Verbond der Belgische Beroepsverenigingen van
Geneesheren - Specialisten
Op 15.10.97 organiseerde Minister COLLA een Ronde-Tafelconferentie om zijn voorontwerp over de niet-conventionele praktijken voor te stellen aan een zeer heterogeen publiek van decanen, politici, alternatieve beoefenaars met- doch vooral zonder artsendiploma- en enkele gewone artsen. Blijkbaar hadden enkele genodigden bedankt. Anderen werden als aanwezig ingeschreven doch niet uitgenodigd. Vooraf hadden wij het Kabinet van de Minister de tekst bezorgd van de " UEMS position on non conventional medicine ", welke tijdens de besprekingen evenwel nooit aan bod is gekomen.
Beoefenaars van alleszins vier niet-conventionele praktijken (NCP, een toevallig anagram van " nieuwe politieke cultuur ") zouden worden erkend : homeopathie, chiropractie, osteopatie, accupunctuur. Luidens het voorontwerp mag zonder erkenning een niet-conventionele praktijk niet beoefend worden. Deze uitsluiting wordt dus geregeld volgens de klassieke formule toegepast in het K.B. 78 voor zowel de geneeskunde, de verpleegkunde, de kinesitherapie als de paramedische beroepen: " Niemand mag de...beoefenen... ". Het is in principe dus de bedoeling artsen zonder alternatieve therapeut-erkenning te verbieden een NCP te beoefenen. NCP staan, luidens het ontwerp van memorie van toelichting buiten de geneeskunst. Maar, zij (en zij alleen?) hebben het grote voordeel dat ze een holistische opvatting aankleven.
In een nieuw apart hoofdstuk van het K.B. nr 78 zou een Paritaire Commissie worden opgericht, belast met het uitbrengen van adviezen over de opleidings- kwalificatie- en erkennings-vereisten, hetzij op voorstel van de bevoegde Kamer , één per niet-conventionele praktijk, hetzij op verzoek van de Minister.
Paritair Comité:
- 7 artsen voorgedragen door de Faculteiten (waaronder 3 huisartsen)
- 7 NCP beoefenaars (elke praktijk minstens één).
Kamer :
- 3 artsen voorgedragen door de Faculteiten (waaronder 1 huisarts)
- 6 beoefenaars van desbetreffende NCP.
Zonderling is dat elke NCP-beoefenaar verslag moet uitbrengen van de door hem verrichte handelingen aan de huisarts aangeduid door de patient, behoudens wanneer deze laatste zulks niet wenst. Moeten we daaruit afleiden dat de huisarts wordt gepromoveerd tot aansprakelijkheidsvoogd van de NCP-beoefenaars? Juridisch gezien is in deze context de voorkeur " huisarts " versus " specialist " uiteraard louter arbitrair.
Bij K.B. zal ook bepaald worden welke andere artikelen van het K.B. nr 78 toepasselijk worden gesteld voor de NCP.
Volgens de reeds in aanmaak zijnde uitvoeringsbesluiten van Minister COLLA zou het diploma van arts vereist zijn (mits aanvullende opleiding) voor de uitoefening van de homeopathie.
T.o.v. de chiropractie (6 jaar opleiding) of de osteopathie (5 jaar opleiding) worden gediplomeerde artsen als minderwaardig beschouwd vermits ze, net als (om het even welk) paramedisch beroep, slechts toegang krijgen tot de 2e opleidingscyclus!
Voor accupunctuur (100u theorie, klinische praktijk en stage inbegrepen) zou de speciali-satieopleiding toegankelijk zijn voor een arts of kinesitherapeut.
Ons standpunt blijft gesteund op de " UEMS position on non-conventional medicine ": elke behandeling vergt een medische diagnose. Bijgevolg is het artsendiploma een minimumvereiste voor elke vorm van NCP-beoefening. Deze visie hebben wij niet alleen medegedeeld aan de Ministers DEHAENE, DE GALAN en COLLA, doch tevens aan de Decanen van de Faculteiten, de Vaste Secretarissen van de Koninklijke Academiën van Geneeskunde, de Voorzitter en Leden van de Nationale Raad van de Orde der Geneesheren, de Voorzitter en leden van de Hoge Raad van Geneesheren-Specialisten en Huisartsen, en aan de respectievelijke Voorzitters van de artsensyndicaten.
Inmiddels spreekt een alternatief CVP-voorstel van Dr. J. VAN ERPS en van de Heer H. BROUNS van " complementaire zorgverleners " (CZ) die een staatsexamen zouden moeten afleggen. en die strafbaar zouden gesteld worden als ze er de oorzaak van zijn dat een patiënt " een adequate behandeling wordt onthouden ".
Dit verandert uiteraard weinig aan ons principieel standpunt: hoe kan de wetgever een erkenning verlenen en een NCP- of CZ - behandeling gedogen zonder medische diagnose ?
De eerste zin van Minister COLLAs ontwerp van Memorie van Toelichting zegt dat de regering aan de bevolking een zo ruim mogelijke keuze inzake therapeutische handelingen moet bieden. Hij vergist zich. Zoals onze voorzitter Dr. Jacques MERCKEN in zijn editoriaal in het januarinummer 1998 van de Geneesheer-specialist opmerkte, heeft de regering de plicht er voor te zorgen dat de bevolking in de eerste plaats de best mogelijke behandeling krijgt.
Al de rest is image building en electorale stemmingmakerij. De ministerraad van 23.01.98 wou COLLA niet voluit steunen. Bestaat er enige nijd tussen CVP en SP of was dit een teken van premature verkiezingskoorts ?
De ministerraad van gisteren, vrijdag 06.02.98, heeft het ontwerp dan toch goedgekeurd. Het is vandaag evenwel uit de berichtgeving in de media niet af te leiden of het artsendiploma vereist is. De verantwoordelijkheid wordt doorgeschoven naar de huisartsen.
Eindelijk een ontwerp dat de patiënt centraal plaatst, alhoewel men zich kan afvragen of dat, net zoals voor het ontwerp over de alternatieve geneeswijzen, ook werkelijk de beweegreden is. Terloops weze opgemerkt dat de hierna opgesomde verplichtingen van de gezondheidsberoepen klaarblijkelijk niet op de alternatieve therapeuten toepasselijk zullen worden gesteld.
Artsen, kinesitherapeuten, verpleegkundigen en paramedici worden verplicht, ieder op hun terrein, hun patiënten een volledige, tijdige, voorafgaandelijke en duidelijk begrijpelijke informatie te verschaffen over :
- de gestelde diagnose
- aard, doel van onderzoeken en behandelingen, en de voor de patiënt belangrijke risico's, rechtvaardiging van de voorgestelde keuze, alsmede de alternatieve behandelingen;
- te verwachten en bereikte resultaten, evenals de gevolgen van niet-behandelen;
- de vooruitzichten m.b.t. gezondheidsevolutie en nabehandeling;
- te verwachten kostprijs en persoonlijk aandeel patiënt.
Op vraag van de patiënt moet de informatie schriftelijk verstrekt worden.
Het ligt voor de hand dat de arts nooit zal kunnen bewijzen dat de informatie mondeling werd verstrekt, tenzij hij een verklaring laat ondertekenen. Veiligheidshalve zal de mededeling dus schritelijk moeten gebeuren, temeer daar de bewijslast m.b.t. de toestemming van de patiënt formeel bij de beoefenaars zelf wordt gelegd (art. 3 van het ontwerp).
Vermits het hier om een algemene, in elke praktijksituatie toepasselijke verplichtingenreeks gaat, ligt het voor de hand dat de bewijslast betreffende het "volledig, tijdig, voorafgaandelijk en begrijpelijk-zijn" van de informatie, zal aanleiding geven tot een hopeloze papierberg die het verzorgingssysteem zal immobiliseren en om de haverklap advokatenvitterij en juridisme zal uitlokken. Te vrezen valt dat ze ook een defensieve geneeskunde tot gevolg zal hebben.
Bovendien wordt de geneeskunde benaderd als een volledig exacte wetenschap: een arts kan niet, op elk moment van het onderzoek of van het "colloquium singulare" volledig, tijdig en voorafgaandelijk alle vereiste elementen bezorgen.
Onafgezien van de vraag of de term "alternatieve behandelingen" ook betrekking heeft op niet-conventionele praktijken, gaat de absolute verplichting tot exhaustieve mededeling van alle mogelijke behandelingen, vermoedelijk ook leiden naar de medicalisering van de patiënt die ze dan ook allemaal zal willen uitproberen. Voor chronische of langdurige ziekten, of aandoeningen die een langdurige behandeling vergen is dat haast onvermijdelijk.
Als men deze regeling leefbaar wil maken zou logischerwijze deze expliciet-formele informatieplicht beperkt moeten worden tot deze situaties waar de toestemming van de patiënt niet mag verondersteld worden gegeven te zijn, nl. voor handelingen die van "ingrijpende aard" zijn. Immers, hoe kan men een "voorafgaandelijke" informatie verplicht stellen als niet duidelijk wordt gepreciseerd aan wat ze moet voorafgaan. Het is de reinste logica dat het hier uitsluitend gaat om de zgn. ingrijpende handelingen die in art 3 worden gedefinieerd als handelingen
- met mogelijks onomkeerbare gevolgen
- meer dan gewone risico's of nevenwerkingen
- die een algemene verdoving vergen
- die gepaard gaan met verminderd bewustzijn
- met een experimenteel karakter.
De fundamentele ethische gewetensvragen van de arts worden echter niet opgelost. De patiënt kan steeds een behandeling weigeren of intrekken: in dat geval moet de "normale behandeling" worden voortgezet. Maar, wat is, en wie oordeelt over de "normale behandeling" ?
Wanneer de patiënt niet in staat wordt geacht zijn toestemming of weigering te geven, moet de arts, zelfs zonder de toestemming van rechtstreekse aanverwanten, maar uitmaken of de behandeling "kennelijk nodig is teneinde ernstig nadeel voor de patiënt te voorkomen". Wat bvb. met pathologische ontdekkingen tijdens een heelkundige ingreep, waarbij onmiddellijk therapeutisch ingrijpen zonder enige toestemming een nieuwe ingreep onder algemene narcose kan besparen ? Wat als dit ingrijpen mislukt of onomkeerbare gevolgen kan hebben of...heeft ?
In tegenstelling tot de wet op de Privacy die de mededelingsplicht aan een arts aangeduid door de patiënt voorziet, komt dit recht, volgens het ontwerp COLLA, rechtstreeks toe aan de patiënt. Het is maar als de arts meent dat zulks schadelijk kan zijn voor de patiënt dat de mededeling moet gebeuren aan een vertrouwensarts. Naargelang de procedure, weet de patiënt dus meteen of er al dan niet te verbergen gegevens in het dossier voorhanden zijn, met alle gevolgen vandien.
De patiënt beschikt (art. 4) niet alleen over een inzagerecht, maar ook over een copieerrecht, behalve voor t.a.v. derden beschermde gegevens of de persoonlijke notities van de behandelende geneesheer. In ziekenhuisverband (art. 7 ) is het de hoofdgeneesheer die, mits hetzelfde voorbehoud, de toelating tot de gegevens verstrekt. Slechts wanneer deze laatste oordeelt dat zulks schadelijk is voor het belang van de patiënt, geeft hij toelating aan de vertrouwensarts van de patiënt. De behandelende geneesheer zelf wordt blijkbaar uit de procedure gesloten (terwijl art. 4 en art. 130 van de ziekenhuiswet het tegenovergestelde voorzien).
Alleen personen die strikt noodzakelijk zijn bij de verzorging of behandeling mogen aanwezig zijn, behoudens de uitdrukkelijke toelating van de patiënt. Zulks kan uiteraard problemen stellen i.v.m. personen in opleiding, doch ook voor verpleegkundigen of paramedici die de arts bijstaan zonder dat het wettelijk vereist of voorzien is.
Voor klachten tegen zorgverstrekkers kunnen de patiënten voortaan terecht bij een bijzondere subcommissie ingesteld bij de provinciale geneeskundige commissies (PGC), bestaande uit :
- twee vertegenwoordigers van de PGC, waarvan de eerste zeker een arts is, en de tweede arts, tandarts, kinesitherapeut, verpleegkundige of paramedicus ;
- twee vertegenwoordigers van de patiënten
- de ambtenaar van de buitendienst van de inspectie van het Ministerie van Volksgezondheid.
Indien geen voldoening wordt verkregen voor de subcommissie, kan de klacht voor een nieuwe instantie gebracht worden, voorzien in de ziekenhuiswet : de Nationale Klachtencommissie. Het is niet duidelijk of dit beroep kan ingeleid worden zowel door verweerder als door eiser. Er is immers alleen sprake over "voldoening" omtrent de eis.
Ziekenhuizen worden bedacht met een specifieke informatieplicht (art. 7) waaraan voldaan moet worden, hetzij bij de opname, hetzij zo spoedig mogelijk :
- over alle wettelijke rechten van de patiënt
- over alle prijzen en bedragen, inclusief de supplementen op erelonen en verpleegdag, uitgedrukt in franken en niet in procenten
- de toegepaste regels inzake beheer van goederen en gelden
- de verhoudingen tussen artsen (en andere zorgverleners) en ziekenhuis inzake aansprakelijkheid voor eventuele beroepsfouten.
Wat dit laatste betreft voorziet art.8 echter dat het ziekenhuis, ongeacht het sociaal-rechtelijk statuut van de zorgverlener, hoofdelijk aansprakelijk is voor alle tekortkomingen in de handelingen op het gebied van de geneeskunst (arts, tandarts; wat met de kinesitherapeut, paramedicus, enz...?)
Binnen elk ziekenhuis wordt een klachtenprocedure uitgewerkt via een ombudsdienst of een klachtencommissie, paritair samengesteld uit vertegenwoordigers van het ziekenhuis en vertegenwoordigers van de patiënten.
In principe zal een K.B. bepalen wat onder vertegenwoordigers van patiënten wordt verstaan. Vermits het om een voorontwerp van wet gaat, zal dit hoogstwaarschijnlijk ingevuld worden door de Kamer. Wat ons vaagweg doet vermoeden dat hier de volgende etappe van de responsabilisering van de ziekenfondsen mag verwacht worden.
Indien geen voldoening wordt verkregen kan de klacht, zoals voor de extramurale zorg, gebracht worden voor de Nationale Klachtencommissie, opgericht bij het Ministerie van Volksgezondheid. De Koning bepaalt samenstelling, werking, procedure en termijnen.
De arts heeft de wettelijke verplichting het getuigschrift voor verstrekte zorgen af te leveren aan de patiënt binnen een termijn van uiterlijk twee maanden volgend op het einde van de maand waarin de verstrekkingen worden verleend. Zoniet kan een administratieve geldboete uitgesproken worden van 1.000 BEF per maand vertraging, met een maximum van 10.000 BEF per document (K.B. van 19.05.1995 - B.S. van 26.09.95). Deze regel geldt onafgezien van het feit of de patiënt of het ziekenfonds het bedrag betaald heeft.
Daartegenover staat - een typisch voorbeeld van Belgische " billijkheid " - dat het ziekenfonds, wanneer het vaststelt dat de geneesheer zijn verstrekking verkeerd attesteert, geenszins verplicht is dit binnen een gelijkaardige termijn aan de arts mede te delen. Als sommige ziekenfondsbedienden dit toch doen, dan handelen deze mensen uit goodwill, wat de geneesheer dikwijls verkeerd begrijpt . In feite laat de wet aan het ziekenfonds de mogelijkheid om de fout geattesteerde bedragen terug te vorderen binnen de verjaringstermijn van twee jaar. De vandaag geresponsabiliseerde ziekenfondsen hebben zelfs een wettelijk georganiseerd financieel voordeel wanneer zij de zaak wat laten aanslepen.
De ZIV-wet voorziet een aantal zeer doelmatige instrumenten om het terugvorderen van " ten onrechte uitgekeerde bedragen " mogelijk te maken. Enerzijds is er het College van Geneesheren-directeurs (CGD) dat een emanatie is van de ziekenfondsen en zich toelegt op het formuleren van (ongepubliceerde) interpretatieve adviezen. Anderzijds trekt de Dienst voor Geneeskundige Controle (DGC), gewapend met deze adviezen, op speurtocht naar artsen-overtreders, om ze voor de administratieve (uitzonderings-)rechtbank, nl. de Beperkte Kamer te dagvaarden.
Dit " boze-wolf -"systeem (mogelijkheid tot terugvorderen over een periode van twee jaar, plus eventuele sancties) leidt ertoe dat artsen die ter goeder trouw en zeer zorgvuldig de nomenclatuur toepassen toch steeds in de grootste rechtsonzekerheid verkeren. Wanneer een procedure tegen een arts op basis van een welbepaalde interpretatie van het CGD door de mazen van de " privacy " (lees : geheimhouding) glipt, verspreidt het terreurbericht zich als een lopend vuurtje. Gevolg daarvan is dat de overtredingen alsmaar zeldzamer worden omdat niemand nog de nochtans perfect legitieme attestering aandurft. Daarop gaan de ziekenfondsen en het CGD - doch soms ook de geneesheren-inspecteurs van de DGC zelf - alsmaar spitsvondiger tewerk met hun interpretaties. De kassa moet immers rinkelen.
Art. 14 h) § 2, 2° zegt dat " het honorarium van de raadpleging (nrs 102012 en 103014) mag worden gecumuleerd met het honorarium van de verstrekkingen nrs 245011, -592, -636, -673, -695, -835, -850 en -975. Er mag evenwel slechts één ervan per raadpleging worden aangerekend. "
Welnu, de DGC zegt dat, ongeacht of de raadpleging wordt aangerekend of niet, de oftalmoloog maar één van die prestaties mag aanrekenen per raadpleging. Dit is uiteraard onzin : het gaat hem wel degelijk om de prestatie " raadpleging " (het codenummer wordt ten andere expliciet vermeld) en niet om een " patiënten-contact ".
Terloops wijzen wij erop dat de Dienst voor Geneeskundige Verzorging er goed zou aan doen om ook het codenummer van de raadpleging van de geaccrediteerde oftalmoloog te vermelden !
In art 17bis §1 staan de verschillende verstrekkingen van echografie opgesomd, samen met een ganse reeks onderlinge cumulregels (cumulverbod). Daarnaast begint art 17bis §2 met de bepaling " Per dag en per patient mag door de geneesheren van hetzelfde specialisme slechts één enkele van de verstrekkingen nrs....in rekening gebracht worden. ".
Het CGD, bij monde van Dr Jean RIGA, heeft via een advies deze tekst als volgt geïnterpreteerd : " Dezelfde of andere geneesheren van dezelfde specialiteit... " . Dit is echter duidelijk een tekstwijziging die een toevoeging vormt aan de wet en aan de betekenis ervan. De tekst van de nomenclatuur zelf zegt :
- art 17 §1 : een aantal prestaties van echografie kunnen niet onderling gecumuleerd worden (cumul = dezelfde dag, dezelfde patiënt, dezelfde arts).
- art 17 §2 : als een arts van een bepaalde specialiteit bepaalde (cumuleerbare) prestaties heeft aangerekend , dan mag op dezelfde dag voor dezelfde patiënt een tweede of nog meerdere artsen van dezelfde specialiteit deze niet meer aanrekenen.
Vermits het woordje " dezelfde " al tweemaal in de tekst voorkwam, heeft Dr RIGA er maar een derde vermelding aan toegevoegd.
Het CGD volhardt echter in zijn interpretatie. De talloze vervolgingen op basis van deze " aanvulling " van de nomenclatuur , die op een bepaald ogenblik ook enkele artsen het verlies van hun ziekenhuisfunctie hebben gekost, hebben zodanige terreur veroorzaakt, dat geen enkele arts het nog aandurft een tweede echografie aan te rekenen, ook al is dit voor de normale praktijk van het specialisme nodig en verantwoord.
Zonderling is wel dat men liever de tekstwijzigende lichtzinnige interpretatie behoudt (in haar ongepubliceerde versie), dan de tekst van de nomenclatuur aan te passen.
Zoals we vorig jaar voorspeld hadden, heeft de clausule van punt E van het akkoord artsen-ziekenfondsen van 11.12.95 (B.S. 09.01.1996) betreffende de zgn. " obsolete,
enz ... " verstrekkingen, aanleiding gegeven tot multipele interventies en vervolgingen ingesteld door de DGC. Zodra de beslissing tot schrapping van de chronaxiemeting door de TGR was getroffen, gingen de poppen aan het dansen en werden de tijdens de vijf laatste jaren aangerekende chronaxiemetingen als " obsoleet " beschouwd. Beseffend dat een (echt) rechtsorgaan zoals de Raad van State de ziens- en handelswijze van de DGC niet zou bijtreden, werd het verwijt omgebogen naar de cumulgevallen EMG/chronaxie, een interpretatie die al evenmin rechtsgrond heeft.
In de pediatrie werd plots een campagne opgezet omtrent het codenummer 474515-526 : " effectieve aanwezigheid van de kinderarts in de verloskamer ... ". Daarbij werd gezocht naar het zgn. " voorschrift " van de verloskundige. Volgens de bepalingen van het K.B. van 24.12.63 is echter het model 58 alleen van toepassing voor de verstrekkingen van kinesitherapie, klinische biologie, anatomo-pathologie, genetisch onderzoek, radiodiagnose, enz ... De reglementering in verband met de aanwezigheid van de pediater in de verloskamer voorziet dus geen formele vereisten. Wel moet het bewijs voorhanden zijn dat de aanwezigheid van de kinderarts gevraagd werd door de verloskundige.
Tijdens het weekend van 17-18 januari 1998 werd een grootscheepse nachtelijke inspectie gehouden in de ziekenhuizen. Object : de medische permanenties. Guy TEGENBOS vond het gebeuren belangrijk genoeg om op 22.01.98 op de frontpagina van " De Standaard " en " Het Nieuwsblad " te betreuren dat er wegens een (vermeende) " lek " geen ophefmakend negatief nieuws kon verteld worden over de enquêteresultaten.
Nochtans was er voldoende stof om een artikeltje te brouwen over de " vitterij " van sommige geneesheren-inspecteurs die de aanwezigheid van sommige kandidaat-specialisten wilden betwisten (wegens " buiten de precieze termijn van hun rotatiestage "). Een schrijven van Dr. J.P. DERCQ dd. 27/06/91 zegt nochtans duidelijk dat de medische permanenties, bvb. op spoedgevallen, voorzien in de diensten van het stageplan in aanmerking komen voor de opleiding.
Dat sommige ziekenfondsen sedert 1 maart 95, op basis van een flagrant foutieve interpretatie, hun leden de terugbetaling weigeren van zwangerschapstesten uitgevoerd door gynecologen is dan blijkbaar geen stof voor Guy TEGENBOS en de frontpagina van de Standaardgroep, want bij de huisarts kan het wel.
Er kwamen in de loop van 1997 nog andere nomenclatuurperikelen in het brandpunt van de belangstelling. Een neuro-psychiater mag geen Minerva voorschrijven voor een patiënt die deze nodig heeft. Een neuroloog wel. Desbetreffende tekst van de nomenclatuur werd gemaakt in de terzake bevoegde Technische Raad (uiteraard niet de Technisch Geneeskundige Raad !). Resultaat : de neuro-psychiater (met neurologische praktijk) moet telkenmale zijn patiënt verwijzen naar een ander " bevoegd arts ", wat uiteraard bijkomende uitgaven voor de ziekteverzekering veroorzaakt.
De mogelijke aanpassing van de nomenclatuur om aan deze onzinnige situatie te verhelpen wordt al meer dan een jaar onderzocht. Zou men niet gaan vrezen dat er liever wordt teruggevorderd dan bespaard ?
Deze enkele voorbeelden tonen aan dat vele tussenkomsten van de DGC verwateren in vitterij, juridische en sofistische spitsvondigheden. Dat men bij het vaststellen van flagrante onduidelijkheden in de nomenclatuur de zaken liever laat lopen i.p.v. de tekst zo spoedig mogelijk aan te passen - zoals bvb. bij art. 17 § 2 - doet bij de burger-nomenclatuur-toepasser vragen rijzen omtrent het waarom.
" Het honorarium " : procedure voor de vrederechter over het recht van de arts om zijn honorarium te bepalen en om de toepassing te eisen van de algemene bepalingen (bijzondere vereisten van de patiënt) van de conventie 1988, die nog steeds in voege zijn. (NB : de zaak werd ingeleid in september 1994).
"Art 139bis" : procedure ingesteld voor de Raad van State tegen het K.B. van 16 april 1997 (B.S. 30.04.97, ed.3, verspreid op 6 mei) getroffen in uitvoering van de Wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid.
Alvorens hiertoe over te gaan werd het advies van twee advocaten ingewonnen. Aangezien desbetreffende volmachtsbepalingen inmiddels door het Parlement bekrachtigd werden, dient de procedure ook ingeleid te worden voor het Arbitragehof. Art 139bis schept een discriminatie tussen artsen en andere burgers.
Immers het eenvormig boekhoudplan opgelegd bij K.B. van 14/08/87 bepaalt reeds alle kosten die verzoorzaakt worden door de medische activiteiten via de opsomming van de respectievelijke medische kostenplaatsen die niet door de verpleegdagprijs worden gedekt.
"Osteopathie" : procedure voor de Raad van State tegen de erkenning (door dezelfde Raad van State) van de Belgische Beroepsvereniging voor Osteopathie. De Minister (van Binnenlandse Zaken) diende geen laatste memorie meer in, en stemt in met het betekende auditoraatsverslag, waarbij het beroep ontvankelijk doch niet gegrond wordt geacht.
Motivering : de erkenning van de beroepsvereniging impliceert niet automatisch dat haar leden ongeoorloofde handelingen mogen verrichten.
"Kinesitherapie" : de uitspraak van 06.01.97 door het Arbitragehof inzake de Wet "Diegenant-Mahoux", ons betekend op 05.02.1997, werd reeds uitvoerig besproken in mijn verslag over het activiteitsjaar 1996.
"Echelonnering": een verzoekschrift werd ingediend tegen art 12, 2° van de Wet van 26 juli 1996 over de modernisering van de sociale zekerheid. Het Arbitragehof verklaarde op 14.01.98 het verzoekschrift ongegrond, daar de in algemene termen uitgedrukte bepalingen op zich geen discriminatie inhouden. De uitspraak werd ons de volgende dag betekend. We dienen nu te wachten op eventuele discriminatoire uitvoeringsbepalingen.
In het verlengde werd een verzoekschrift tot nietigverklaring ingediend bij de Raad van State tegen het K.B. nr. 97 van 25 april 1997 (B.S. 30 april 97, ed.3, verspreid op 6 mei). Vermits ook deze bepalingen door de Kamer bekrachtigd werden, stelt zich de vraag naar een nieuw verzoekschrift voor het Arbitragehof. De bepalingen zijn evenwel opnieuw in zeer algemene termen gesteld :
- " een trapsgewijze organisatie van de geneeskundige verzorging wordt ingesteld ";
- bij K.B. kunnen de modaliteiten vastgesteld worden volgens dewelke de "procedure inzake verwijzing" verloopt;
- bij K.B. kunnen de "verplichtingen" van de algemeen geneeskundige en de geneesheer-specialist bepaald worden;
- en tenslotte kunnen regels bepaald worden om het medisch dossier " als instrument in de trapsgewijze organisatie van de geneeskundige verzorging te gebruiken ".
- Kindergeneeskunde: verzoekschrift bij de Raad van State tegen de K.B.'s van 20.08.96 over de NIC, N, P* (cfr. verslag 1997).
- Plastische Chirurgie : procedure voor de correctionele rechtbank tegen een privébedrijf dat door niet-medici laserbehandelingen uitvoert. De zaakvoerder is een Nederlands arts, niet in België ingeschreven, die zelf verklaart dat de behandelingen worden uitgevoerd zonder zijn supervisie. Wij menen dat het belangrijk kan zijn hier een voorbeeld te stellen, temeer daar nog andere beroepsverenigingen met deze opkomende plaag kampen.
- Reumatologie : procedure voor de Raad van State tegen de nomenclatuur voor revalidatie (K.B. van 10 mei 1996) (cfr verslag 1997)
- Radiodiagnose: wegens de laattijdige publicatie van het K.B. van 11.12.1996 tot invoering van een remgeld van 12% in de radiologieverstrekkingen, kon dit remgeld niet geïnd worden gedurende een zekere periode. Advies van een advocaat werd ingewonnen. De organisatie van een collectieve procedure kwam echter niet op gang.
- Klinische Biologie : procedure voor de Raad van State tegen de vervanging (K.B. van 11.03.1997, B.S. van 03.06.1997) van een effectieve en plaatsvervangende vertegenwoordiger van de Beroepsvereniging in de schoot van de Commissie voor Klinische Biologie ingesteld bij K.B. van 12.11.1993, door twee niet-geneesheren.
Tevens werd een procedure voor de Raad van State ingesteld tegen het K.B. van 5 maart 1997 tot vaststelling van de waarde van X voor de jaren 1990 en 1991, in het kader van de bijzonder ingewikkelde problematiek van de zogenaamde "Ristorno-regeling" inzake klinische biologie.
- Urologie : procedure voor de Raad van State tegen het K.B. van 18.02.97 (B.S. van 19.03.1997 tot wijziging van de nomenclatuur (schrapping supplement lasermethode voor een reeks verstrekkingen).
- Kerngeneeskunde : procedure voor de Raad van State tegen het K.B. van 02/10/97 (B.S. 23.10.1997) inzake de bescherming tegen de ioniserende stralen, meer bepaald de strijdigheid met de medische bevoegdheden, bepaald in het K.B. nr 78 van 10.11.67 en de bevoegdheden toegekend door het bestreden besluit aan de radiofysici niet-geneesheren.
- Radiotherapie : procedure voor de Raad van State ingesteld tegen hetzelfde besluit.
Home | VBS | Verenigingen | De Gids | Accreditering | Tarieven | Wetgeving | Verzekeringen | De Bulletijn | Hulp
Copyright © VBS, 1997-2004