Home | VBS | Verenigingen | De Gids | Accreditering | Tarieven | Wetgeving | Verzekeringen | De Bulletijn | Hulp 

De Geneesheer-Specialist

Orgaan van het Verbond der Belgische Beroepsvereniging van Geneesheren Specialisten

Nr 2 - Februari 2000 : Jaarverslag 1999 V.B.S. - Dr. Marc MOENS, Secretaris-generaal

Vorige nummer Vorige Archieven van de Geneesheer Specialist Inhoud Volgende nummer Volgende

III.5.1.    Consult geneesheer-specialist op vraag van de huisarts (103014) : een     oplossing in zicht ?

III.5.1.1.    Jacht op oftalmologen en dermatologen

Enkele weken vóór de verkiezingen ontstond heel wat beroering n.a.v. vervolgingen ingesteld door de D.G.C. tegen een aantal collegae, vooral oog-en huidartsen, die de prestatie 103014 hadden verricht zonder dat de huisarts aanwezig was (interpretatieregel 200-3,5). Bovendien moest het consult "uitzonderlijk zijn" (interpretatieregel 200-16).

Na diverse tussenkomsten, een aantal persberichten en briefwisseling met Dr Bernard HEPP, de nieuwe Leidend ambtenaar van de Dienst voor Geneeskundige Controle van het RIZIV, verklaarde deze in september 99 aan Artsenkrant dat een aanpassing van ofwel de nomenclatuur, ofwel de interpretatieregels vermoedelijk wenselijk zou zijn.

De problematiek is complex en ligt gevoelig om volgende redenen. Enerzijds zijn de instellingen voor bejaarden en rust-en verzorgingstehuizen het werkgebied van de huisarts en moeten ze dit ook blijven. Een rechtstreekse toegang van de specialist is geenszins wenselijk.

Anderzijds mogen bejaarden die zich niet zelf kunnen begeven naar de specialist (alle gevallen van fysische of psychische afhankelijkheid volgens de schaal van KATZ) niet benadeeld worden t.o.v. de andere patiënten. Dit is nochtans het geval onder strikte toepassing van de interpretatieregel die de DGC oplegt.

Volgens de gegevens van het RIZIV worden jaarlijks een kleine 11.000 consulten uitgevoerd en aangerekend, dit op een totaal van ongeveer 250.000 rusthuisbewoners. Het betreft 0,02% van de rubriek raadplegingen en bezoeken. Bij wijze van vergelijking : het aantal raadplegingen van specialisten (zonder interne, neuropsychiatrie en pediatrie) bedraagt al 15 miljoen voor de gehele bevolking. De ongelijkheid van behandeling van de betrokken patiënten blijkt dus overduidelijk uit de objectieve gegevens.

Vanuit een kleine telefonische enquête konden wij vaststellen dat van de 138 consulten er slechts 1 op de aanwezigheid van de huisarts kon rekenen (m.a.w. 7,3 op 1000). D.w.z. door de interpretatieregels van de DGC strikt toe te passen, dreigen er geen consulten meer aangerekend te worden aan de Z.I.V., zodat deze prestaties nog enkel zullen gebeuren op vraag van welstellende patiënten.

III.5.1.2.    Geen misbruiken

Uit het voorgaande blijkt duidelijk dat er geen misbruik gemaakt wordt van het codenr. 103014. Ondanks de vrees die bestond in de zestiger jaren (periode waar de interpretatieregels geformuleerd werden) zijn er geen poliklinische rusthuisafdelingen of instellingen met vaste consultaties van specialisten (tenzij onrechtstreeks, wanneer deze instellingen architectonisch zijn verbonden met een ziekenhuis). Het aantal prestaties is zeer beperkt en heeft een dalende trend.

Het tijdrovend karakter van deze prestaties (vooral de verplaatsingen in stedelijk milieu) maakt dat slechts een gering aantal specialisten de vraag van de huisarts beantwoorden (in totaal voor het land, alle specialismen: 758 specialisten in 1996).
Daar de bijna totaliteit van de consulten gebeuren op uitdrukkelijke (schriftelijke) vraag van de huisarts (doch zonder dat deze laatste aanwezig is), kan dit moeilijk als een misbruik beschouwd worden. De essentiële vraag is immers of de aanvraag van de huisarts gegrond is en of de tussenkomst van de specialist nuttig en/of noodzakelijk is.
De aard van aandoening en dus van het specialisme dat gevraagd wordt, zal mede
bepalend zijn voor de vraag of een interdisciplinair overleg huisarts-specialist ter plaatse zinvol is. Hoe dan ook is het belang van een simultane aanwezigheid noch groter, noch verschillend, dan bij een autonome patiënt die op verwijzing van de huisarts een specialist gaat raadplegen.

Verdeling volgens specialisme (belangrijkste groepen) van het aantal consulten52. Bron : RIZIV. Gegevens 1996.:

aantal artsen

aantal consulten

dermatologie
oftalmo
inwendige gen.
anesthesie
chirurgie
orthopedie
cardiologie
neuro-psychiatrie
revalidatie

244
67
96
58
52
40
35
32
30

(±)2.500
(±)1.500
(±)3.600
724
568
946
156
825
155

De toestand is doorheen de jaren zodanig geëvolueerd dat de zeer beperkte groep van specialisten (minder dan 5%) die ter consult geroepen worden, een zekere naambekendheid hebben verworven bij de betrokken huisartsen.

Het aantal specialisten nam ten andere ook gestadig af (837 in 95; nog slechts 758 in 1996), doch - tot nog toe - in mindere mate het aantal consulten. Telkens een specialist afhaakt, zoeken de huisartsen een ander specialist die nog bereid is die zorg te bieden. Zo ontstaan in de grote steden toevallige uitzonderingsprofielen. Ook dit heeft niets met misbruiken te maken.

III.5.1.3.    Het juridisch probleem

Vanuit juridisch oogpunt is het standpunt van de DGC (letterlijke toepassing van de interpretatieregels) zeer betwistbaar. Vooreerst blijken zowel huisartsen als specialisten helemaal niet op de hoogte te zijn van de interpretatieregel over de simultane aanwezigheid. De feiten alleen tonen dit aan: slechts bij slechts 7 op 1000
gevallen is de huisarts aanwezig.

Men kan uitvoerig aantonen dat het standpunt van de DGC ook juridisch zeer aanvechtbaar is. De nomenclatuur werd in 1989 gewijzigd i.v.m. de fysische aanwezigheid; de interpretatieregel van 1965 blijkt duidelijk achterhaald.
En de interpretatieregel over het " uitzonderlijk karakter " van het consult is achterhaald door de feitelijke zeldzaamheid van de prestatie. Een vervolgd collega vroeg schriftelijk aan de inspecteur hoe hij dit "uitzonderlijk" karakter moest evalueren. Waarop deze het antwoord schuldig bleef.

Daarnaast zijn er ook meer principiële wettelijke bepalingen die aan alle burgers zonder enig onderscheid dezelfde zorgen en dezelfde toegankelijkheid moeten garanderen. Psychisch of fysisch afhankelijke personen mogen daarin niet benadeeld worden.

Op een petitie-actie ontvingen wij spontaan meer dan 4500 handtekeningen van bejaarde personen en zorgverleners uit de bejaardenzorg. Ook schreven ons verscheidene collegae dat ze onder gestelde voorwaarden, geen consulten meer konden verrichten.

III.5.1.4.    Ons standpunt

We zijn van oordeel dat fysisch of psychisch afhankelijke personen dezelfde rechten hebben als autonome burgers wat de medische zorgverlening betreft. We menen dat medische thuiszorg, behalve kindergeneeskunde, of instellingen voor bejaarden, RVT, enz... het exclusieve zorggebied vormen van de huisarts. Elk rechtstreeks specialistisch aanbod is uitgesloten, ook voor de geriaters. Tenslotte dient de toegang tot specialistische verzorging in deze instellingen uitsluitend te gebeuren op vraag van de behandelende huisarts van de patiënt, met schriftelijk bewijs.

Wat de concrete toepassing hiervan betreft, achten wij volgende regelgeving wenselijk in het belang van de fysisch of psychisch afhankelijke personen.

De huisarts oordeelt zelf, in het belang van zijn patiënt, of zijn aanwezigheid en overleg met de specialist bij de patiënt noodzakelijk is. Zo de huisarts simultane aanwezigheid vraagt, dient de specialist daaraan gevolg te geven en moeten datum en uur gezamenlijk afgesproken worden.
Acht de huisarts de simultane aanwezigheid niet noodzakelijk, dan zal de consulterende specialist een beknopt schriftelijk verslag aan de huisarts overmaken (naast elke andere gebruikelijke vorm van bvb. telefonisch onderling overleg) .
Een verplichte verslaggeving blijkt veel zinvoller dan een absolute aanwezigheidsverplichting.

Tijdens een onderhoud met Dr I. VANDERMEEREN, kabinetsmedewerker van minister VANDENBROUCKE, op 12.01.2000, hebben wij ons standpunt uitvoerig toegelicht. Collega VANDERMEEREN oordeelde zelf dat het consult een verstrekking was waardoor nutteloze hospitalisaties kunnen vermeden worden. Hij was het eens met ons voorstel om de achterhaalde vereiste van simultane aanwezigheid van beide artsen te vervangen door een schriftelijke briefing t.a.v. de huisarts, en zou dit verdedigen bij de minister. De minister heeft onze vraag geformuleerd ter attentie van de voorzitter van de Technisch Geneeskundige Raad, Dr. Jacques DE TOEUF. Tijdens de plenaire vergadering van de T.G.R. van 01 februari 2000 werd het dossier ter advies doorgestuurd naar de werkgroep huisartsgeneeskunde van de T.G.R..

III.5.2. Artikel 17 bis §2 : storende rechtspraak ?

In ons vorig rapport maakten wij melding van de uitspraak van de Commissie van beroep dd 24 juni 1998, waarbij het CGD in het ongelijk werd gesteld wat betreft haar (intern) interpretatief advies omtrent de bepaling " Per dag en per patiënt mogen de geneesheren van hetzelfde specialisme slechts één van volgende verstrekkingen aanrekenen … "
De Commissie van beroep oordeelde dat hier niet een cumulverbod bedoeld wordt (deze staan nl. vermeld in art.17bis, §1), maar een verbod tot herhaling door geneesheren van dezelfde specialiteit.

In september 1999 kwam uit briefwisseling met Dhr F. PRAET, leidend ambtenaar van de DGV, aan het licht dat het DGC reeds in januari 1999, m.a.w. zes maanden na de uitspraak van de Commissie van beroep, een nieuw (intern) interpretatief advies had geformuleerd waarin het vroegere standpunt herhaald werd. Blijkbaar was de DGV niet op de hoogte van de rechtspraak, maar wel van het (intern) advies van het CGD .

Inmiddels werd op 01 februari 2000 door de plenaire Technisch Geneeskundige Raad een nomenclatuurwijziging goedgekeurd die nadrukkelijk stelt dat per dag en per patiënt slechts één echografie mag aangerekend worden.

III.5.3.    Anesthesie " ohne Papiere "

In het Duitstalig landsgedeelte werd een vervolging ingesteld tegen anesthesisten die als opleider fungeren in het kader van de opleiding van Duitse kandidaat-specialisten. De RIZIV-inspecteurs waren tot de bevinding gekomen dat desbetreffende Ausländer in hun 5e opleidingsjaar niet als kandidaat-specialist geregistreerd waren in België en dus onder een " onbevoegd " registratienummer presteerden. Ze waren wel ingeschreven als Arzt. Bezit België een wettelijke regeling om buitenlandse kandidaat-specialisten te
registreren ? De vraag naar een stageplan en stageboekje kon niet beantwoord worden, omdat dit systeem in Duitsland niet bestaat ; daar wordt immers een systeem toegepast van prestatiekataloog waarin de arts in opleiding de verrichte prestaties inschrijft. Er bestaat dus geen vooraf vastgelegd stageplan. De stages worden beoordeeld op het aantal verrichte verstrekkingen volgens een te realiseren " prestatieprofiel ".

Het DGC verwijt de betrokken opleiders simultane anesthesieën te hebben verricht en gezondigd te hebben tegen de regels van de fysische aanwezigheid..

Dit vindingrijk doch bureaucratisch standpunt mist realiteitszin. Desbetreffende kandidaat-specialisten, ook al zijn ze niet als dusdanig " erkend ", werkten mee aan de uitvoering van anesthesieverstrekkingen, volgens hun bekwaamheid, onder toezicht, begeleiding en verantwoordelijkheid van een erkend specialist. De ZIV-regels vereisen uitdrukkelijk dat de geneesheer bij de zieke aanwezig is en de verstrekking verricht, " hetzij alleen, hetzij bijgestaan door gekwalificeerde medewerkers wier ingrepen hij leidt ". Bovendien dient de EU-reglementering betreffende de diploma's, getuigschriften en andere titels van geneesheren (M.B. van 14.01.93) toegepast en geïnterpreteerd worden in de zin van reciprociteit.

III.5.4.    Het advies (109012)

Meldenswaardig is een recente uitspraak van de Beperkte Kamer inzake " het advies " (dd. 27.10.1999).
Onder " advies " wordt verstaan, het opmaken en ondertekenen, buiten elk onderzoek van de zieke ook, van getuigschriften, farmaceutische voorschriftbriefjes en allerlei bescheiden. Honorarium voor advies mag nooit samengevoegd worden met honorarium voor raadpleging of bezoek.

Een geneesheer-inspecteur had ontdekt dat (art. 1, § 4ter van de nomenclatuur) de fysische aanwezigheid bij de patiënt vereist is voor de in artikel 2 vermelde raadplegingen, adviezen en bezoeken. Een huisarts die in het kader van chronische behandeling van patienten in rusthuizen administratieve bescheiden en voorschriften had afgeleverd, zonder dat zulks telkens in aanwezigheid van de patiënt gebeurde, werd op grond van deze bepaling vervolgd. De Beperkte Kamer oordeelde dat in casu de tenlastegelegde feiten onvoldoende naar rechte waren bewezen. Een uitspraak met enig geruststellend effect; doch zonder diepgaande inhoudelijke verduidelijking. De bescheiden werden in casu opgemaakt in het dokterslokaal (waar zich de dossiers bevinden) van het rusthuis (woonplaats van patiënt) in overleg met de verpleegkundige, doch niet op de kamer van de patiënt.

Regelmatig krijgen onze diensten vragen betreffende de mogelijke vergoeding voor het afleveren van bescheiden. Ook de regelgeving inzake voorwaarden voor de verzekeringstussenkomst in geneeskundige specialiteiten voorziet steeds meer documenten die door de arts moeten afgeleverd worden. De problematiek van het " advies " stelt zich bovendien i.v.m. het gebruik van de nieuwe voorschriftenbriefjes.

Een zoals dikwijls in sibillijnse termen opgestelde interpretatieregel zegt : " Er dient evenwel te worden vastgesteld dat in die nomenclatuur betrekkingen worden beoogd tussen de geneesheer en de verzekerde, met verplicht aandeel van laatstgenoemde. " Is dit duidelijk genoeg om te stellen dat er een patiëntencontact moet zijn ? Verder : " De nomenclatuur maakt geen melding van de door de adviserend geneesheer aan de arts gevraagde inlichtingen en bescheiden, en stelt daarvoor evenmin een honorarium vast " (mag dus niet terugbetaald worden). Vooreerst kan men zich afvragen of dit nog redelijk is gelet op de vermenigvuldiging van het aantal documenten die kunnen gevraagd worden. In bepaalde gevallen worden rapporten voorzien die omslachtige verslaggeving vereisen en veel meer inspanning vergen dan het simpele "advies". Bovendien is het duidelijk dat zulks alleen kan van toepassing zijn op " gevraagde " documenten, en niet op formulieren die op basis van de ZIV-reglementering zelf door de behandelende arts aan de adviserend geneesheer moeten bezorgd worden.

Vorige nummer Vorige Archieven van de Geneesheer Specialist Inhoud Volgende nummer Volgende

Questions & Comments

Copyright © VBS, 1997-2004

  Home | VBS | Verenigingen | De Gids | Accreditering | Tarieven | Wetgeving | Verzekeringen | De Bulletijn | Hulp