleen door oncologen en medisch-oncologen zou mogen aangewend worden. Volgens Prof. S.
VAN BELLE zou de bedoeling van de erkenning moeten zijn de " amateurs " te weren
uit de chemotherapiebehandelingen.
Op 02 december kwamen de vertegenwoordigers van de beroepsverenigingen bijeen samen met
afgevaardigden van de respectievelijke erkenningscommissies, op uitnodiging van het VBS,
en in aanwezigheid van Prof. Dr S. VAN BELLE. Daaruit bleek dat in de meeste disciplines
de oncologische zorg of een belangrijk deel ervan integrerend deel uitmaakt van de
basisspecialiteit en dat men bijgevolg het invoeren van een bijzondere titel weinig nuttig
achtte.
Op 01 februari jl. werd een nieuwe ontwerptekst voorgelegd aan (andermaal) een "
werkgroep " van de Hoge Raad. Het nieuwe ontwerp van ministerieel besluit bestaat uit
volgende componenten :
De definitie van " Oncologie " : " het geheel van de specifieke
fundamentele, klinische en technische kennis in verband met de preventie, de opsporing, de
diagnose, de behandeling en de opvolging van gezwelziekten bij volwassenen en/of kinderen,
met inbegrip van alle weefsels van het menselijk organisme en in alle stadia van deze
ziekte. "
De opleiding en erkenning in de medische oncologie en in de pediatrische oncologie: dit
worden afzonderlijke specialismen ontstaan uit de gemeenschappelijke stam inwendige
geneeskunde. Opleidingsduur 6 jaar, waarvan drie jaar medische of pediatrische oncologie.
Gastro-enterologen of pneumologen, erkend of in opleiding, kunnen na 3 jaar basisopleiding
in inwendige geneeskunde en mits 3 jaar stage in een polyvalente stagedienst voor medische
oncologie, de beroepstitel van medisch oncoloog bekomen, mits afstand van de
oorspronkelijke erkenning.
Overgangsbepalingen (medische - en pediatrische oncologie) : de geneesheer-specialist die
op substantiële en belangrijke wijze met voldoende kennis een van deze disciplines
uitoefent sedert minstens 4 jaar, kan binnen de twee jaar zijn erkenning aanvragen mits
afstand van zijn oorspronkelijke erkenning.
Men heeft er het raden naar welke specialismen hier precies worden bedoeld. Aangezien in
het ontwerp van Ministerieel Besluit de radiotherapie-oncologie enkel vermeld wordt onder
de overgangsbepalingen van hoofdstuk IV (bijzondere bevoegdheid in de oncologie - zie
verder), krijgt men de indruk dat hier andermaal een poging wordt ondernomen om dit
specialisme uit te sluiten. Het uitdrukkelijk vermelden van het specialisme in de
overgangsbepalingen m.b.t. medische oncologie zou o.i. een kleinigheid zijn, waardoor
andermaal een onrechtvaardigheid zou kunnen worden vermeden.
Een zeer uitvoerige bepaling betreffende de soorten en niveau's van activiteiten van de
stagediensten, poliklinisch en dagziekenhuis inbegrepen, evenals de omgevingsvereisten
(erkende stagediensten chirurgie, inwendige geneeskunde, pediatrie, radiodiagnose,
klinische biologie,anatomopathologie, microbiologie, radiotherapie en het nog niet erkende
specialisme " hematologie ").
Een afzonderlijke regeling m.b.t. de bijzondere bevoegdheid in de oncologie voor een
blijkbaar gecorrigeerde lijst van specialismen (art. 6 § 1), waaraan oftalmologie en
hematologie werden toegevoegd, en welke twee jaar opleiding vergt, waarvan één tijdens
de opleiding in het basisspecialisme. Voor de pneumologen (art. 7 § 2) kan deze opleiding
worden opgenomen in de hogere opleiding van het basisspecialisme, mits de totale
opleidingsduur 6 jaar bedraagt.
De overgangsbepalingen werden opgesteld volgens het klassieke schema : minstens 4 jaar
uitoefening van de betrokken oncologische discipline na de erkenning als
geneesheer-specialist.
Gelet op de allesomvattendheid van de definitie in artikel 1, ontstaat een zwaar
inhoudelijk probleem : de medische- en de pediatrische oncologie worden afzonderlijke
specialismen. De oncologie scheurt zich hier dus in haar totaliteit af van de
basisspecialiteit. Tenzij uitdrukkelijk aan de definitie zou toegevoegd worden dat ze
integrerend deel uitmaakt van de basisspecialismen vermeld in art 6 § 1. Men kan zich ten
andere de vraag stellen of inwendige geneeskunde en pediatrie niet best eveneens in deze
lijst moeten opgenomen worden.
In feite wordt het afscheuringsprobleem enkel opgevangen voor het specialisme pneumologie
door de afwijkingsbepaling van art. 7 § 2.
Vermits de algemene erkenningscriteria voorzien dat de geneesheer-specialist uitsluitend
zijn specialiteit mag uitoefenen, ware het logisch de tegenstrijdigheid tussen enerzijds
een afzonderlijke specialiteit medische- of pediatrische oncologie en anderzijds een
bijzondere bevoegdheid in de oncologie (als subdeel van een specialiteit) weg te werken.
VI.5.2 De neonatologie
In de K.B.'s over de normen van de N* en NIC-diensten (K.B. 20.08.1996 - B.S. 01.10.1996)
had Minister Colla de bijzondere vereiste voorzien van een kinderarts met bijzondere
ervaring in de neonatologie, wat gedefinieerd werd als volgt : "hetzij houder zijn
van een bijzondere beroepstitel van geneesheer specialist in de neonatologie " (een
titel die tot 8 juli jl. niet bestond), " hetzij, zolang geen enkele bijzondere
beroepstitel aan deze bijzondere bevoegdheid werd toegekend, bekend staan bij de
erkenningscommissie van kindergeneeskunde als bijzonder bekwaam in neonatale verzorging.
"
Ondanks alle tussenkomsten - en het gebruikelijke verzoekschrift ingediend bij de Raad
State van de Beroepsvereniging van de Kinderartsen - weigerde Marcel COLLA koppig deze
bepaling, die zowel voor N* (functie lokale neonatale zorgen) als voor de NIC (Intensieve
neonatologie) van toepassing was, aan te passen.
In juli 1999 kon de Beroepsvereniging kennismaken met een tweede karaktertrek van Marcel :
voortvarendheid. In dit geval zelfs postume voortvarendheid, want hij was al méér dan
een maand minister af toen het Ministerieel Besluit 03.05.99 over de bijzondere
beroepstitel in de neonatologie verscheen in het B.S. van 08.07.99.
Om de titel van neonatoloog te bekomen moet men voortaan een opleiding gevolgd hebben van
2 jaar, waarvan 1 tijdens de opleiding in de kindergeneeskunde, en wel uitsluitend in
diensten waar permanent alle aspecten van de intensieve en niet-intensieve neonatologie
beoefend worden.
Ook de gebruikelijke overgangsbepalingen - minstens vier jaar ervaring - gelden
uitsluitend voor een hoofdactiviteit in de NIC dienst.
Sedert de besluiten van 1996 waren de erkenningscommissies voor kindergeneeskunde
getuigschriften gaan afleveren aan kinderartsen met neonatologische ervaring werkzaam in
NIC en N* eenheden. Inmiddels organiseerde COLLA nieuwe bekwamingsvereisten die de
medische bestaffing van N* diensten buiten spel gingen zetten of deze collegae zouden
dwingen in de illegaliteit te werken. Dit is een van de mooiste staaltjes van het Belgisch
gezondheidsbeleid, dat weliswaar nog ontbreekt in het rapport " Peers ".
De inmiddels opgerichte Belgische Academie voor Kindergeneeskunde heeft inmiddels besloten
om de minister te verzoeken de voor de N* zinloos geworden bekwamingsvereiste aan te
passen. Dr PLETINCX , Voorzitter van de Academie en Prof. Dr DEVLIEGER, Voorzitter van de
neonatologen-intensivisten, bespraken het probleem met Dr DERCQ, waarna ze samen met Prof.
Dr PROESMANS, ondervoorzitter van de Academie en Voorzitter van de BVK, een ontmoeting
hadden met Prof. Manu KEIRSE, Kabinetschef van Minister AELVOET. Beide gesprekken werden
beantwoord met de belofte de nodige aanpassingen te voorzien.
Vorige  Inhoud  Volgende
|