Verbond der Belgische Beroepsverenigingen van
Geneesheren - Specialisten
Sinds de vorige algemene statutaire vergadering van 08.02.97 vergaderde het V.B.S.-Bestuurscomité zeven maal. Honderden collegas kwamen bijeen voor tientallen zittingen van hun eigen beroepsverenigingen in de VBS-lokalen op de Kroonlaan 20 in Elsene. Zoals sinds vele jaren, begeleid door de vaste staf van het V.B.S.-personeel.
Het ongeloof en de verslagenheid was groot toen het parket van Neufchâteau en de rijkswacht op 5 maart 1997 het lijk van de op 5 augustus 1992 verdwenen negenjarige Loubna BENAISSA vond in de garage van de familie DEROCHETTE, pal tegenover het VBS-gebouw.
Het onwezenlijke wat misloopt in onze maatschappij werd pijnlijk vlakbij geconcretiseerd. Het onderzoek van 1992 in deze zaak verliep - om een eufemisme te gebruiken - stuntelig. Voorzitter Marc VERWILGHEN van de " Commissie Dutroux " ontdekt onverklaarbare slordigheden, interne tegenwerking en leugens via getuigenissen van staatsambtenaren. Ook de partijpolitieke demonen steken opnieuw de kop op. De driehonderdduizend betogers van de Witte Mars van 20 oktober 1996 en de ganse bevolking reageren met ongeloof. Maar de interesse van het grote publiek verzwakt en een protestactie met opgestoken paraplus als symbool op 24 juni 1997 kent slechts een vrij bescheiden succes.
Andere onderzoekscommissies komen in de belangstelling. Telkens komen tekorten en fouten aan het licht, die relatief weinig gerechtelijke en politieke consequenties meebrengen. De dramas krijgen ook communautaire commentaren. Franstaligen oordelen dat Vlaamse politiemensen, magistraten en politici zachter aangepakt worden. De Vlaamse media zetten dan weer in de verf dat Melchior WATHELET, oud-minister van Justitie, al te gemakkelijk de dans ontspringt.
Het rommelt regelmatig binnen de regeringscoalities, maar ook binnen de partijen zelf. Schandalen van allerlei aard zijn voorpaginanieuws. Geen enkele van deze dossiers kan worden afgesloten : COOLS, DASSAULT, AGUSTA. Integendeel, nieuwe onfrisse dossiers brengen de PS-top in diskrediet, zoals de zwarte betalingen aan ex-voorzitter Guy SPITAELS.
Door zijn uitsluiting, die hij uitdrukkelijk heeft gezocht, luidt Gérard DEPREZ de agonie in van de PSC. Het gevolg zou kunnen zijn dat tegen juni 1999, als volgens plan de moeder van alle verkiezingen wordt gehouden (Europees, Parlementair, Gemeentelijk samen), het politiek landschap drastisch wordt gewijzigd. Een paars Franstalig front met (of tegen ?) een klassieke rooms-rode Vlaamse coalitie hoort misschien tot de mogelijkheden. Tenzij VLD-voorzitter Guy VERHOFSTADT ook in Vlaanderen een politieke aardverschuiving realiseert.
Half januari 1998 heeft SP-voorzitter Louis TOBBACK, met de hem eigen charme van Leuvense bulldog, immers nog een aanval in regel ontketend tegen de al fel geplaagde minister van Justitie, Stefaan DE CLERCK over de vermeende politieke benoeming van een aantal plaatsvervangende magistraten.
Van de " Nieuwe Politieke Cultuur " is nog niet veel te merken, behalve het zoeken naar verruiming of nieuwe ideeën door Bert ANCIAUX, die een zwangerschap lang zijn voorzittersstoel van de Volksunie doorschuift aan huisarts Patrick VAN KRUNKELSVEN,
met zijn denktank ID21, en het ontstaan van een nieuwe politieke partij " pNp " (Partij voor nieuwe politiek) van Paul MARCHAL, vader van An en derhalve direct betrokken bij het dossier Marc DUTROUX, of TRIANGEL of BERG of ....
Mediatieke hoogtepunten komen en gaan. De rechtstreeks betrokkenen blijven achter met het leed en de problemen. De moord op de 33-jarige Luikse huisarts Myriam VANSTEELANDT op 15 februari 1997, krijgt minder TV-zendtijd dan de even brutale moorden bij de overvallen op de geldtransporten. Voor onze collegas huisartsen hopen we dat de minister van Binnenlandse Zaken, Johan VAN DE LANOTTE, evenveel aandacht besteed aan de veiligheid van de zorgverstrekkers als van de geldkoeriers.
De Franse groep Renault is het fiasco van zijn bedrijfssluiting in Vilvoorde blijkbaar al vergeten en met grote trom kondigt hij, na een monsterverlies in 1996, een winst van 10 miljard BEF aan voor het eerste semester 1997.
De zaak Dutroux en de dossiers in de rand leidden tot een maatschappelijke controverse, in januari 1998 nogmaals gereactiveerd door publicaties in " De Morgen ". Het fenomeen van nationale hysterie over satanische sekten van pedofielen en kindermoordenaars dreigt zich ook over België te verspreiden. " Believers " en " non-believers " vullen de kolommen van gerespecteerde en minder gerespecteerde bladen.
Fin de siècle of postmodernisme ? Of is het slechts de geschiedenis die zich blijvend herhaalt ?
Hoe dan ook, parallel met de continue disputen tussen parlement, regering en rechterlijke macht, regelmatig fors aangewakkerd door de vierde macht, de media, werd het vertrouwen van de burger in het reilen en zeilen van de Belgische politiek bij herhaling danig geschokt in 1997.
Tussen het weinige " wel " en het vele " wee " kwam de medische sector ook herhaaldelijk in de politieke belangstelling. Zelden in de positieve zin. Immers, zoals de liberale volksvertegenwoordiger en psychiater Jef VALKENIERS eind september stelde : " Doktertje pesten is een modetrend ".
Het derde rapport van de Commissie JADOT dat op 29 januari 1997 werd voorgesteld aan de Algemene Raad van het RIZIV, lijkt volgens de federale overheid aan te tonen dat de transfers Noord-Zuid afnemen. Het volgende rapport zal pas in maart 98 ter beschikking zijn, later dan gepland.
De SP-ers Louis VANVELTHOVEN, voorzitter van de Kamercommissie voor Volksgezondheid, en Ghislain VERMASSEN gaan graag in op deze gegevens en merken op dat de transfers tussen de provincies veel groter zijn dan de transfers tussen de regios. Vermits zij pleiten voor een betere sociale bescherming in Europa, vinden ze het enggeestig de solidariteit te begrenzen tot de taalgrens, laat staan de provinciegrenzen.
Niet iedereen in Vlaanderen zit op hun golflengte. Integendeel. Velen eisen de splitsing van de gezondheidszorgen. Op de onthouding van Agalev na, heeft de Commissie Staatshervorming van het Vlaams Parlement zich op 6 maart 1997 uitgesproken voor de communautarisering van het volledige gezondheidsbeleid en van de kinderbijslagen. Er wordt wel aan toegevoegd dat er een basissolidariteit moet blijven bestaan tussen de gemeenschappen.
Merkwaardig is dat de positie van de huisarts steeds gebruikt wordt om de splitsing te katalyseren. Vaste inschrijving en echelonnering zijn vooral eisen van een deel van de Vlaamse huisartsen. Als Vlaams specialist openlijk verzet prediken tegen dergelijke ideeën, die in een aantal Europese landen hebben geleid tot minder accurate zorgen, levert in de Vlaams pers al snel de verdachtmaking op van anti-Vlaamsgezindheid of conservatief unitarisme.
Dr. Milan ROEX, artsenleider van het Algemeen Syndicaat van Geneesheren van België, plaatst zelfs de artsenverkiezingen in het kader van de al jarenlang door hem gewenste splitsing. " Ze vormen een hefboom voor een gezondheidsbeleid op maat van de Vlaamse patiënt " (De Standaard 25.03.97).
Voor de federale ministers en voor de unitair denkende ziekenfondsen is deze visie misschien een bijkomende reden geweest waarom in 1997 niet alle hens aan dek werden geroepen om de syndicale artsenverkiezingen te organiseren.
Tijdens zijn nieuwjaarsspeech op 5 januari 1998 hoorden wij Michel JADOT hervormingen bepleiten in de gezondheidszorg, met name wat betreft de financiering van de ziekteverzekering en de efficiëntie van de conventiesystemen. Hij laakte de versnippering van de bevoegdheden en de kleine oorlogjes tussen Magda DE GALAN (ministerie van Sociale Zaken) en Marcel COLLA (ministerie van Volksgezondheid). JADOT pleitte voor één minister. Logischerwijs loste hij geen woord over mogelijke defederalisatie : van een Rijksinstituut kan moeilijk worden verwacht zijn eigen bestaan aan te vechten.
Regelmatig komen nieuwe concrete wrijvingspunten aan de oppervlakte.
In verband met de psychiatrie en de geestelijke gezondheidszorg zien de Franstaligen niet objectiveerbare transferten van het Zuiden naar het Noorden. De lineaire besparingen in de rusthuizen en in de verzorgingssector worden in het Noorden als anti-Vlaams en onethisch afgedaan, omdat in Vlaanderen de zorggraad correcter zou worden gemeten en omdat de Vlaamse overheid de rusthuizen strenge kwaliteitsnormen oplegde, vooral inzake personeelsbezetting.
De discussie over een afhankelijkheidsverzekening laait hiermee op : hoe ze te financieren, federaal of door de gemeenschappen, door wie te organiseren, door de Mutualiteiten of door andere privé instellingen, enz ... ?
Recent stelde de voorzitter van het Vlaams Parlement, SP-er Norbert DE BATSELIER, een federale financiering voor, voor een gesplitste gezondheidszorg. Hij stopt de al langer circulerende idee van het " twee pijler "-systeem in een, volgens hem, " bijna revolutionair " kleedje. De inkomensverdelende pijler - werkloosheid, pensioenen, ziekte-en invaliditeitsverzekering - van de sociale zekerheid houdt hij volledig federaal. De kostencompenserende gezondheidszorg - preventie, geneeskundige verzorging en verpleging van zieken en zorgbehoevenden - zou qua normering en uitvoering van het beleid worden overgedragen aan de gemeenschappen, terwijl de financiering federaal blijft (" In goede staat " VUB Press 1997).
Misschien kan deze oplossing " à la Belge " het debat over de herziening van de financieringswet voor gewesten en gemeenschappen in 1999 helpen ontmijnen.
Wivina DEMEESTER, Vlaams minister van financiën, begrotings- en gezondheidsbeleid, werkt ondertussen onverstoorbaar voort aan haar Vlaams gezondheidsbeleid. In 1997 diende ze enerzijds een nota in voor het preventiebeleid waarbij ze voor de huisarts een nieuwe taakinhoud omschrijft, mits een " soepele vorm " van inschrijving van de patiënt en een persoonlijk medisch dossier. Het ideeëngoed leunt dicht aan bij Marcel COLLAs centraal medisch dossier, dat via informatisering en anonimisering, de overheid snel over grote hoeveelheden gestandaardiseerde gezondheidsinformatie moet laten beschikken. Het betuttelend optreden van Mevrouw DEMEESTER valt niet bij alle huisartsen in goede aarde. Daarin ligt een parallel met Marcel COLLA. Maar voorlopig heeft DEMEESTER slechts een theoretische bevoegdheid wat betreft het gezondheidsbeleid. De instrumenten en de middelen zitten bij de federale overheid, dus bij COLLA en DE GALAN.
Anderzijds ontvouwde DEMEESTER haar visie op het Vlaamse ziekenhuisconcept. Tegen 2005 wil de minister nog slechts 65 à 70 ziekenhuizen in Vlaanderen. De financiering van ziekenhuizen zal gebeuren op grond van patiëntenprogrammas, die alles omvatten. Voorlopig is een aparte ereloonpool voorzien voor artsen. DEMEESTER gaat minstens zo ver als DE GALAN. Een essentieel verschil is dat de Vlaamse minister nauwelijks overleg wil met de betrokken deskundigen. Zij wil het federaal model van overleg tussen Mutualiteiten en artsengroeperingen gewoonweg dynamiteren om te vervangen door structuren die ze eigenmachtig op een theoretische basis en los van de dagelijkse realiteit van het terrein wil dirigeren.
We hebben dit " COLLA-teraal " ziekenhuisconcept voor Vlaanderen uitvoerig besproken in de Geneesheer-specialist van oktober 1997. De toekomst voor de Vlaamse patiënt en - in tweede orde - de Vlaamse arts, en vooral de geneesheer-specialist, ziet er behoorlijk somber uit als DEMEESTER haar eigengereide koers kan verderzetten. Voor de extra-murale sector betekent dit concept zonder meer een doodvonnis.
Maar zelfs in de bevriende Vlaamse pers kon men tussen de lijnen kritiek lezen op de totaal theoretische aanpak van beide onderwerpen. Veel werd haar echter door de commentatoren vergeven want het laatste beetje vermeende macht van de artsen moet er door haar toedoen aan geloven, zonder onderscheid des persoons weze het huisarts of specialist.
Als co-auteur van een voorstel tot uitwerking van een financieel statuut voor de Vlaamse ministers, kon de verantwoordelijke minister van Begroting op minder sympathie rekenen in de media. Naast een basiswedde van 6,1 miljoen BEF en recht op een dienstwagen met chauffeur, kenden de ministers zichzelf ook 100 à 200.000 BEF vergoeding toe voor persoonlijke uitgaven inherent aan de stand van Vlaams regeringslid, en maandelijks 10.000 BEF huisvestings- en 35.000 BEF onderhoudskosten met bovenop gratis verzekeringen allerhande.
Na één legislatuur zou een uittredend Vlaams minister recht hebben op een vergoeding van 16,5 miljoen BEF. Knack (07.07.97) noemde het een " vorstelijke oprotpremie ". De zaak is in herbespreking.
Het Noorden zou instaan voor " gezondheidszorg ", meent DEMEESTER, het Zuiden mag zich verder bezondigen aan " geneeskunde ", die veel duurder zou zijn. " La politique de santé sera flamande ou mauvaise " titelt Le Soir van 23.10.97. Niemand heeft ooit kunnen bewijzen dat preventieve gezondheidszorg goedkoper zou zijn. Een cynisch overkomende Nederlandse gezondheidseconomische studie toonde integendeel aan dat een ongezonde levensstijl, inclusief veel roken en drinken, vroegtijdige overlijdens induceerde rond de pensioengerechtigde leeftijd. Consequentie : minder ouderen, minder gezondheidsuitgaven. " Goedkoper " dus.
In het Belgisch Staatsblad van 05.09.97 verschenen de K.B.s van 29.08.97 tot vaststelling van het globaal aantal geneesheren, respectievelijk tandartsen, opgesplitst per Gemeenschap.
Het K.B. ging op 15.09.97 in voege, dus net vóór het begin van het academiejaar 1997-1998 en exact één jaar later dan was voorzien in punt H, I, 1, c van het akkoord artsen-ziekenfondsen van 11.12.95.
Naast het globaal aantal splitst het K.B. de te diplomeren (tand-)artsen ook op al naargelang het diploma uitgereikt wordt door een universiteit die onder de bevoegdheid van de Vlaamse dan wel van de Franse Gemeenschap valt. Voor de artsen gelden volgende cijfers :
voor 2004 : 700 (420 + 280)
voor 2005 : 650 (390 + 260)
voor 2006 : 600 (360 + 240)
Voor de jaren 2002 en 2003 werd voor de tandartsen het aantal einddiplomas beperkt tot 84, afgeleverd door een Vlaamse en tot 56, door een Franstalige universiteit.
De Franse Gemeenschap benadert dit gegeven anders dan de Vlaamse. De Franstaligen zullen aan het einde van de derde kandidatuur een definitieve selectie maken. Tijdens de eerste drie jaren zal men, zo mogelijk, de studenten reoriënteren naar verwante wetenschappelijke richtingen of naar de biomedische wetenschappen. De universiteit van Luik creëerde recent deze richting.
De defintieve inschrijvingscijfers voor het academiejaar 1997-1998 werden nog niet vrijgegeven. Toch lijkt het aantal generatiestudenten aan de Franstalige universiteiten nog toe te nemen : Luik en de ULB zouden statu quo blijven, de faculteiten in Mons en Namur licht toenemen en aan de 1ste kandidatuur van de UCL zouden zich 212 studenten hebben ingeschreven of ongeveer één derde meer dan voor het academiejaar 1996-97.
Het Vlaams Parlement besliste in 1996 een toelatingsexamen te organiseren voor geneeskunde-en tandartsstudenten. Het Decreet van 19.09.96 verscheen in het Belgisch Staatsblad van 24.07.96. De regeling ging in vanaf het academiejaar 1997-1998. Het examen omvat zowel een wetenschappelijke kennistoets, als een meer algemene test op de capaciteiten van inzicht en informatieverwerking.
115 ouders hadden bij het Arbitragehof een verzoekschrift tot nietigverklaring van het Decreet ingediend, o.m. omdat de humaniorastudenten niet geïnformeerd waren over de organisatie en de te kennen leerstof van dit ingangsexamen.
Op 27 mei 1997 deed het Arbitragehof een voorlopige uitspraak : voor het academiejaar 1997-1998 mocht alleen de test over het studietalent worden afgenomen.
De definitieve uitspraak van het Arbitragehof op 14 juli 1997 bevestigde die van 27 mei, maar voegde er aan toe dat vanaf het academiejaar 1998-1999 de volledige tweeledige test kan worden afgenomen.
Op 3 en 4 juli 1997 slaagden 680 van de 941 deelnemers of 72%. 1.023 kandidaten hadden zich ingeschreven. Voor de tweede sessie op 8 en 9 september schreven 567 kandidaten zich in, maar namen er slechts 480 deel. Hiervan slaagden er 286 of 59%.
Het examen was hetzelfde voor kandidaat-artsen en -tandartsen. Hoeveel van de 966 geslaagden (op 1.421 deelnemers van de 1.590 ingeschrevenen) er zich ook effectief inschreven voor de studies geneeskunde of tandheelkunde aan een Vlaamse universiteit is nog niet exact bekend.
Alleen de streefcijfers van 420 toe te laten Vlaamse artsen tegen 2004 en 84 tandartsen tegen 2002 liggen vast. Ter vergelijking : de vorige academiejaren startten gemiddeld 1.300 studenten de eerste kandidatuur geneeskunde in Vlaanderen.
Het wetenschappelijk deel van de proef dat in juli en september 98 zal worden afgenomen, zal ongetwijfeld het slaagpercentage verlagen. Het Leuvense studentenblad " Veto " maakte begin december 1997 bekend dat slechts 5 à 6 studenten op de 160 eerstejaars geneeskunde aan de KUL slaagden in het wetenschappelijk luik van de toelatingsproef die normaliter in de zomer 97 had moeten worden gehouden. De academische overheid relativeerde onmiddellijk deze resultaten.
Vlaams minister van Onderwijs, Luc VAN DEN BOSSCHE (SP) overwoog in maart 97 toch een Vlaamse numerus clausus in te voeren voor studenten geneeskunde en kinesitherapie. Reëel protest kwam er alleen van de oppositie, o.a. van de VLD, met uitzondering van Vlaams VLD-volksvertegenwoordiger, Dr. Yolande AVONTROODT. De Vlaamse onderwijsminister had zich trouwens al bijzonder boos gemaakt tegen de K.U.Leuven die alvast begonnen was kandidaat-examinandi voor te bereiden op de ingangsproef. De CVP sputterde wat tegen, maar vindt de numerus clausus aanvaardbaar als er ook maatregelen worden genomen in verband met de uitstroom van de zorgverstrekkers, m.a.w. gedwongen pensionering. Via de Pax Medica op federaal niveau werd een regeling vanaf 2004 uitgewerkt : vanaf de leeftijd van 67 jaar zal de ziekteverzekering nog slechts beperkt de prestaties door een arts terugbetalen, met uitzondering voor groepspraktijken en artsen die zich associëren met een jongere collega.
Allicht in deze context beschrijft Marcel DE BRABANTER, ere-voorzitter van het A.S.G.B. - dat zich tot voor een achttal jaren steeds heeft verzet tegen elke vorm van studentenbeperking in de geneeskunde en zich met ondervoorzitter en geriater Jean-Pierre BAEYENS terecht verzet tegen gedwongen pensionering - in " Oud maar niet out ", een artikelenreeks over beroepsactieve senioren in De Standaard, met enthousiasme zijn part-time activiteit als 77-jarige anesthesist in het ziekenhuis van Peruwelz (23.09.97). Achter zijn actieve syndicale loopbaan heeft hij een punt gezet.
Half januari 1998 komt een, voorlopig nog uitsluitend Franstalige, vragenlijst in circulatie afkomstig van het ministerie van Volksgezondheid die peilt naar de houding van de verschillende erkenningscommissies t.o.v. het mogelijke tekort aan kandidaat-specialisten vanaf 2004. Volgens de begeleidende nota, mede opgesteld door Prof. D. DELIEGE van de UCL, lid van de planningscommissie van het ministerie van Volksgezondheid, in samenwerking met Prof. Katrien KESTELOOT, voorzitter van de Vlaamse Gezondheidsraad, zal de werkkracht van elk specialisme snel afnemen door het samengaan van drie factoren : beperking van het aantal gediplomeerden, veroudering en vervrouwelijking. Uit de vragenlijst blijkt onmiddellijk dat de opstellers menen dat de halvering van het aantal diplomas spoedig tot een tekort zal leiden : " Wat zijn de voor-en nadelen van het aantrekken van buitenlandse geneesheren ? ", " Moeten taken aan niet-geneesheren (vb. apothekers-biologen) worden gedelegeerd ? ", " Moeten de bevoegdheden van paramedici en verpleegkundigen worden verruimd om de productiviteit van de artsen op te drijven ? ", enz ...
Tevens wordt de waarde van de verstrekkingen bevraagd : welke acten dienen te worden opgenomen in de nomenclatuur, welke opgewaardeerd, welke geschrapt ?
De erkenningscommissies worden ook verzocht te antwoorden op een vraag als " Welke zijn in Uw specialisme de (drie) verstrekkingen die in het algemeen het minste toegevoegde waarde voor de gezondheid inhouden ? ". Hierbij kan o.m. worden gedacht aan " verstrekkingen die weinig bijkomende levensjaren genereren ".
Ook over de verdeling van de taken tussen de specialismen onderling worden vragen gesteld, over het toevertrouwen van acten aan andere beroepsbeoefenaars, over de verhouding huisartsen t.o.v. specialisten etc ... De enquêteurs willen ook graag per discipline de elementen uit de reglementering en de wetgeving te weten komen die als het meest schadelijk worden ervaren voor de goede uitoefening van het beroep. Niet alle schadelijke elementen, alleen de meest nadelige (préjudiciable) dient men op te sommen !
Het is duidelijk dat de aanbodsbeperking vanaf 2004 een heroriëntatie zal vergen die veel voorafgaand overleg behoeft. De manier waarop de vragenlijst werd opgesteld doet echter ook andere intenties vermoeden.
De meest recente cijfergegevens over de specialistische geneeskunde vind U in tabel 1.
De snelste procentuele groeiers van 1996 naar 1997 (kolom D) zijn (begrijpelijkerwijze) de " nieuwe " specialismen psychiatrie (+ 17,9 %) en neurologie (+ 13,3 %), maar ook in de groep interne geneeskunde treffen we belangrijke toenames aan : pneumologie (+ 11,3 %), gastro-enterologie (+ 10,4 %), cardiologie (+ 5,5 %), reumatologie (+ 5,3 %).
Uit de verhouding totaal aantal geneesheer-specialisten in opleiding (G.S.O.) t.o.v. het aantal erkende specialisten op 01.01.97 (kolom F) kan men afleiden dat vooral in de anesthesiologie (32,6 %), de interne geneeskunde (34,1 %) en de radiotherapie (29,3 %), binnen de vijf jaar er een grote groep jonge specialisten in het beroep zullen aankomen.
Zoals steeds, dienen deze cijfers met de nodige voorzichtigheid te worden geïnterpreteerd.
Home | VBS | Verenigingen | De Gids | Accreditering | Tarieven | Wetgeving | Verzekeringen | De Bulletijn | Hulp
Copyright © VBS, 1997-2004