|
Nr 2 - Februari 2000 : Jaarverslag 1999 V.B.S. - Dr. Marc MOENS,
Secretaris-generaal
Vorige  Inhoud  Volgende
IV. HET GERECHTELIJK " CONTENTIEUX " VAN HET
VERBOND
IV.1. Artikel 139 bis van de ziekenhuiswet
IV.1.1. Uitspraak van het Arbitragehof ......
Op 9 juni 1999 bracht het Arbitragehof een arrest uit
waarbij het verzoekschrift van het Verbond verworpen wordt. Toch blijken enkele
belangrijke overwegingen waarmee zal moeten rekening gehouden worden, uit het arrest. Art.
139bis bepaalt
de directe en indirecte kosten die lastens de honoraria kunnen worden verhaald. Het
Arbitragehof zegt daarbij :
- dat het luidens art 140, §§ 1, 3° en 3 uitsluitend kan gaan om
(alle) kosten veroorzaakt door de medische prestaties die niet door de verpleegdagprijs
worden vergoed. M.a.w. de draagwijdte van art. 139bis wordt beperkt door het
causaliteitsverband tussen kosten, d.w.z. uitgaven; sommige ziekenhuisbeheerders breiden
ten onrechte de redenering uit tot inkomsten of gemis aan inkomsten) en medische
verstrekkingen, in tegenstelling tot kosten veroorzaakt door de prestaties van het
ziekenhuis.
- " De Medische Raad is het vertegenwoordigend orgaan dat de
ziekenhuisartsen betrekt bij de besluitvorming in het ziekenhuis en waarvan de leden
verkozen worden door de ziekenhuisartsen. De bedoelde inhoudingen op de honoraria worden
dan ook nooit automatisch en zonder instemming van hun vertegenwoordigers aan de artsen
opgelegd ". Dit betekent duidelijk dat de indirecte kosten niet automatisch aan de
artsen kunnen tenlaste gelegd worden, doch de voorafgaande instemming vereisen van de
Medische Raad. Het Arbitragehof vestigt hier de aandacht op de zaakbehartigende rol van de
Medische Raad die, als vertegenwoordiger van de ziekenhuisartsen een opdracht en een zware
verantwoordelijkheid krijgt. De individuele arts kan op basis van de bepalingen van de
art. 139bis en 140 de concreet aangerekende kosten bestrijden, doch zal in dat geval
genoopt zijn de Medische Raad in het geding te betrekken. Het ligt voor de hand dat deze
laatste zich bij de uitvoering van zijn taak best omringt door een deskundige.
IV.1.2. ... en de naweeën ?
De Minister van Sociale zaken heeft een ontwerp-K.B. voorbereid in uitvoering van art.
128bis van de ziekenhuiswet, en dat bedoeld is om een opsomming te geven van de informatie
en boekhoudkundige gegevens die door de ziekenhuisbeheerder moet bezorgd worden aan de
Medische Raad. De minister zal ermee moeten rekening houden dat de meegedeelde gegevens
zodanig moeten zijn dat ze de Medische Raad in de mogelijkheid stellen om op
oordeelkundige wijze betrokken te kunnen worden bij de besluitvorming, en zowel m.b.t. de
indirecte als de directe kosten.
Het huidige ontwerp dat een slechts éénmalige, jaarlijkse mededeling voorziet van a
posteriori-gegevens, blijkt daarvoor ontoereikend. Tevens zal de bijstand van een eigen
deskundige van de Medische Raad een mogelijke technische vereiste moeten zijn.
Tenslotte menen wij andermaal te moeten wijzen op de tekortkomingen van de overheid
wanneer ze maatregelen treft die rechtstreeks of onrechtstreeks verband houden met de
uitvoering van Titel IV van de ziekenhuiswet. Art. 145 van deze laatste zegt uitdrukkelijk
dat omtrent " alle uitvoeringsbesluiten van Titel IV " het advies moet
ingewonnen worden van de Nationale Paritaire Commissie Geneesheren-Ziekenhuizen. Ons
standpunt is dat bvb. wijzigingen aan het boekhoudkundig plan van de ziekenhuizen, en die
een directe weerslag hebben op de art. 128bis, 139bis of 140, niet rechtsgeldig kunnen
ingeroepen worden voor een tenlastelegging van kosten aan de ziekenhuisartsen, indien
omtrent deze maatregelen het advies van de NPCGZ niet vooraf is ingewonnen.
IV.2. Arbitragehof : Vermassen-Lenssens (artikel 50 bis van de
ZIV-wet)
Op 02.09.98 had het Verbond een verzoekschrift neergelegd bij het Arbitragehof tegen de
art. 98, 99, 100 en 101 van de Wet houdende sociale bepalingen van 22 februari 1998 (B.S.
03.03.98) 
Inmiddels werden de bestreden bepalingen vervangen door de art 121 en 122, 2e lid van de
wet van 25 januari 1999 (B.S. 06.02.99). Het Arbitragehof heeft dus besloten de eerste
zaak van de rol te schrappen tenzij een nieuw verzoek tot nietigverklaring zou ingediend
worden tegen deze laatste bepalingen. Het Bestuurscomité gaf hiertoe opdracht op 28 juni
1999.
Vlak voor de Kerstperiode werd een wederantwoord neergelegd. De laatste fase van de
procedure volgt in een nabije toekomst.
Na juli 1999 werden verscheidene collegae onder druk gezet door sommige ziekenfondsen die
de ongeldigheid van honorariumsupplementen aanvoerden bij patiënten in
dagziekenhuisbehandeling. Bij sommige collegae werd gedreigd met gerechtelijke procedures.
Het ziekenfonds beriep zich op een " korte interpretatieve verklaring " van Dhr.
Jan LENSSENS (CVP) tijdens de plenaire Kamerzitting van 02.12.1998.
In een uitvoerige nota werd een opsomming gegeven
van verschillende wettelijke en reglementaire elementen waaruit duidelijk blijkt dat
patiënten behandeld in dagziekenhuis geen in een ziekenhuis opgenomen patiënten zijn.
Verklaringen van een parlementariër zijn uiteraard de wet niet.
Jammer genoeg volhardt minister VANDENBROUCKE niet alleen in de boosheid, hij doet er ook
nog een schepje bovenop. In antwoord op een parlementaire vraag vanwege
CVP-volksvertegenwoordigers Luc GOUTRY en Trees PIETERS in verband met supplementen,
breidt hij de toepassing van artikel 50 bis van de ZIV-wet niet alleen uit tot de
daghospitalisatie, maar ook tot ambulante verstrekkingen, alhoewel hiervoor niet de minste
wettelijke grond bestaat .
Domheid vanwege een kabinetsmedewerker of een intentionele vergissing van VANDENBROUCKE ?
Misschien het eerste, want in het antwoord staan ook "materiële"
overschrijffouten van de bestaande wetgeving.
IV.3. Wet op de niet-conventionele praktijken
De wet op de niet-conventionele praktijken die in politieke oververhitting van de
pre-electorale periode in overhaast werd gestemd, kwam op 24.06.99 in het Belgisch
Staatsblad. Het Bestuurscomité van het VBS gaf op 28 juni 1999 opdracht aan een advocaat
om de mogelijkheden en opportuniteiten van een procedure tegen deze bepalingen te
onderzoeken.
De Raad van State had scherpe kritiek uitgebracht over het ontwerp. In het algemeen waren
alle juristen het erover eens dat deze wet een buitensporige bevoegdheid zou verlenen aan
de Koning, dat er geen enkele definitie wordt gegeven van de niet-conventionele praktijk,
en dat er minstens een onevenwicht ontstond t.o.v. de bepalingen van het K.B. nr 78.
De buitensporigheid van de uitvoerende bevoegdheid is evenwel tevens de zwakheid van de
wet, die uiteindelijk niets meer dan een formeel kader schept, doch inhoudelijk een lege
schelp is. Uiteraard is het in die omstandigheden moeilijk om discriminaties aan te tonen.
De wet vergt een ganse reeks van voorafgaande uitvoeringsbesluiten, alvorens inhoudelijke
maatregelen kunnen getroffen worden. Bovendien is het niet meteen duidelijk waar de
uitvoering haar aanvang moet nemen. Een van de beginfasen is de erkenning van de
beroepsverenigingen van de niet-conventionele beroepsbeoefenaars, waaronder uiteraard ook
deze van geneesheren die desbetreffende praktijk beoefenen. Het ligt voor de hand dat de
regering hier niet discriminerend kan optreden, door bvb. alleen beroepsverenigingen van
niet-geneesheren te erkennen.
Het Verbond zal de verdere levenswandel van deze wet op de voet moeten volgen en zo nodig
moeten ingrijpen m.b.t. de mogelijke uitvoeringsbesluiten.
IV.4. Raad van State : de oncologie (cfr. ook VI.5.1.)
Op de gerechtelijk hoog productieve Bestuursvergadering van 28 juni 1999 werd eveneens
beslist om verzoek tot nietigverklaring in te dienen tegen maar liefst drie besluiten,
waaronder één van minister DE GALAN, en twee van COLLA, in verband met de oncologische
zorg, met name :
- het M.B. van 31.05.1999 (B.S. 01.06.99) betreffende de voorwaarden waaronder de ZIV
tegemoetkomt in de kosten van bepaalde oncologische geneesmiddelen, m.b. wat de
terugbetalingsvoorwaarden betreft, welke een rapport opgesteld door een medisch oncoloog
vereisen.
- het K.B. van 11.04.1999 (B.S. 22.06.99) tot wijziging van het K.B. van 25.11.91 houdende
de lijst van de beroepstitels voorbehouden aan de beoefenaars van de geneeskunde, met name
wat het onderscheid tussen de titels " en in de oncologie " en " en in de
medische oncologie " betreft.
- het M.B. van 16.04.1999 (B.S. 22.06.99) tot vaststelling van de bijzondere criteria voor
erkenning van geneesheren-specialisten houder van volgende bijzondere beroepstitels :
oncologie, medische oncologie.
De drie procedures zijn uiteraard nog steeds aan de gang. Inmiddels konden wij vernemen
dat nog andere partijen een verzoekschrift hebben ingediend tegen het laatste M.B., o.m.
de Belgische Vereniging voor Pneumologie en de BVAS.
Op 25.10.1999 meldde ons Minister van Volksgezondheid AELVOET, voortgaande op een
beslissing van " de werkgroep van de Hoge Raad van Geneesheren-Specialisten en
Huisartsen " van 09.11.1999, dat zij het voornemen heeft de ganse problematiek van de
oncologische bevoegdheden te herzien en dit probleem voor te leggen aan de Hoge Raad van
Geneesheren-Specialisten en Huisartsen. De allerlaatste vergadering van de Hoge Raad
dateert echter van 05 november 1998. Een nieuwe bijeenkomst is nog steeds niet voorzien,
wat ernstige twijfels doet rijzen omtrent de reële bereidheid om enig zinnig overleg in
dit orgaan te willen organiseren.
Op 02.12.99 werd door het VBS een vergadering ingericht, in aanwezigheid van
vertegenwoordigers van de erkenningscommissies en van de beroepsverenigingen van de
verschillende betrokken specialismen, evenals van Prof. Dr Simon VAN BELLE die uitvoerig
het standpunt van de medische oncologie heeft toegelicht. Uit de debatten blijkt dat het
achterliggend gemeenschappelijk bezwaar tegen de huidige regeling erin bestaat dat aan de
medische oncologie therapeutische privileges worden toegekend, die aan de oncologen
behorend tot andere basisspecialismen zouden ontzegd worden. Het betreft met name de visie
volgens dewelke alleen de medisch oncoloog bevoegd zou zijn in de toepassing van
chemotherapie, visie die o.m. verkondigd werd in een nota (september 99) van Dr J.P.
DERCQ, Adviseur-generaal van de Dienst Geneeskundepraktijk van het Ministerie van
Volksgezondheid.
IV.5. En de radiotherapeuten-oncologen ?
Op 31.08.99 publiceerde het Belgisch Staatsblad plots een ongehoord " Erratum "
van minister COLLA dd. 16.04.99 dat in feite een inhoudelijke wijziging aanbracht aan de
overgangsbepalingen van art 6 §2 (geschrapt) van het M.B. van 16.04.99 over de
erkenningscriteria m.b.t. oncologie en medische oncologie. Waarbij zich de vraag stelt of
de minister op één en dezelfde dag een besluit heeft getroffen en een " vergissing
" gecorrigeerd. De geschrapte paragraaf voorzag specifieke overgangsbepalingen voor
geneesheren-specialisten in de radiotherapie-oncologie die algemeen bekend staan als
bijzonder bekwaam in de medische oncologie.
Na schriftelijke tussenkomst van onzentwege (05.10.1999) bij het kabinet van Minister
AELVOET, en om hun rechten te vrijwaren, besloten de radiotherapeuten een verzoek tot
schorsing en nietigverklaring in te dienen tegen dit " erratum ".
IV.6. De algemene criteria voor opleiding en erkenning van
geneesherenspecialisten, en de klinische biologie.
Niet het VBS, maar de Belgische Beroepsvereniging van Geneesheren-Specialisten in de
medische biopathologie, trok ten strijde tegen art. 6 van de algemene criteria (M.B. van
30.04.99, B.S. 29.05.99). Wel had het VBS het principe behartigd dat alle diensten van het
opleidingsziekenhuis voortaan onder de leiding zouden moeten staan van een
geneesheer-specialist. Op het alleruiterste einde van de XXe eeuw, mocht dit wel gelden
als een minimale kwaliteitsvereiste. De voormalige bepalingen voorzagen dit alleen voor
enkele basisdiensten. Het verdedigde beginsel werd overgenomen in de tekst, doch met één
enkele uitzondering : het laboratorium voor klinische biologie.
De zaak is lopende; een wederantwoord aan de tegenpartij, de Staat, werd zopas ingediend.
Een niet onbelangrijke anekdote is dat de tegenpartij zeer uitvoerige bewijsstukken
vordert betreffende de ontvankelijkheid van het verzoek (bewijsstukken betreffende
bekrachtiging van de beslissing door het bestuursorgaan van de beroepsvereniging, de
geldigheid van de benoemingen van Voorzitter en Secretaris, bekrachtiging van de
oorspronkelijke en recentste statutenwijzigingen, enz
) Wij merken op dat de Staat,
anno 1998 heel wat minder omslachtige vereisten stelde m.b.t. sommige representatieve
verenigingen die zich kandidaat stelden voor de verkiezingen in het kader van de ZIV-wet.
IV.7. Erkenningscommissie urgentiegeneeskunde
Een andere vermeldenswaardig juridisch element betreft de uitspraak van de Raad van State
i.v.m. de nietigverklaring van de samenstelling van de erkenningscommissie van
geneesheren-specialisten in urgentiegeneeskunde .
De Raad van State vernietigde de benoeming van de leden op de bank van de
beroepsverenigingen . Hij oordeelde dat het
onaanvaardbaar was dat BESEDIM (Belgian Society for disaster and emergency medicine)
kandidaturen had ingediend terwijl deze vereniging zich ook tot niet-artsen richt.
Daarentegen verwierp de Raad van State de toepasselijkheid van de
representativiteitsregels in het kader van de Z.I.V.. Wij menen hierin een aansporing te
vinden tot nauwer overleg onder alle geledingen van de respectievelijke disciplines : de
syndicale-, de wetenschappelijke- en de beroepsgroeperingen.
IV.8. Kortom
Een zeer productief (en duur) jaar op het vlak van de gerechtelijke procedures is voorbij.
Onder de procedures zelf, lopen er uiteraard verscheidene nog ettelijke jaren door. Zo
wachten o.m. de verzoekschriften tegen de K.B.'s van minister Colla over de spoedgevallen-
en MUG-functies nog steeds op definitieve afhandeling.
Terloops vermelden wij nog enkele andere verzoekschriften die werden ingediend door
beroepsverenigingen, zoals o.m. de reumatologen tegen de nieuwe nomenclatuur van de
radiologie (ambulante forfaits), en de fysische geneeskunde tegen de nomenclatuur van
revalidatie.
Vorige  Inhoud  Volgende
|