Home | VBS | Verenigingen | De Gids | Accreditering | Tarieven | Wetgeving | Verzekeringen | De Bulletijn | Hulp 

De Geneesheer-Specialist

Orgaan van het Verbond der Belgische Beroepsvereniging van Geneesheren Specialisten

Nr 2 - Februari 2000 : Jaarverslag 1999 V.B.S. - Dr. Marc MOENS, Secretaris-generaal

Vorige nummer Vorige Archieven van de Geneesheer Specialist Inhoud Volgende nummer Volgende

VI.    OPLEIDING EN ERKENNING VAN GENEESHEREN-SPECIALISTEN.

VI.1.    De Hoge Raad van geneesheren-specialisten en huisartsen.

Sedert 5 november 1998 kwam de Hoge Raad niet meer bijeen. Hij werd ook niet bijeengeroepen, misschien omdat tijdens deze woelige vergadering over de organisatie van de gespecialiseerde functie spoedgevallen een motie van wantrouwen tegen minister COLLA was geëist. De Voorzitter Dr J.P. DERCQ was ondanks driemaal aandringen doof gebleven voor het verzoek. Een verslag van deze vergadering is vooralsnog niet in ons bezit.

Wel blijken regelmatig " deel "- of " satelliet "- vergaderingen plaats te vinden onder de benaming " Werkgroep van de Hoge Raad ", zonder dat daaromtrent enige feed-back wordt georganiseerd en zonder dat de Hoge Raad zelf de gelegenheid krijgt om over enig ontwerp of beslissing bevestigend of corrigerend op te treden. Deze gebrekkige werking steekt schrijnend af tegen het blijkbaar zeer vlot functioneren van andere organen binnen het Ministerie van Volksgezondheid, zoals bvb. de Nationale Raad voor Ziekenhuisvoorzieningen. Een ganse reeks verzoekschriften tot nietigverklaring bij de Raad van State betreffende recente maatregelen inzake de oncologie (cfr. IV.6) zijn nochtans rechtstreeks toe te schrijven aan dit euvel. Ook andere besluiten zoals betreffende de neonatologie (M.B. 03.05.99 - B.S. 08.07.99), zouden hoogstwaarschijnlijk geen a posteriori aanpassingen gevergd hebben, indien de voorafgaande raadpleging en adviesverlening correct was gebeurd.

Luidens art 5, § 5 van het K.B. van 21.04.1983 kan de Hoge Raad " werkgroepen oprichten belast met een welbepaalde opdracht ". De Hoge Raad heeft echter nooit een algemene opdracht aan een werkgroep of aan bepaalde personen gedelegeerd, en zelfs al zou dit als dusdanig geïnterpreteerd worden, dan nog is dit onwettig. Wat betreft het specifieke geval van de oncologie beschikt de Raad van State nu in elk geval over duidelijke bewijzen dat een bijzondere opdracht terzake nooit gegeven is.

Aanvullend moeten wij erop wijzen dat gedurende het voorbije anderhalf jaar nooit enige informatie werd bezorgd aan de leden van de Hoge Raad over de werkzaamheden en overwegingen van dito " werkgroep(en) ". Uit toevallige briefwisseling van deelnemende collegae aan werkgroepvergaderingen blijkt bovendien dat omtrent deze werkzaamheden niet eens een verslaggeving wordt georganiseerd.

Wij kunnen bijgevolg niet anders dan vaststellen dat de bepalingen van art. 5 van het K.B. van 21.04.1983, en vooral ook de § 6 (convocatie, quorumvereisten, agenda, relatieve meerderheden van huisartsen/ specialisten naargelang de behandelde materies, formele modaliteiten van beraadslaging, enz…) niet of minstens onbehoorlijk worden toegepast.

VI.2.    Wijzigingen van het basisbesluit (K.B. 21.04.1983)

Als een donderslag bij een (lang geen) heldere hemel verscheen, samen met de wet over de niet-conventionele praktijken, het K.B. van 16 maart 1999 in het Staatsblad van 24 juni 99 (invoegetreding 10 dagen na publicatie), waarbij :

- het stageplan voortaan vergezeld moet zijn van " een attest dat aantoont dat de kandidaat door een faculteit geneeskunde aanvaard is voor de discipline waarin hij opgeleid wil worden " (NB : er wordt niet uitdrukkelijk voorzien dat dit een Belgische faculteit moet zijn. Het is bijgevolg niet uitgesloten dat het M.B. van 14.01.93 (B.S. 10.03.93) tot vaststelling van de lijst van diploma's, certificaten en andere titels van arts afgeleverd door de lidstaten van de Europese Gemeenschap, hier interpretatiemogelijkheden biedt).

- de erkenningsvereiste wordt ingevoegd van " een attest dat aantoont dat de kandidaat met vrucht een specifieke universitaire opleiding heeft gevolgd ; voor de kandidaat-specialisten moet deze opleiding gelijktijdig hebben plaatsgevonden met de eerste twee jaar van hun opleiding ".

Mede ingaand op de spontane reacties van verscheidene stagemeesters uit perifere ziekenhuizen, erkend voor volledige opleiding, waaronder " zorgverleners " van het Hof, publiceerde Prof. Dr.J. GRUWEZ in " De Standaard " (12.07.99) scherpe kritiek, die op zijn beurt verscheidene reacties uitlokte, o.m. vanwege Dr J.P. DERCQ, Leidend ambtenaar van de Dienst Geneeskundepraktijk van het Ministerie van Volksgezondheid, die enkele dagen later in dezelfde krant de juridische bezwaren van onze Ondervoorzitter weerlegde en, recenter nog, vanwege Prof. R. VERDONCK, Voorzitter van de Beroepsvereniging van de orthopedisch chirurgen, die vooral aanstoot nam aan de nogal heftige termen van het artikel, die hij weinig bevorderlijk achtte voor de goede onderlinge verstandhouding.

Het was geenszins de bedoeling interne polemieken te veroorzaken. Collega GRUWEZ betreurde vooral dat over de uitschakeling van het zgn. " vrije opleidingscircuit " nooit enige openlijke en zinvolle discussie ten gronde was georganiseerd in de schoot van de Hoge Raad, alvorens deze maatregelen te treffen. Tegenover deze universitaire verankering van de specialistische opleiding en erkenning, stelde hij met aandrang voor om over te gaan tot het inrichten van een nationale selectieproef, waarbij de geselecteerde kandidaat de keuzevrijheid wordt gelaten om zijn opleiding universitair en extra-universitair te volgen. Deze vruchtbare denkpiste zou minstens de moeite lonen om aan een bespreking in de Hoge Raad onderworpen te worden.

Er was nog een andere reden waarvoor de getroffen maatregelen best vooraf in de Hoge Raad - welke voortaan een delegatie van de kandidaat-specialisten omvat - waren besproken geweest : nergens had het K.B. immers overgangsbepalingen voorzien, zodat zich de vraag stelde of de reeds goedgekeurde stageplannen van kandidaat-specialisten nu plots met een selectie-attest en van het " attest van specifieke universitaire opleiding " moesten worden aangevuld. Ter informatie, en mede met de bedoeling hun de mogelijkheid te geven om bewarende maatregelen te treffen, hebben wij begin juli een omzendbrief gestuurd naar alle kandidaat-specialisten, samen met nadere inlichtingen omtrent de toen pas verschenen overgangsbepalingen inzake de oncologie, medische oncologie en neonatologie.

Op 13 juli 1999 meldde ons Minister AELVOET dat deze nieuwe bepalingen uitsluitend toepasselijk zouden zijn voor de nieuwe stageplannen ingediend vanaf september 1999. Toch werd achteraf vastgesteld dat sommige stagemeesters de zaak anders interpreteerden, en dat er bvb. soms moeilijkheden konden ontstaan in geval van wijziging van het stageplan, tot nog toe weliswaar zonder verdere blijvende gevolgen voor de kandidaat-specialisten.

VI.3.    De nieuwe Algemene Erkenningscriteria (M.B. 30.04.1999 - B.S. 29.05.99)

Na de definitieve afsluiting van het debat in de plenaire Hoge Raad op 23 mei 1997, vooraf-gegaan door besprekingen in de Nationale Paritaire Commissie Geneesheren-Ziekenhuizen betreffende het financieel en sociaal statuut van de kandidaat-specialisten, was het goedgekeurde ontwerp inzake de algemene criteria van opleiding en erkenning van geneesheren-specialisten in het koelvak terechtgeraakt.

Het verrassend verschijnen van een niet-gedateerd Ministerieel Besluit van Minister COLLA op de website van het Ministerie van Volksgezondheid, lokte in januari 1999 hevige reacties uit, o.m. van verscheidene professoren in de Anesthesie, met betrekking tot de opleidingsmogelijkheden van toekomstige anesthesisten inzake spoedgevallenzorg. De tekst van het M.B. interfereerde duidelijk met de op dat ogenblik bijzonder conflictueuze situatie i.v.m. de Colla-normen betreffende de spoedgevallendiensten, meer in het bijzonder i.v.m. de bevoegde specialismen wat de medische permanenties betreft. Blijkbaar had de tekst op dat vlak ongemerkt een aantal manipulaties ondergaan in de koelkast. Dank zij intens overleg, o.m.vanwege Prof. Dr. GRUWEZ, ter hoogte van de administratie van Geneeskundepraktijk, kwam er dan toch een aanpassing van de teksten waardoor voor de 13 basisspecialismen (Anesthesie, Chirurgie, Inwendige Geneeskunde en deelspecialismen, inclusief de neurologie) de opleidingskansen in de spoedgevallendiensten gewaarborgd bleven.

Maar de vermelding, eveneens op de Website van het Ministerie, van de vooropgestelde barema's voor de vergoeding van kandidaat-specialisten, lokte op haar beurt heel wat politieker gerichte tussenkomsten uit van sommige Faculteiten. De reeds door COLLA getekende tekst van het Ministerieel besluit werd opnieuw in beraad genomen door Premier DEHAENE, na tussenkomst van ex-minister van Financiën Herman VAN ROMPUY en het zag er zelfs een ogenblik naar uit dat de nieuwe bepalingen niet voor het einde van de legislatuur in het Staatsblad zouden geraken. Uiteindelijk gebeurde dit toch op 29 mei, met een merkelijk verzachtende overgangsregeling wat de minimale vergoedingen betreft (afbouw van het loonverschil t.o.v. 1998-1999.met één derde per jaar, tot 01.09.2001).

Niet alleen het pecuniair statuut van de kandidaat-specialisten lokte reacties uit, maar ook de striktere bepaling van de activiteitsduur en van het aantal wachtbeurten, evenals de inlassing van recuperatietijden. Verscheidene stagemeesters in de chirurgie en in de orthopedische chirurgie berekenden dat de weerslag van deze maatregelen voor hun specialisme een verkorting veroorzaakt van de globale reële opleidingsduur van 72 maanden tot 48 à 53 maanden " hetgeen ", aldus bepaalde stagemeesters, " ons terugbrengt naar de opleidingsschema's uit de zestiger jaren ". Recentelijk nog heeft de Beroepsvereniging voor Neurochirurgie haar bezorgdheid medegedeeld aan de Hoge Raad over het feit dat de beperking van de wachtdiensten problemen zou opleveren voor de neurochirurgen in opleiding om voldoende ervaring te verwerven in een aantal neurochirurgische technieken die essentieel zijn maar niet frequent voorkomen.

Volgens Dr DERCQ (Vergadering werkgroep 07.12.99) zou dit geen probleem scheppen vermits art. 5. punt 18 van het M.B. 30.04.99 de mogelijkheid voorziet om afwijkende regelingen t.o.v. de andere voorwaarden van art. 5 , te treffen tussen de stagemeester en de assistent. Zolang er geen klachten komen, zou er dus geen vuiltje aan de lucht zijn. Ook niet op verzekeringsvlak. Aangezien deze uitzonderingen voorzien zijn in de wet, zouden er zich evenmin problemen stellen zowel voor de stagemeester als het stageziekenhuis, op het vlak van de verzekerbaarheid van de medische handelingen van de assistent, zelfs wanneer de assistent langer werkt dan wettelijk voorzien.

Wij vrezen deze toelichting ten stelligste in twijfel te moeten trekken, daar art 5., inzonderheid de punten 17 en 19 tot 24, enerzijds de minimale rechten bepaalt van de kandidaat-specialist doch anderzijds de maximale werkverplichtingen die door de stagemeester kunnen opgelegd worden. Wel is het zo dat de bijzondere regelingen moeten voorgelegd worden aan de Hoge Raad, die er zijn goedkeuring moet aan hechten. Een niet goedgekeurde bijzondere regeling houdt dus zekere risico's in. Blijkbaar ontstond het hele probleem in ruime mate door de a priori assimilatie van inslapende wachtbeurten (bestaande uit rustperiodes gedeeltelijk onderbroken door medische activiteiten) met " staande wachten ".

In het septembernummer 1999 van " De Geneesheer-Specialist " werd meer in detail, ingegaan op de algemene criteria, en werd een ganse reeks vragen, gesteld door collegae, beantwoord en toegelicht door Dr DERCQ.

Tenslotte dienen we nog te vermelden dat op 23 maart 1999 het VBS nog een specifieke bemerking had gemaakt aan de Minister omtrent de bepaling van art 6.4., volgens dewelke in het stageziekenhuis slechts erkende geneesheren-specialisten aan het hoofd moesten staan van de diensten inwendige geneeskunde heelkunde, gynecologie-verloskunde en radiodiagnose. Wij meenden dat, op de vooravond van de 21ste eeuw, het nogal logisch zou zijn dat alle diensten van een opleidingscentrum onder de leiding moesten staan van een erkend geneesheer-specialist. Blijkbaar werd dit voorstel aanvaard, doch met één onbegrijpelijke uitzondering : het laboratorium voor klinische biologie. (cfr . IV.6).

Vorige nummer Vorige Archieven van de Geneesheer Specialist Inhoud Volgende nummer Volgende

Questions & Comments

Copyright © VBS, 1997-2004

  Home | VBS | Verenigingen | De Gids | Accreditering | Tarieven | Wetgeving | Verzekeringen | De Bulletijn | Hulp