Verbond der Belgische Beroepsverenigingen van Geneesheren - Specialisten

Vorige Inhoudstafel Volgende

III. Een akkoord artsen-ziekenfondsen 1998-1999 : een laatste sirenenzang ?

III.1. De mini-conventie accreditering dd. 17.02.97

Omwille van de brutale verminderingen van de meeste honoraria met 3% en de bevriezing op het niveau 1996 van de honoraria voor consultaties en huisbezoeken, zegde het BVAS op 16.01.97 het akkoord artsen-ziekenfondsen 96-97 op, dat werd afgesloten op 11.12.95.

Ondanks juridische argumentatie en felle protesten werd meteen ook de accreditering opgeschort. Per 01.02.97 verloren bijgevolg 969 collega’s hun accreditering, op 01.03.97 steeg dit aantal tot 1.420 en per 01.06.97 was het opgelopen tot 2000 collega’s.

Zowel de verzekeringsinstellingen als de artsensyndicaten wilden de averij aan het accrediteringsschip zo snel mogelijk herstellen, temeer daar minister M. COLLA de kans schoon zag om de accreditering in te lijven in zijn keizerrijk aan de Bischoffsheimlaan.

Op 17.02.97 werd een mini-akkoord bereikt tussen artsen en ziekenfondsen dat uitsluitend over de accreditering handelde (B.S. 27.03.97). Zoals elk akkoord kon dit slechts in voege treden 45 dagen na publicatie in het Belgisch Staatsblad.

In praktijk betekende dit vanaf 01.06.97. In totaal verwierpen 4,3% van de artsen dit akkoord : 4,74% van de huisartsen en 3,93% van de specialisten.

De meeste collega’s schakelden tijdens hun accrediteringsvacuüm terug over naar de codenummers voor niet-geaccrediteerden, maar velen vroegen wel het hoger honorarium.

Gezien er geen akkoord was, was dit perfect mogelijk. Anderen volgden het Belgisch Staatsblad minder goed op en gingen door met het codenummer voor geaccrediteerden te gebruiken. Enkele lokale mutualiteitsverbonden hebben zich hierover druk gemaakt, en hun royale administratiekosten vergooid aan het over- en weerschrijven aan deze zondaars om een nieuw attest met het correcte nummer af te dwingen. Theoretische " winst " voor de verzekeringsinstelling : 30 BEF per dossier !

Op 11 maart 1997, bij een zoektocht met de BVAS-delegatie naar een ruimer akkoord dan de accreditering tussen artsen en Mutualiteiten in de Wetstraat 16, vroeg ik Premier Jean-Luc DEHAENE om de realisatie van een wettelijke regeling van de accreditering, die al in juli 1995 door minister DE GALAN aan het RIZIV werd beloofd.

De Eerste Minister zou de zaak onderzoeken en voegde er gemelijk aan toe dat we maar beter moesten nadenken vooraleer een akkoord op te zeggen. Ik riposteerde dat vooraleer we nog een nieuw akkoord zouden afsluiten, we inderdaad beter zouden nadenken.

Ten aanhore van ruim 20 vertegenwoordigers van Mutualiteiten en artsensyndicaten en na een frase met het Vlaams gezegde " Boer let op uw kippen " vanwege de met minister DE GALAN bekvechtende Heer COLLA, onderbrak DEHAENE het gekissebis met " Marcel, nu is’t genoeg geweest ! ". Maar langer dan die avond heeft de rust niet geduurd.

Een wettelijke regeling is er ondertussen inderdaad nog steeds niet voor de accreditering. Met als praktische consequentie dat het de RIZIV-administratie nog steeds niet mogelijk is de vele tientallen leden van de Accrediteringsstuurgroep en de hieraan verbonden werkgroepen (Technische Accrediteringsraad, TAR; de voorbereidende " kleine " stuurgroep; de werkgroep Ethiek en Economie) en van de 26 Paritaire Comités enige vorm van vergoeding te betalen voor hun aanwezigheid op de vergaderingen, noch voor hun plaatsingskosten.

Cijfermatig zijn er slechts weinig veranderingen waar te nemen van 1997 naar 1998 in het aantal geaccrediteerden en aantal LOK’s.

Op 01.01.1997 waren er resp. 11.242 specialisten en 9.097 huisartsen geaccrediteerd of 55,6 % van het totaal aantal artsen (niet-erkende huisartsen en geneesheer-specialisten in opleiding kunnen geen accreditering verwerven). Op 01.01.98 bedroeg dit resp. 11.343 specialisten (+ 0,9 %) en 9.122 huisartsen (+ 0,3 %). De toename van het aantal geaccrediteerden ligt dus duidelijk beneden de toename van het aantal verstrekkers :

+ 2,63 % specialisten en + 2,54 % huisartsen.

Het aantal LOK’s bleef statu quo : 1.523 op 01.01.98 t.o.v. 1.524 op 01.01.97. Het gemiddeld aantal deelnemers per LOK nam lichtjes toe van 12,8 naar 13,4 .

De opsplitsing per specialisme vind U in tabel 2.

III.2. Wat zijn de financiële mogelijkheden ?

Voor 1996 sloot het RIZIV haar rekeningen met een tekort van 23,6 miljard. De uitgaven bedroegen 442 miljard of 10,3% meer dan in 1995. De toegelaten groeinorm was en is in het kader van de Maastrichtnorm beperkt tot 1,5% bovenop inflatie. De tijdelijke bevriezing en verlaging van de honoraria voor 6 maand die de regering als reactie " voorlopig " oplegde voor 1997, werd verlengd tot het ganse jaar, omdat de artsen volgens de politici geen structurele maatregelen als alternatief indienden.

Een steeds weerkerende discussie is de accuraatheid van de RIZIV-cijfers. Het tijdsverloop tussen het moment waarop een prestatie wordt uitgevoerd en het moment waarop diezelfde prestatie wordt geboekt door het ziekenfonds en tenslotte overgemaakt aan de RIZIV-administratie kan sterk variëren. In 1996 werden 18,3% van de uitgaven van 1995 geboekt. De laatste jaren werden gemiddeld 16,7% van het ene jaar naar het andere jaar overgeboekt. 1,6% meer in 1996 betekent 6,7 miljard meer overdracht dan gebruikelijk. Dit is van dezelfde grootte-orde als de " minderuitgaven " van 1995 waarvoor de Mutualiteiten samen een bonificatie kregen van 867 miljoen.

In 1997 lazen we tegenstrijdige titels in de kranten over de RIZIV-begroting. Volgens de laatste berichten zal de eindafrekening zeer dicht in de buurt liggen van het previsionele budget 1997 dat 428,3 miljard bedraagt.

In tegenstelling met 1995-96 zouden er in 1997 geen abnormale bewegingen geweest zijn wat betreft de facturatie.

Voorzichtigheid bij de interpretatie blijft echter geboden : er is een belangrijke vertraging met de verrekening van bloedproducten, antibiotica en implantaten in de ziekenhuizen en er waren natuurlijk ook de lineaire vermindering met 3% op de medisch-technische verstrekkingen en met 2% op de ziekenhuisforfaits. Ook de stakingsdagen in de ziekenhuizen zorgden voor een, weliswaar beperkte, daling van de ziekenhuisuitgaven.

Na moeizame onderhandelingen binnen de schoot van de Nationale Commissie Artsen-Ziekenfondsen, werden de medische behoeften op 9/7/97 vastgesteld op 151,4 miljard door het BVAS en op 146,4 miljard door de Mutualiteiten en door de Konfederatie der Belgische Geneesheren. Dit verdeelde voorstel werd in september overgemaakt aan het RIZIV Verzekeringscomité.

Het totale uitgavenpakket dat voor 1998 door de diverse akkoorden-en overeenkomstencommissies werd geraamd bedroeg 472 miljard. De RIZIV-administratie had de behoeften op 451 miljard begroot. Rekening houdend met de reële groeinorm en dus zonder inflatie, zou de begroting voor 1998 slechts 435 miljard mogen bedragen.

Een voorstel van 455 miljard (inclusief de index) vanwege het Verzekeringscomité werd door de Algemene Raad verworpen, waarna uiteindelijk de Ministerraad het budget vastpinde op 452 miljard, plus 1 miljard voor de chronische zieken + 1,25 miljard op jaarbasis om een nieuw akkoord tot stand te brengen tussen artsen en ziekenfondsen.

Het budget waarover de medico-mut kon onderhandelen bedroeg tenslotte 147,525 miljard. Daarbovenop wordt onder bepaalde voorwaarden nog 1 miljard voorzien waarvan 250 miljoen voor het Medisch Dossier (berekend op 6 maanden), 250 miljoen voor de NMR, 300 miljoen voor een aantal " intellectuele prestaties " en 200 miljoen voor de moleculaire klinische biologie.

In de media wordt de aandacht steeds geconcentreerd op de onderhandelingen over de artsenhonoraria. Steeds wordt hierbij " vergeten " dat vanuit deze pot ettelijke tienduizenden werknemers direct (secretariaten, klinische biologie, medische beeldvorming, ...) of indirect (afdrachten in ziekenhuizen, investeringen en uitrusting in privé kabinetten, ...) hun loon putten.

Het relatieve aandeel van de artsenhonoraria in het geheel van de RIZIV-gezondheidsuitgaven neemt nochtans af van jaar tot jaar : van 45% in 1985 naar 33% in 1995. De uitgaven voor ziekenhuisopnames stijgen over dezelfde periode in relatief aandeel van 28 naar 34%, en de geneesmiddelen van 15 naar 22%. (cfr. tabel 3).

Gezien het aantal artsen terzelfdertijd toeneemt van 27.924 (= 100) naar 34.924 (= 125), daalt de RIZIV-terugbetaling per arts van gemiddeld 3.092.967 (= 100) naar 2.805.034 BEF (= 91) (cfr. tabel 4).

III.3. Het " raamakkoord " : een valse start in het voorjaar

Een " task force " van afgevaardigden van de artsensyndicaten en de verzekeringsinstellingen probeerden in februari-maart 1997 de onderhandelingen weer op dreef te brengen. Niet ten huize RIZIV, maar doorgaans in de lokalen van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten.

Vijf punten werden uitgewerkt. Over het oprichten van een Planningscommissie over het aanbod van dure hoogtechnologische behandelingen en over het afsluiten van bijzondere akkoorden met diensten die bereid waren afspraken over volume en budget te respecteren, werd spoedig een consensus bereikt.

De verwijsregeling tussen huisarts en specialist en het globaal medisch dossier daarentegen lagen heel wat moeilijker. Voor de Konfederatie ging het voorstel niet ver genoeg, voor een aantal BVAS-ers ging het veel te ver. Over het vijfde punt, de regeling derde betalende (R.D.B.) werd tot veler verrassing wel een akkoord bereikt, vooral onder druk van de Christelijke Mutualiteiten.

Daarnaast bevatte de tekst ook maatregelen in verband met een verregaande forfaitarisering van de klinische biologie en de radiologie, een responsabilisering i.v.m. het voorschrijven van geneesmiddelen, weliswaar afgezwakt tot het verschaffen van neutrale informatie hieromtrent via de LOK-groepen, en een aanbeveling over een spoedige organisatie van de artsenverkiezingen.

Het werkdocument, onder redactie van Dr. Rob VAN DEN OEVER van de CM, werd vroegtijdig, incluis de namen van hen die het naderhand zouden hebben moeten ondertekenen, in de medische pers gelekt als een (nep) officieel document. Het werd al druk becommentarieerd, nog vóór de " task force " op officieel bezoek ging bij premier J.L. DEHAENE op 11 maart 1997 (cfr. III.1.).

Als de operatie de vooropgestelde 10 miljard besparing opleverde was de eerste minister bereid zijn gewicht in de schaal te werpen om de voorstellen door de ministerraad te sluizen. Minister COLLA uitte meermaals zijn ongenoegen over de interventies van artsen en ziekenfondsen die, volgens zijn aanvoelen, steeds opnieuw probeerden hem vliegen af te vangen, zoals het medisch dossier, de planningscommissie, enz ....

Na een bijzonder geanimeerd debat, besliste de BVAS-beheerraad op 12 maart het zogezegd " raamakkoord " op te blazen. De wet COLLA was immers nog steeds niet herzien en de uitgaven van de artsenhonoraria in 1996 waren door de regering intentioneel sterk overraamd. De besparingen hoefden dus niet zo drastisch te worden doorgevoerd.

De forfaitariseringsprincipes werden in tegenspraak bevonden met de ideologie van het BVAS.

Tot slot besliste het BVAS om slechts opnieuw te onderhandelen wanneer de herschreven wet COLLA zou zijn gepubliceerd en wanneer de onterecht bevonden lineaire besparingsmaatregelen werden afgeschaft.

In " Le Journal du Médecin " van 21.03.97 verklaarde Dr. André WYNEN, in 1962 stichter en gedurende 30 jaar voorzitter van de Syndicale Kamers, dat hij zijn lidkaart nr. 1 had ingeleverd en zijn lidmaatschap bij zijn syndicaat had opzegd. In een brief van 17.03.97 aan Dr. Roland LEMYE, voorzitter van de Kamer van Henegouwen, Namen en Waals Brabant, legde WYNEN uit dat hij de wijze van onderhandelen en van besluitvorming onaanvaardbaar achtte.

Binnen de Konfederatie zat ook niet iedereen op dezelfde golflengte. Dr. Philippe VANDERMEEREN, voorzitter van de Groupement Belge des Omnipraticiens, zag in het raamakkoord een poging om een systeem op poten te zetten van inschrijving zonder echelonnering, terwijl het G.B.O. net het tegenovergestelde wenste, met name de echelonnering zonder inschrijving. Dr. Herman DUPREZ, voorzitter van de Huisartsenvleugel van de zustervereniging A.S.G.B., wou dan weer wel de vaste inschrijving bij de huisarts.

Bij de laatste vergadering van de " task force " op 7 maart 1997 bleef de Konfederatie afwezig. Op bezoek in " de 16 " nam zij wel de honneurs waar. Inmiddels had de Socialistische Mutualiteit al duidelijk laten verstaan dat voor haar de voorstellen in verband met de beperking op het gebruik van de R.D.B. veel te verregaand waren.

Rond dit tijdstip krijgt minister DE GALAN scherpe kritiek in de pers over haar (gebrek aan) beleid , geïnduceerd door voorzitter Marc JUSTAERT van de C.M. en zijn Franstalige ondervoorzitter Edouard DESCAMPE. De galanterie waarmee Vlaanderen, na 10 jaar puur Belgisch behoudsgezind P.S.-beleid, de Sociale Zaken-politiek van DE GALAN bejegende moet plaats ruimen voor de Vlaamse pressiegroepen die rechtstreeks contact zoeken met de premier, met de minister van Begroting Herman VAN ROMPUY en ook met de minister van Volksgezondheid Marcel COLLA. Vermits COLLA quasi alle initiatieven die in het ontwerp van akkoord artsen-ziekenfondsen aan bod komen met zijn eigen rode keizerlijke saus wil overgieten, vooral wat de huisartsgeneeskunde betreft, stappen Vlaamse huisartsengroepen graag af in zijn kabinet. Zij worden er bovendien ontvangen door kabinetsmedewerkers als de collega’s Olga VAN DE VLOED, ex-voorzitter van de W.V.V.H. (Wetenschappelijke Vereniging van Vlaamse Huisartsen) en Ri DERIDDER, notoir lid van het A.S.G.B., die er gelijkgezinde meningen op na houden (of is het net andersom ?).

III.4. Forfaitaire ziekenhuisfinanciering op vraag en op maat van de universiteiten

Parallel met de onderhandelingen over het " raamakkoord ", en zonder dat wij er weet van hadden, vergaderden eerst afgevaardigden van de universitaire ziekenhuizen, op initiatief van Prof. Dr. Jan PEERS, afgevaardigd bestuurder van de universitaire ziekenhuizen van de K.U.Leuven, en nadien ook van de andere ziekenhuisverenigingen met de premier om tot een totaal nieuwe ziekenhuisfinanciering te komen. Het objectief was duidelijk : een 100% forfaitarisering van verpleegdagprijs, honoraria en geneesmiddelen.

De universiteiten hadden hun slag goed voorbereid. Voor hun " all in budget " zou het " vette "jaar 1996 als referentie worden gebruikt voor de berekening van de enveloppe. Verder zou er jaarlijks rekening moeten worden gehouden met - bij K.B. te bepalen - uitzonderlijke elementen, met specifieke patiëntengroepen die een duur geneesmiddelenverbruik vertonen e.d.m.

Van de sociale bijdragen voor de artsen-bedienden willen de U.Z.’s gedeeltelijk af.

Van de vergoeding zou een gedeelte, dat van 10% in 1998 progressief zou toenemen tot 75% in 2001, worden uitgesloten uit de loonmassa waarop de bijdragevoeten van de sociale zekerheid worden toegepast. We noemden het een universitaire MARIBEL-operatie.

Maandelijks zouden de universiteiten een twaalfde van het hun toegewezen budget uitbetaald krijgen. Onregelmatigheden of vergissingen t.g.v. een ingewikkelde regelgeving met soms verschillende interpretaties door Sociale Zaken en Volksgezondheid, zouden tot het verleden behoren, zoals de 138 miljoen die het U.Z. Leuven moest terugbetalen voor de verzorging van " gewone " patiënten in de zeer dure bedden voorbehouden voor zwaar-verbranden (De Standaard 7 en 8/7/97).

De nota " BEECKMANS " over het globaal budget universitaire ziekenhuizen van 18 maart 1997 lekte voortijdig uit samen met een vertrouwelijke nota dd. 21 maart 1997 van het kabinet DE GALAN over de financiering van de overige ziekenhuizen. Op 28 maart 1997 zegde het VBS een staking aan voor 25 april tegen de anti-specialistische beleidsmaatregelen van de regering DEHAENE.

Ook de extra-murale specialisten werden bedreigd : de nota voorzag immers niet alleen het totale forfait in de U.Z.’s vanaf 01/04/97 en de 100% forfaitarisering van de klinische biologie en de radiologie in de niet-universitaire ziekenhuizen vanaf 01/07/97, maar ook het " programmeren " van pathologieën waarbij een pre-en post-hospitalisatieperiode werd voorzien in dewelke geen ambulante verstrekkingen mochten worden gefactureerd.

III.5. Responsabilisering en artikel 139 bis.

Op 7 april 1997 kreeg het RIZIV-Verzekeringscomité een regeringsnota voorgeschoteld die de artsen nog meer op stang joeg. Artsen werden financieel verantwoordelijk gesteld voor hun voorschrijfgedrag. Bij budgetoverschrijdingen inzake geneesmiddelen, klinische biologie, medische beeldvorming en in de sector van de rustoorden voor bejaarden zouden de artsen zelf moeten terugbetalen. Uit de tekst bleek ook dat, wat de ZIV-tussenkomst klinische biologie betreft, het aantal opnames van patiënten in een ziekenhuis vooraf en beperkend werd vastgesteld. De nota werd unaniem door het Verzekeringscomité afgewezen op de onthouding van drie vertegenwoordigers van de Socialistische Mutualiteiten na.

Een poging tot overleg op 9 april met Jean-Marc CLOSE, kabinetschef, en Paul VERHAEVERT, adjunct-kabinetschef - Mevrouw DE GALAN had zich laten verontschuldigen - liep uit op een harde confrontatie met de BVAS-delegatie. Zij verliet voor geruime tijd de onderhandelingstafel, die het net niet had begeven onder een aantal letterlijk en figuurlijk slaande argumenten, o.m. van uw verslaggever.

In de derde editie van het Belgisch Staatsblad van 30 april 1997 (weer maar eens geantidateerd want slechts ter beschikking op 6 mei !) verschenen de bewuste volmachtenbesluiten (K.B. 24 april 1997). Dankzij onze tussenkomst verdween het vooraf vastgestelde quotum ziekenhuisopnames voor de klinische biologie. Die termen waren er, tenminste volgens Paul VERHAEVERT, per vergissing ingeslopen ! Al het overige bleef ongewijzigd.

De tekst van het in de ziekenhuiswet ingevoegde artikel 139bis tart elke verbeelding : alles wat niet door de verpleegdagprijs wordt gedekt, kan vanaf nu worden verondersteld een bijdrage te zijn tot het instandhouden van de medische activiteit. M.a.w. de artsen moeten dan maar zelf de patiëntenzorgen betalen wanneer de enveloppe op is.

In het juni-nummer van de Geneesheer-specialist gingen we uitvoerig in op het conflict tussen de artsen en de regering. We counterden ook de vrijblijvende open brief van minister DE GALAN dd. 28/05/97 aan Dr. Milan ROEX, voorzitter van het A.S.B.G., in antwoord op een aantal standpunten die het A.S.G.B. in zijn " Info-flash " van 15 mei 1997 had uiteengezet.

Op te merken valt dat de regering niet alles via de EMU-volmachtenwet kon realiseren in april. Wat niet direct effect had op de begroting 1997 werd door de Raad van State afgevoerd, m.a.w. de Pax Medica die op 30/11/96 met minister COLLA werd afgesloten (pensionering van artsen, medisch dossier, de medische evaluatie, de hoge raad voor medische beroepen) maar ook de accreditering en de globale forfaitarisering en budgetfinanciering voor ziekenhuizen.

III.6. Stakingsgolf en Staten-generaal

III.6.1. De VBS-verwittigingsactie van 25 april 1997

Tussen de aanzegging op 28 maart en de waarschuwingsstaking van 25 april 1997, bezochten we heel wat medische raden, geneesherenkringen en ziekenhuizen. De actiebereidheid was zeer groot. Met de teksten op dia of overheadprojector was het trouwens vrij eenvoudig aan te tonen waar de overheid naar toe wou.

De bureaucratische staatsgeneeskunde met patiëntenselectie op kostprijsbasis, afschaffing van de vrije keuze van diagnose en therapie, zorgrantsoenering en wachtlijsten stond (en staat nog steeds) voor de deur.

Belangrijker dan de verzorging van de patiënt wordt in dit concept de verdediging van de belangen van enkele gezondheidsmanagers, al dan niet universitair.

De algemene malaise onder de specialisten concretiseerde zich op 25 april tot een bijzonder goed opgevolgde stakingsactie : ruim 12.000 ziekenhuisartsen en een belangrijk deel van de extramurale specialisten, gelijkmatig gespreid over gans België, beperkten hun medische activiteiten tot de georganiseerde wachtdienst,.

In de universitaire ziekenhuizen was de deelname aan de actie wisselend : van helemaal niet aan de V.U.B. naar grotendeels wel in het U.Z. Gent met tussenin de U.I.A. (nauwelijks) en de U.Z. Leuven (meer). In het socialistische bastion van de V.U.B., waar de auteur van het all in budget voor de universitaire ziekenhuizen algemeen directeur is, zou er gedreigd zijn met sancties tegen de overmoedigen die van hun grondwettelijk stakingsrecht durfden gebruik te maken.

Aan de Franstalige universiteiten werd in het C.H.U. de Liège en Hôpital Erasme gedeeltelijk gevolg gegeven aan de stakingsoproep, aan de UCL niet.

III.6.2. Het wordt menens : de scalpels neer van 23 tot 26 mei 1997

BVAS-voorzitter, Dr. Jacques DE TOEUF, had de beslissing om zich bij de VBS staking van 25 april aan te sluiten overgelaten aan de vijf individuele Syndicale Kamers. De coördinatie kwam de facto bij het VBS terecht, wat toch enigszins merkwaardig is voor een volgens de wet " niet syndicale organisatie ".

De nieuwe oproep, nu voor een 4-daagse staking, werd gelijktijdig gelanceerd door het federale BVAS-bestuur en het VBS. Het ASGB dat niet neen had gezegd bij de eerste actie, voelde zich blijkbaar gedwongen om ook tijdens de actie van 23 tot 26 mei deel te nemen. Of het uit overtuiging was dan wel uit electorale berekening, weet allicht alleen het ASGB-bestuur.

De Mutualiteiten zetten een tegenoffensief in via hun ledenbladen en de media. " Artsen mogen hun patiënten niet gijzelen " bloklettert CM-voorzitter Marc JUSTAERT in het ACV-zusterblad " Visie " van 14 mei. " Ze mogen mistevreden zijn, maar staken is onaanvaardbaar ".

De Socialistische Mutualiteiten zetten dik in de verf dat meer en meer specialisten hogere honoraria vroegen dan de regeringstarieven die werden verworpen. In de grote meerderheid der gevallen ging het nochtans slechts om de tarieven van 1996.

" De patiënten moeten staken, niet de artsen " lazen we op TV op een slogan van een betogende ACV-CM-er, voor een ziekenhuis waar een hooggeplaatst CM-bestuurslid in de beheerraad meestemde voor het vragen van de 3% extra, omdat anders de verliezen in zijn ziekenhuis nog sneller zouden toenemen !

De staking in de ziekenhuizen was algemeen in het ganse land. Ook heel wat assistenten staakten mee, tenzij aan de V.U.B. waar het gedrag van Prof. Jan BEECKMANS doet denken aan dat van de in Vilvoorde bekende ex-kabinetsmedewerker van de Franse socialist Laurent FABIUS, en inmiddels grote baas van RENAULT, Louis SCHWEIZER,.

Ondanks het verwerpen van de staking door de academische overheid als gevolg van een ondemocratische ponderatie van het stemrecht in het U.Z. Gent - 4 stemmen per lid van het vast kader en slechts 1 stem per assistent, wat het resultaat op 410 stemmen voor, 401 tegen en 38 onthoudingen bracht - schakelde heel wat diensten spontaan naar een wachtregeling over.

Aan het Sint Lucas ziekenhuis van de UCL vormde zich zowaar een klein stakingspiket waar ook sympathiserende huisartsen aan deelnamen. Aan de Brusselse Hallepoort manifesteerden een honderdtal geneesheren van de IRIS-ziekenhuizen. Opvallend was dat in het Brusselse zowel ziekenhuisbeheerders als artsen mee protesteerden : het ongenoegen zit zeer diep en de financiële middelen zijn zeer beperkt.

Ook elders in het land sympathiseerden huisartsen met de stakende specialisten. Het BVVGG verklaarde zich via de medische pers bij monde van zijn voorzitter Dr. J. DEBOIS, volledig solidair met de stakingsactie.

Een uitspraak van minister DE GALAN via de RTBf op 23 mei zette de geneesherenproblematiek in de ziekenhuizen in zijn juiste proporties : " Artsen een wedde betalen kan niet meer ". De BVAS had de berekening trouwens al gemaakt : salariëring van de artsen zou een extra-uitgave van 70 miljard meebrengen.

Bovendien zwijgt de overheid zedig over de internationaal vastgestelde patiëntenwachtlijsten die elders in Europa zijn ontstaan t.g.v. dergelijke budgetfinanciering en forfaitarisering.

In het Verenigd Koninkrijk wachtten in oktober 1997 1.207.500 patiënten op behandeling, of 2% van de Britse bevolking, waarvan 57.700 al langer dan een jaar en 818 al meer dan 18 maand.

In het vooral in Vlaanderen veel geroemde Nederlandse " Poldermodel " staan 450.000 mensen op de wachtlijst, of liefst 3% van de bevolking waarvan 117.000 bij de orthopedist, 92.000 bij de oftalmoloog, 35.000 bij de fysiotherapeut en 31.000 bij de NKO. De overigen zijn verdeeld over alle specialismen. Gemiddeld dient de Nederlandse patiënt 58 dagen te wachten.

Sinds 1993 heeft de Zweedse overheid zich fors ingespannen om een garantie uit te werken zodat de patiënten voor een reeks interventies niet langer zouden moeten wachten dan 3 maanden. De zo bewierookte staatsgeneeskunde had in 1992 een medische wachtlijst doen ontstaan voor ongeveer 2% van de bevolking waarvan de belangrijkste te vinden waren in de algemene chirurgie (47.500), ORL (45.900), oftalmo (37.400), vasculaire chirurgie (21.300), orthopedie (19.800) en de gynecologie (8.200).

Dergelijke informatie doorgeven aan de bevolking is erg moeilijk : artsen raken erg moeilijk op de buis of in de krant, tenzij ze de overheidspolitiek steunen. Als het ons dan toch lukt, slijt Marcel COLLA, minister van " Volksverlakkerij en Pensioenen " (Edi Clijsters op 18/7/97, in zijn editoriaal in De Morgen, na het uitlekken van de vleesfraude) de artsen voor leugenaars en demagogen (Gazet van Antwerpen 18/06/97).

Blijkbaar zijn ook de ondernemers slecht op de hoogte van deze gegevens. Zo verwijst Philippe DE BUCK van Fabrimetal, dat 100 miljard wil besparen door de patronale bijdragen voor de gezondheidszorg te schrappen, in Le Soir van 28/05/97 naar het paarse Nederland waar voor 10.000 inwoners 5 huisartsen actief zijn tegenover 18 in België, en 9 specialisten tegen 20 bij ons. " La Hollande n’est tout de même pas en retard de santé ! ".

Op 09/07/97 dienden de sociale partners van het RIZIV een unaniem advies en standpunt in over hun structurele maatregelen in de gezondheidszorg, met o.m. een forfaitaire ziekenhuisfinanciering.

Op hetzelfde ogenblik smeken de Nederlandse ondernemers minister van Volksgezondheid BORST om zelf te mogen bijspringen in de zorgverlening zodat de enorme wachtlijsten, die een buitenissig en peperduur absenteïsme veroorzaken, zouden kunnen worden weggewerkt (De Financieel Economische Tijd 13/11/97).

III.6.3. Met het Gemeenschappelijk Front naar Vorst-Nationaal (14/06/97)

Vermits alle gezondheidsberoepen door de regering in de tang werden genomen, werd met een persconferentie op 18.02.97 een " Gemeenschappelijk Front " opgericht dat zich in eerste instantie tot zelfstandige beroepsbeoefenaars richtte : zowel artsen als tandartsen, kinesitherapeuten, apothekers, verpleegkundigen, logopedisten, verzorgenden uit de rusthuissector en bandagisten, schoven hun eventuele disputen opzij en verenigden zich.

De eerste, en voorlopig enige, concrete opdracht was de organisatie van een Staten-Generaal in Vorst-Nationaal op 14 juni 1997, in de achtertuin van Magda DE GALAN. Vooral de vorm onder dewelke de huisartsen zouden deelnemen leverde voorafgaandelijk flink wat discussie op. Voor de huisartsenvleugel van het Vlaams Artsensyndicaat sprak tenslotte de Kaprijkse stentor Rufij BAEKE, en ondanks zware druk, deelde de nieuwe UHAK-voorzitter, Dr. Patrick ROELANDT, in het gezelschap van de ook nieuw-benoemde en ook Westvlaamse UHAK-secretaris Dr. Luc DEKEYSER, een steunbetuiging mee vanwege de Vlaamse huisartsen bij de aanvang van de bijeenkomst.

Voor de Franstalige huisartsen sprak Dr. Roland LEMYE, secretaris-generaal van de BVAS.

Ondergetekende lichtte namens het VBS kort enkele financiële aspecten toe, ingekaderd in de context van verzet tegen de regering.

Ook de extramurale specialisten waren goed vertegenwoordigd en vooral de extramurale radiologen lieten zich opmerken. De reden lag voor de hand. Een nota van CM-medisch directeur Dr. Rob VAN DEN OEVER, stelde gewoon voor de echografieën, de radiologie (en tevens laboratoriumdiagnostiek) verricht buiten de ziekenhuizen slechts aan 25% per acte te vergoeden en de rest via forfaits te betalen die zouden worden toegekend aan ziekenhuizen die de medische praktijken van de prive-specialisten overnamen. Het ontwerp verdween gelukkig tussen de plooien van de geschiedenis.

Onaangekondigd, en door het BVAS ongevraagd, beklom ook Dr. André WYNEN namens Becoprivé het spreekgestoelte om de huidige (gezondheids)politiek te verketteren. De

5.000 aanwezigen applaudisseerden enthousiast.

Toch was de opkomst lager dan verwacht. Postmoderne gezondheidswerkers spenderen hun vrije zaterdagnamiddag blijkbaar liever aan activiteiten waarmee ze de burn-out en de stress op een minder politiek getinte manier kunnen voorkomen of neutraliseren.

In de perscommentaren werd de meeting als beangstigend antipolitiek afgeschilderd. Zo mogelijk overtroffen de commentatoren in de pers van 16/06/97 elkaar nog meer in anti-dokters jargon dan, tenminste volgens de journalisten, de sprekers op de Staten-generaal in anti-politieke terminologie. Er dient wel opgemerkt dat twee derden van de sprekers niet medici waren.

Bij de soundtrack van Francis Ford COPPOLA’s manisch-depressief Vietnam-epos " Apocalypse now ", die als ouverture van de meeting werd gebruikt, suggereerde een journalist zelfs fascistische trekjes van Wagneriaanse Walküre origine.

En verder de klassiekers : " De tere plek van de specialisten is hun eigen bankrekening ... De rest is opera " (Het Volk); " Dan nog liever een beschilderde medicijnman uit de diepste Afrikaanse brousse " (Gazet van Antwerpen) of " Dr. POUJADE " i.p.v. Dr. WYNEN (Le Soir).

Namens het Gemeenschappelijk Front kondigde BVAS-voorzitter Dr. Jacques DE TOEUF aan dat het de officiële RIZIV-vergaderingen een maand lang zou boycotten. Dientengevolge moesten de aanwezigen op de vergadering van het Verzekeringscomité van 23/06/97 onverrichterzake terug naar huis : het quorum was niet bereikt. Dit werd mede veroorzaakt door de (toevallige ?) afwezigheid van één van de vertegenwoordigers van de Konfederatie. Deze had met flauwe uitvluchten niet willen meedoen aan de Staten-generaal en had dus allicht ook niet de intentie de werking van de administratie te boycotten.

De overige organisatoren van het Gemeenschappelijk Front hielden zich echter slechts beperkt aan de afspraak, zodat op 30/6/97 zelfs een ontwerp van K.B. over de medische verkiezingen kon worden goedgekeurd, in afwezigheid van het BVAS, dat weliswaar zijn bezwaren schriftelijk had ingediend.

Vanaf 14 juli was de BVAS terug aanwezig op de RIZIV-vergaderingen.

Het toeval (of het noodlot ?) wou dat Edmond LEBURTON, in 1963 de " vader van het ziekteverzekeringssysteem ", op 15.06.97 op 82-jarige leeftijd overlijdt, midden een revolte van de artsen tegen de overheid, die geïnspireerd lijkt door de roemruchte actie van Dr. WYNEN in 1964, met o.m. een drie weken durende staking. In " Le Soir " van 17/06/97 zegt WYNEN : " Edmond LEBURTON fut un interlocuteur redoutable de la profession médicale. Mais, contrairement aux hommes politiques d’aujourd’hui, il avait la qualité de ne jamais revenir sur ce qu’il avait accepté ! "

Het RIZIV-schandaal waarvoor LEBURTON op 75-jarige leeftijd, als voorzitter van de Socialistische Mutualiteiten, werd veroordeeld, terwijl zijn kompaan en ondervoorzitter Willy CLAES zijn hachje toen wel nog kon redden, vormde de prelude van een ganse reeks schandalen waarin vooral de Waalse socialisten waren betrokken. Steeds ging het om onfatsoenlijke partijfinanciering.

III.6.4. De Vlaamse specialistenstaking van 19 tot 23 juni 1997

Nog vóór de Staten-generaal plaatsvond, kondigde Dr. Toon MALFLIET, voorzitter van het VAS (Vlaams Artsensyndicaat), na hun beheerraad van 27/05/97 een nieuwe vijfdaagse staking aan van de Vlaamse geneesheer-specialisten. Het VBS sloot zich hier snel bij aan. Voor het eerst in het 43-jarige bestaan van onze Belgische federatie van beroepsverenigingen werd aan de Vlaamse VBS-afdeling een ander ordewoord gegeven dan aan de Franstalige afdeling, wat sinds de statutenwijziging door de vorige Algemene Vergadering van 08/02/97 perfect mogelijk was.

Enigszins aarzelend sloten de Franstaligen zich principieel aan bij de VAS-stakingsoproep tijdens de BVAS-beheerraad van 04.06.97. Ze namen niet onmiddellijk aan de actie deel, maar begonnen met een planning om zeer snel een beurtstaking in de verschillende Waalse provincies te organiseren. Het was zeer duidelijk dat de Vlamingen veel zwaarder tilden aan de bedreigingen tegen de specialistische praktijkvoering dan de Franstaligen en met name tegen de forfaitarisering. In de pers werd het beeld opgehangen van " oud-strijder " Toon MALFLIET die, met " jonge wolf " Marc MOENS, de poten van onder de voorzittersstoel van de al te gematigde Jacques DE TOEUF aan het wegzagen was.

Het A.S.G.B. zag geen reden meer tot staking. Het geloofde blijkbaar de vrijbrief van minister DE GALAN van 28/05/97 (cfr. III.5, pag. 13). Of, zoals Dr. Robert RUTSAERT, voorzitter van de ASGB-specialistenvleugel stelde, " wij zullen de minister toetsen op haar geloofwaardigheid tijdens de komende onderhandelingen ".

Deze derde staking werd even massaal opgevolgd als de twee voorgaanden. De Vlaamse berichtgeving lag enigszins anders omdat het politiek-vriendelijk ASGB afstand had genomen van de actie. In de praktijk maakte dit geen enkel verschil met de situatie op 25 april en de periode 23 tot 26 mei. Met de Vlaamse actie wilden de specialisten niet alleen de federale ministers COLLA en DEHAENE ter verantwoording roepen in hun eigen leefgemeenschap, maar ook aan de Vlaamse minister van Begroting, financiën en gezondheidszorg Wivina DEMEESTER laten verstaan dat ze de Vlaamse gezondheidszorg niet zomaar met de autoriteit van de Boerenbonder-landbouwingenieur kan ondersteboven keren.

III.6.5. De loodgieter fikst het weer

In zijn slottoespraak bij de Staten-generaal van 14.06.97 had Dr. Jacques DE TOEUF al laten verstaan dat rechtstreeks overleg met de premier gewenst was i.p.v. met de elkaar continu tegensprekende ministers DE GALAN en COLLA.

Tijdens het zondagse B, inmiddels VRT (Vlaamse Radio en Televisie) TV-debat " De 7de dag " dd. 22.06.97 met minister Magda DE GALAN en CM-voorzitter Marc JUSTAERT, liet ook ik duidelijk verstaan dat het overleg slechts kon herstart worden mits initiatief van premier DEHAENE.

De aankondiging dat ziekenhuisartsen bij forfaitarisering, conform de regels van haar voorganger Philippe BUSQUIN, geen pseudo-zelfstandigenstatuut zouden aanvaarden werd door Magda DE GALAN terecht als een dreigement begrepen met verregaande financiële consequenties.

Op 26.06.97 werd door het kabinet DEHAENE, zonder enige precisering, contact opgenomen met enkele artsen, mutualiteitsvoorzitters en ziekenhuisbeheerders, met de mededeling dat de eerste minister hen spoedig informeel zou ontvangen. Een telefoontje maandag 30.06 om 16 uur en om 18 uur waren we op " de 16 ". Het terrein werd verkend gebruik makend van een werkdocument dat ter plekke, nog warm van het kopiëren, werd uitgedeeld door de Heer Walter NONNEMAN, sinds 01.03.97 de nieuwe kabinetschef van DEHAENE. Gezien de uitmuntende dossierkennis van de premier kwamen beide bevoegde ministers er nauwelijks aan te pas. Na twee uur werd een doorbraak bereikt. DEHAENE vroeg bij herhaling het werkdocument " top secret " te houden. De genodigden en Magda DE GALAN beloofden dit; Marcel COLLA, ostentatief misnoegd, zei niets.

Iemand wou de premier duidelijk geen punten laten scoren, want Bénédicte VAES in " Le Soir " van 01.07.97 blokletterde " ... dans le plus grand des secrets : Dehaene rajoute du miel à sa réforme des hôpitaux ".

De hoogmis die DEHAENE op 03.07.97 in het RIZIV opdroeg - een premier in de Tervurenlaan 211 was trouwens een absolute primeur - verdeelde het select aantal toehoorders in ontgoochelden (de universitaire ziekenhuizen), gelukkigen en matig gelukkigen (de niet-universitaire ziekenhuizen, Mutualiteiten en het ASGB) en matig gelukkigen doch zeer achterdochtigen (BVAS).

De premier had allicht begrepen dat de universitaire ziekenhuizen zich zeer goed hadden bediend in hun ontwerp en dat naar het publiek toe, via de Mutualiteiten, de tariefzekerheid een must was.

" Le Soir "-journaliste B. VAES, die ongenood al tijdens de voorafgaande fotosessie in de vergaderzaal aanwezig was, kreeg van DEHAENE de vraag of ze nu ook al fotografe was. " Of beperkt U zich tot het fotocopiëren ? ". Deze x-ste perslek was uiteraard maar klein grut in vergelijking met al de andere die de media bezig hielden in 1997.

Bij gebrek aan objectieve gegevens werd het globaal forfait voorlopig afgevoerd. Een werkgroep buigt zich over de forfaitaire honorering van enkele spitstechnologische diensten. Maar de klinische biologie (in praktijk beperkt tot een herschikking van de urgentiehonoraria) en de medische beeldvorming (volgens het akkoord artsen-ziekenfondsen van 03.11.97 beperkt tot ongeveer 30% van het geheel) dienden verder geforfaitariseerd.

De draagwijdte van het artikel 139 bis werd door de premier, auteur van de wet op de ziekenhuizen van 07/08/87, geminimaliseerd en verwezen naar een werkgroep, die tot op heden niet aan het werk is getogen.

Verder bevestigde DEHAENE nog dat in het ziekenhuis artsen als zelfstandigen eigenaars van hun honoraria blijven.

Vorige Inhoudstafel Volgende

  Home | VBS | Verenigingen | De Gids | Accreditering | Tarieven | Wetgeving | Verzekeringen | De Bulletijn | Hulp 

Copyright © VBS, 1997-2004